Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3511

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
11972910
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:266 BWArt. 143 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen verstekvonnis ontbinding huurovereenkomst medehuurder na echtscheiding

De zaak betreft een verzet tegen een verstekvonnis waarbij de huurovereenkomst tussen BPD en twee medehuurders, ex-echtgenoten, was ontbonden wegens huurachterstand. De eiser stelde dat hij na de echtscheiding geen medehuurder meer was, omdat het huurrecht aan zijn ex-partner was toegekend door de rechtbank.

De kantonrechter oordeelde dat het verzet tijdig was ingesteld en dat het verzet alleen gevolgen had tussen BPD en de eiser, niet voor de andere medehuurder. Uit de echtscheidingsbeschikking bleek dat het huurrecht per 25 juni 2024 aan de ex-echtgenote was toegekend, waardoor de huurovereenkomst met de eiser was geëindigd.

De kantonrechter volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad dat een rechterlijke toewijzing van huurrecht na echtscheiding ook werking heeft tegenover de verhuurder, ongeacht mededeling aan deze. Daarom was de eiser niet meer aansprakelijk voor de huurachterstand die na die datum ontstond.

Het verzet werd gegrond verklaard, het verstekvonnis vernietigd en de vorderingen van BPD tegen de eiser afgewezen. BPD werd veroordeeld in de proceskosten van €864,00. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het verstekvonnis vernietigd, waardoor de eiser niet langer aansprakelijk is voor de huurachterstand.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11972910 \ CV EXPL 25-9237
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: mr. A.D.M. Klein Selle,
tegen
BPD RCF CUSTODIAN B.V.,
te Appingedam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: BPD,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de verzetdagvaarding van 6 november 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord in verzet met producties;
- de conclusie van repliek in verzet.
1.2.
Het verzet richt zich tegen het door de kantonrechter op 17 september 2025 bij verstek uitgesproken vonnis tussen BPD als eisende partij en [de eiser] en [betrokkene] (hierna: [de betrokkene] ) als gedaagde partijen (zaaknummer 11876587 CV EXPL 25-7355).
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[de eiser] en [de betrokkene] zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd.
2.2.
[de eiser] en [de betrokkene] huren sinds 17 januari 2023 van BPD de woning aan het adres [adres] in [plaatsnaam] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt laatstelijk € 1.168,53 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd.
2.3.
Bij beschikking van 27 juni 2024 van de Rechtbank Overijssel is tussen [de eiser] en [de betrokkene] de echtscheiding uitgesproken. In het dictum van die beschikking staat onder 4.2.; “
neemt op in deze beschikking de getroffen regelingen zoals die staan in het aangehechte convenant en ouderschapsplan van 17 mei 2024”.
In artikel 3.7.2. van het convenant staat: “
De huurovereenkomst voor deze woning, wordt per 25 juni 2024 voortgezet door de vrouw. De man beschikt inmiddels over alternatieve huisvestiging”.
2.4.
Ondanks herhaalde betalingsherinneringen is de maandelijks verschuldigde huur niet (tijdig) voldaan waardoor, gerekend tot en met augustus 2025, een huurachterstand is ontstaan van € 5.704,59.
2.5.
Op 5 november 2025 leveren [de eiser] en [de betrokkene] de sleutels in van het gehuurde bij (de gemachtigde van) BPD.

