Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3973

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
AWB 24 _ 9386
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.8 Wet BRPArt. 2.58 Wet BRPArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging persoonsgegevens in de Basisregistratie Personen toegewezen na toetsing paspoortgegevens

Eiser verzocht het college om wijziging van zijn voornaam, geboortedatum en geboorteplaats in de Basisregistratie Personen (BRP). Het college wees dit verzoek af en handhaafde dit besluit na bezwaar. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank Gelderland.

De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van een recent overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 oktober 2025, waarin het toetsingskader voor rectificatieverzoeken is verduidelijkt. De rechtbank stelde vast dat de overgelegde Chinese paspoorten als brondocumenten echt zijn bevonden en dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat voorafgaand aan de afgifte van deze paspoorten kennelijk onbehoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden.

Het college kon ook niet aantonen dat de paspoortgegevens onjuist zijn of niet op eiser betrekking hebben. De rechtbank concludeerde dat buiten redelijke twijfel uit de paspoorten volgt dat de gegevens juist zijn en betrekking hebben op eiser. Daarom moet het college de gegevens in de BRP wijzigen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, herroept het eerdere besluit en draagt het college op binnen vier weken de inschrijving te wijzigen. Tevens veroordeelde de rechtbank het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen de persoonsgegevens in de BRP te wijzigen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9386

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[naam eiser] uit [plaats 1], eiser

(gemachtigde: mr. K.L. Sett),
en

het college van burgemeester en wethouders van Berkelland

(gemachtigden: J.L.M. van den Broek en J.J. Rietmeijer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het beroep van eiser gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser tot wijziging van zijn persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte het verzoek van eiser tot wijziging van zijn persoonsgegevens in de brp heeft afgewezen
.Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dat oordeel komt en welke gevolgen dat heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft het college verzocht om zijn voornaam, geboortedatum en geboorteplaats in de brp te wijzigen. Eiser staat in de brp geregistreerd met de voornamen [naam eiser] geboren in 1980 in [plaats 2]. Hij wil dit gewijzigd zien in de voornaam [voornaam] geboren op [geboortedag] 1971 in [plaats 3]. Het college heeft dit verzoek met het besluit van 25 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 november 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en namens het college J.L.M. van den Broek, J.J. Rietmeijer en [persoon A].
2.3.
De rechtbank heeft in afwachting van het inzetten van het ‘amicus curiae’ instrument door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om te komen tot een herijking van het toetsingskader het onderzoek geschorst. [2] De rechtbank heeft reden gezien om de uitspraak in de zaak waarin dit instrument is gehanteerd af te wachten en partijen na die uitspraak te informeren over de verdere gang van zaken in dit geding.
2.4.
Naar aanleiding van de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025 [3] over het beoordelingskader voor rectificatieverzoeken op grond van artikel 2.58 van de Wet brp heeft de rechtbank het college verzocht om de rechtbank te berichten hoe deze uitspraak zich verhoudt tot dit beroep en wat de eventuele gevolgen zijn van deze uitspraak voor dit beroep. Het college heeft vervolgens een aanvullend verweerschrift ingediend. Eiser heeft op dit aanvullend verweerschrift gereageerd. Het college heeft hier nog weer op gereageerd.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 (wederom) op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
3. De gegevens waaronder eiser in de brp is ingeschreven zijn ontleend aan een door hem op 14 september 2009 afgelegde verklaring onder ede of belofte ten overstaan van een aangewezen ambtenaar van de gemeente Leiden.
3.1.
Bij het verzoek tot wijziging van de gegevens in de brp heeft eiser de onderstaande documenten overgelegd:
  • Een verlopen Nederlandse verblijfsvergunning, op naam van [naam eiser], geldig tot 15 juni 2023;
  • Een geldig Nederlandse verblijfsvergunning op naam van [naam eiser], geboren in 1980, geldig tot 15 juni 2028;
  • Een geldig Chinees paspoort met nummer [paspoortnummer 1] op naam van [voornaam] geboren op [geboortedag] 1971, afgegeven door de ambassade op 24 juni 2021, geldig tot 23 juni 2031;
  • Een oud – ongeldig verklaard – Chinees paspoort met nummer [paspoortnummer 2] op naam van [voornaam] afgegeven op 1 april 2010;
  • Een oude – originele, niet vertaalde en inmiddels verlopen – Chinese identiteitskaart, afgegeven door de ambassade op 31 december 1998;
  • Een gelegaliseerde Chinese notariële verklaring van 10 april 2023 met aktenummer [aktenummer 1] met betrekking tot de geboortegegevens;
  • Een gelegaliseerde Chinese notariële verklaring van 10 april 2023 met aktenummer [aktenummer 2] met betrekking tot de Public Security Bureau (PSB) verklaring van 6 april 2023;
  • Een gelegaliseerde Chinese notariële verklaring van 10 april 2023 met aktenummer [aktenummer 3] met betrekking tot de hukou van de ouders van eiser;
  • Een PSB-verklaring van 6 april 2023;
  • Een PSB-verklaring van 2 november 2023;
  • Kopieën van de identiteitskaarten van de ouders van eiser;
  • Beëdigde vertalingen van de Chinese identiteitskaarten van eiser en zijn ouders;
  • Een door het Forensisch Deskundigen & Recherchebureau uitgevoerd fotovergelijkend onderzoek van 2 februari 2024.
Omvang van het geding
4. Het college stelt in de eerste plaats dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is omdat sprake zou zijn van misbruik van recht. Mocht geen sprake zijn van misbruik van recht dan stelt het college dat sprake is van rechtsverwerking en dat eiser daarom niet in zijn beroep kan worden ontvangen.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de beoordeling of sprake is van misbruik van recht of rechtsverwerking buiten de omvang van het geding valt. Deze standpunten van het college zijn namelijk niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd en juist dat bestreden besluit is wat in beroep voorligt. Mocht het college vinden dat sprake is van misbruik van recht of rechtsverwerking bij een verzoek om wijziging in de brp-registratie, dan is het aan het college om dat onderbouwd in een besluit op een dergelijk verzoek op te nemen. De rechtbank komt daarom toe aan een inhoudelijke behandeling van het beroep.
Toetsingskader
5. De Afdeling heeft in haar overzichtsuitspraak van 22 oktober 2025 het beoordelingskader voor rectificatieverzoeken zoals uiteengezet in haar uitspraak van 4 mei 2022 [4] op enkele punten gewijzigd of verduidelijkt. Bij rectificatieverzoeken moet beoordeeld worden of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde brondocumenten, zo nodig bezien in samenhang met de daarmee verband houdende nadere bewijsmiddelen, volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Als dat het geval is, en het brondocument van gelijke of hogere orde is dan het document of de verklaring op grond waarvan de eerdere inschrijving heeft plaatsgevonden, wordt het gegeven, of worden de gegevens waar het in dat geval om gaat, in de brp gewijzigd.
5.1.
In de overzichtsuitspraak heeft de Afdeling het beoordelingskader voor paspoorten – ook – verduidelijkt. [5] Een paspoort waarin de feiten worden vermeld waarover het verzoek tot opneming gaat, kan een document als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp zijn. [6] Aan het paspoort wordt in het internationale rechtsverkeer een belangrijke bewijsfunctie toegekend. Daarom is de bewijslastverdeling bij paspoorten anders dan bij andere d-documenten. Als het door de aanvrager overgelegde document een paspoort is en het college betwist dat dit overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt, draagt het college daarvoor de bewijslast. In de regel zal het dan een deskundigenadvies moeten overleggen. Dit kan een advies zijn over de echtheidskenmerken van het paspoort.
5.1.1.
Als het college de gegevens uit een echt bevonden paspoort niet wil volgen, zal het aannemelijk moeten maken dat er kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden (ook niet naar de aanvrager van het paspoort) of dat de gegevens onjuist zijn. De bewijslast ligt op dit punt bij het college. Het in algemene zin uiten van twijfels over de afgiftepraktijk met betrekking tot paspoorten in de afgevende staat, bijvoorbeeld door te wijzen op frauduleuze praktijken die zich hebben voorgedaan, is hiervoor onvoldoende. Aan de individuele aanvraag te relateren omstandigheden kunnen echter, eventueel in samenhang met kennis over de algemene afgiftepraktijk, wel voldoende zijn om aannemelijk te maken dat geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden.
5.1.2.
Het enkele feit dat een paspoort een Chinees paspoort van voor 2012 vervangt, is onvoldoende om van kennelijk onbehoorlijk onderzoek bij de afgifte van het vervangende paspoort te spreken. Zoals in de eerdergenoemde uitspraak van 4 mei 2022 is overwogen, geldt dat in beginsel van de juistheid van de gegevens in een door de bevoegde autoriteit afgegeven paspoort moet worden uitgegaan. Dit uitgangspunt geldt ook voor Chinese paspoorten afgegeven na 2012 die een paspoort van voor 2012 vervangen. [7]
5.2.
Dit betekent dat in zaken over een verzoek om wijziging van persoonsgegevens in de brp eerst de vraag beantwoord moet worden of de aanvrager brondocumenten heeft weten over te leggen die voldoen aan de eisen uit artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp. Pas wanneer die vraag bevestigend beantwoord kan worden, wordt toegekomen aan de vraag of behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden voorafgaand aan het afgeven van het brondocument. Daarna komt de vraag aan bod of het verband tussen de aanvrager en de persoon op de documenten kan worden gelegd. Bij positieve beantwoording van deze vragen zal vervolgens worden beoordeeld of aan de toetsingsmaatstaf zoals hiervoor omschreven is voldaan. Is dat het geval, dan wordt het betreffende gegeven, of worden de betreffende gegevens, in de brp gewijzigd.
De Chinese paspoorten uit 2010 en 2021
6. In de overgelegde paspoorten worden de naam, de geboorteplaats en de geboortedatum vermeld waarover het verzoek tot wijziging gaat. Tussen partijen is niet in geschil dat de door eiser overgelegde paspoorten brondocumenten zijn als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp en dat de paspoorten echt zijn bevonden door het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Ook twijfelt het college niet aan de (technische) echtheid van het paspoort.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de in de overgelegde paspoorten opgenomen gegevens niet voor verwerking in de brp in aanmerking komen. Volgens het college staat niet vast dat de paspoorten ook zijn opgemaakt en afgegeven door de ter zake bevoegde autoriteiten en inhoudelijk correct zijn. Bureau Documenten heeft immers niet kunnen vaststellen of de paspoorten inhoudelijk juist zijn en daarmee ook authentiek zijn. Daarbij is niet duidelijk hoe de identiteit van eiser door de Chinese autoriteiten tijdens het afgifteproces (in 2021) is onderzocht en vastgesteld en hoe het verband is gelegd met de al decennialang in de brp geregistreerde gegevens die substantieel anders zijn. Het is immers op geen enkele wijze duidelijk geworden dat de daartoe vereiste documenten door eiser aan de Chinese autoriteiten zijn overgelegd en het is voor eiser mogelijk om dit aan de hand van stukken of een verklaring (alsnog) inzichtelijk te maken. Ook heeft het college zelf meermaals navraag gedaan bij de Chinese ambassade in Den Haag naar hoe de identiteit van de aanvrager van het paspoort wordt onderzocht en vastgesteld bij het afgifteproces, maar daarop is geen reactie ontvangen. Bovendien heeft eiser zelf sinds zijn inreis in Nederland meermaals naar waarheid verklaard dat de in de brp opgenomen gegevens juist zijn en hij neemt met deze gegevens al ruim 25 jaar in Nederland deel aan het juridisch en maatschappelijk verkeer. Ten slotte stelt het college dat – als het college voornemens was – om een verificatieonderzoek te laten uitvoeren dit in China feitelijk niet mogelijk is. [8]
6.2.
Gelet op onder 6 is in dit geval sprake van een echt paspoort. Het toetsingskader als vermeld onder 5.1.1 en 5.1.2, dat volgt uit de overzichtsuitspraak, is daarmee van toepassing. Het is dus aan het college om aannemelijk te maken dat voorafgaand aan de afgifte van de paspoorten kennelijk onbehoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Die bewijslast ligt bij het college. Het college is daarin niet geslaagd.
6.2.1.
Dat Bureau Documenten geen inhoudelijke uitspraak heeft gedaan over de juistheid van de gegevens is, anders dan het college kennelijk meent, onvoldoende om te concluderen dat het college aan deze bewijslast heeft voldaan. Daarbij merkt de rechtbank op dat de Afdeling in de overzichtsuitspraak niet het criterium ‘authentiek’ hanteert, maar het criterium ‘echt’. Dat het college meermaals navraag heeft gedaan bij de Chinese ambassade en dat de ambassade daarop niet heeft gereageerd, maakt dit oordeel niet anders. Er is immers niet gereageerd door deze ambassade, waardoor het college hiermee dus niet haar standpunt aannemelijk heeft kunnen maken. Dat het aan eiser is om alsnog de stukken of een verklaring bij de ambassade op te vragen, strookt niet met de bewijslast die bij het college ligt. Ook de standpunten van het college dat eiser al ruim 25 jaar in Nederland onder deze gegevens aan het juridisch en maatschappelijk verkeer deelneemt is geen aan de individuele aanvraag te relateren omstandigheid die steun biedt voor het standpunt van het college dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Het enkele gegeven dat eiser zich onder andere persoonsgegevens aan de Nederlandse autoriteiten heeft gepresenteerd kan dan wel aan eiser verweten worden, maar maakt niet dat er kennelijk geen behoorlijk onderzoek bij de afgifte van de Chinese paspoorten heeft plaatsgevonden. Dat een eventueel verificatieonderzoek door het college niet tot de mogelijkheden behoort, leidt ook niet tot dat oordeel.
6.2.2.
Gelet op de bewijslast voor het college lag het op de weg van het college om aannemelijk te maken dat de paspoorten geen betrekking hebben op eiser, bijvoorbeeld door te wijzen op verschillen tussen zijn uiterlijke kenmerken en de foto’s in de overgelegde documenten. Het college heeft in dit verband enkel aangevoerd dat in het door eiser overgelegde fotovergelijkend onderzoek de conclusie “veel waarschijnlijker” wordt gehanteerd en dat dit onvoldoende doorslaggevend is. Het Forensisch Deskundigen & Recherchebureau had volgens het college tot de conclusie “extreem veel waarschijnlijker” moeten komen. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele stelling dat de gebruikte waarschijnlijkheidsscore onvoldoende hoog is, ontoereikend om aannemelijk te maken dat de paspoorten geen betrekking hebben op eiser, temeer omdat eiser aantoonbaar aanzienlijke inspanningen heeft verricht om zijn identiteit met een onderzoek te onderbouwen. Het college heeft verder geen specifieke betwistingen (van uiterlijke kenmerken) aangevoerd dat eiser niet kan worden geïdentificeerd als de persoon op wie de paspoorten betrekking hebben.
6.3.
De conclusie is daarom dat buiten redelijke twijfel uit de paspoorten volgt dat de gegevens juist zijn en betrekking hebben op eiser. De gegevens uit de paspoorten moeten daarom in de brp worden gewijzigd. Omdat daarmee alle door eiser gewenste wijzigingen worden doorgevoerd, behoeven de overige aangeleverde documenten geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 25 april 2024 te herroepen. De juistheid van de in de paspoorten van 2010 en 2021 vermelde persoonsgegevens is buiten redelijke twijfel vast komen te staan. De rechtbank draagt daarom het college op om de bestaande inschrijving binnen vier weken na verzending van deze uitspraak in de brp te wijzigen zoals hierna bepaald. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.335 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan beide zittingen heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Het college moet ook het griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 21 november 2024;
  • herroept het besluit van 25 april 2024;
  • draagt het college op binnen 4 weken na de dag van verzending van deze uitspraak de bestaande inschrijving van eiser te wijzigen in: [voornaam], geboren op [geboortedag] 1971 in [plaats 3], China;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187 aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 2.335 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van
mr.K. Berends, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit is de naam van eiser in de basisregistratie personen.
2.Met dit instrument is aan anderen dan partijen de gelegenheid geboden vanuit hun deskundigheid de Afdeling in te lichten over de wijze waarop (bron)documenten uit het buitenland worden opgemaakt en het onderzoek dat daaraan voorafgaat.
3.ABRvS 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980.
4.ABRvS 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198.
5.Overwegingen 7.2 tot en met 7.5.
6.Kamerstukken II 2011-2012, 33 219, nr. 3, 127.
7.Zie bijvoorbeeld ook ABRvS 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2059.
8.Het college wijst daarbij op Aanhangsel Handelingen II 2019-2020, nr. 4038 (antwoord 8 en 10).