3.Het geschil

3.1.
BPD heeft bij oorspronkelijke dagvaarding gevorderd dat de huurovereenkomst tussen haar en [de eiser] en [de betrokkene] wordt ontbonden, [de eiser] en [de betrokkene] worden veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en [de eiser] en [de betrokkene] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.704,59 aan huurachterstand tot en met augustus 2025, vermeerderd met de huur vanaf september 2025 tot aan de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten.
3.2.
BPD stelt dat [de eiser] en [de betrokkene] tekort zijn geschoten in de nakoming van hun betalingsverplichting uit hoofde van de huurovereenkomst. Zij laten na om de huur (volledig en tijdig) te betalen, waardoor tot en met augustus 2025 een huurachterstand is ontstaan van € 5.704,59. Deze huurachterstand rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst en daarmee eveneens de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
Bij verstekvonnis is de huurovereenkomst op 17 september 2025 ontbonden, zijn [de eiser] en [de betrokkene] veroordeeld om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en te verlaten en zijn zij hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 5.704,59 aan huurachterstand tot en met augustus 2025 en de huurbedragen tot de dag van ontbinding en ontruiming, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten.
3.4.
[de eiser] heeft verzet ingesteld tegen het verstekvonnis. Hij vordert - samengevat - dat de kantonrechter het verstekvonnis vernietigd, de vorderingen van BPD afwijst en BPD veroordeelt in de kosten van het verzet, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.5.
[de eiser] voert daartoe aan dat hij geen huurder meer is van het gehuurde. Hij is op [huwelijksdatum] getrouwd met [de betrokkene] en op 27 juni 2024 is de echtscheiding uitgesproken door de rechtbank. De rechtbank heeft het huurrecht per 25 juni 2024 (artikel 3.7.2. echtscheidingsconvenant) aan [de betrokkene] toebedeeld en die beslissing heeft ook werking tegen BPD als verhuurder. Hij is daarom ten onrechte veroordeeld tot onder andere betaling van de huurachterstand.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vooropgesteld wordt dat [de eiser] tijdig in verzet is gegaan tegen het verstekvonnis (artikel 143 lid 2 Rv Pro).
4.2.
Verder is van belang dat bij het verstekvonnis twee gedaagden zijn veroordeeld, maar alleen [de eiser] verzet heeft ingesteld. Als sprake is van subjectieve cumulatie, zonder dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding behouden de zaken tegen ieder van de gedaagden hun processuele zelfstandigheid. Dit betekent dat de door één van de bij verstek veroordeelde gedaagden ingesteld verzet geen gevolgen heeft voor de overige bij verstek veroordeelde gedaagden. De zaak wordt alleen heropend tussen de oorspronkelijke eiser en de gedaagde die het verzet heeft ingesteld (ECLI:NL:HR:2020:1546). De kantonrechter is van oordeel dat in onderhavige zaak hiervan sprake is, dus geen ondeelbare vordering. Dat betekent dat het verzet van [de eiser] en de uitspraak daarop niet doorwerkt in de verhoudingen tussen BPD en de bij verstek veroordeelde [de betrokkene] .
4.3.
Tussen partijen is in geschil of [de eiser] door de echtscheiding en toebedeling van het huurrecht van het gehuurde aan [de betrokkene] nog contractueel medehuurder is. Volgens BPD is [de eiser] terecht aangesproken als medehuurder, want zij heeft geen mededeling of verzoek ontvangen dat [de eiser] geen (mede)huurder meer zal zijn. [de eiser] stelt zich op het standpunt dat het niet relevant is of BPD een mededeling heeft ontvangen. De echtscheidingsbeschikking heeft ook werking tegen BPD. De kantonrechter oordeelt als volgt.
4.4.
Niet in geschil is dat [de eiser] en [de betrokkene] beiden als contractant op de huurovereenkomst staan vermeld, deze door hen beiden is ondertekend en zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst zolang de huurovereenkomst niet is geëindigd. Het uitgangspunt is dus dat zowel [de eiser] als [de betrokkene] contractant zijn en om die reden van wettelijke medehuurderschap in de zin van artikel 7:266 BW Pro in beginsel geen sprake is. De huur ten aanzien van één van de huurders eindigt dan slechts, wanneer de verhuurder daar uitdrukkelijk mee heeft ingestemd.
4.5.
In aanvulling op het voorgaande heeft de Hoge Raad in haar arrest van 14 december 2007 (ECLI:NL:HR: 2007: BA4202) beslist dat artikel 7:266 lid 5 BW Pro ook kan worden toegepast indien het gehuurde door de beide echtgenoten tezamen is gehuurd, dus in geval van contractueel medehuurderschap. Dit artikel bepaalt onder meer dat in geval van echtscheiding, de rechter op verzoek van een echtgenoot kan bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woonruimte zal zijn. De rechter bepaalt tevens de dag van ingang van de huur met deze echtgenoot. Op dezelfde dag eindigt de huur met de andere echtgenoot. Een dergelijke rechterlijke beslissing heeft ook werking tegenover de verhuurder. Die werking bestaat daarin dat de verhuurder die beslissing tegen zich moet laten gelden, ook ingeval hij het daarmee niet eens zou zijn. Daarvoor is volgens de uitspraak van de Hoge Raad van 11 februari 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA4772) niet nodig dat de verhuurder op de hoogte is gesteld van de gewijzigde huurrelatie. Het strookt immers niet met het stelsel van de wet, de werking van een dergelijke uitspraak afhankelijk te stellen van een mededeling aan de verhuurder. Weliswaar heeft de verhuurder er belang bij dat voor de wederzijdse rechten en verplichtingen relevante veranderingen in verband met huwelijk en echtscheiding aan hem worden medegedeeld, maar de wettelijke regeling, die slechts gericht is op de bescherming van de echtgenoot/medehuurder en niet ziet op de positie van de verhuurder, biedt geen aanknopingspunt voor het verbinden van rechtsgevolgen aan het achterwege laten van een dergelijke mededeling.
4.6.
[de eiser] heeft een echtscheidingsbeschikking van 27 juni 2024 (inclusief convenant en ouderschapsplan) overgelegd. Daaruit blijkt dat [de eiser] en [de betrokkene] de rechtbank Overijssel hebben verzocht de echtscheiding uit te spreken. Zij hebben ook gevraagd om nevenvoorzieningen te treffen, waaronder te bepalen dat [de betrokkene] de huurder van het gehuurde blijft zoals bedoeld in artikel 7:266 lid 5 BW Pro. Bij beschikking is onder andere de echtscheiding uitgesproken tussen [de eiser] en [de betrokkene] en het huurrecht van het gehuurde per 25 juni 2024 aan [de betrokkene] toebedeeld (doordat – onder meer – die onderling getroffen regeling in de beschikking is opgenomen).
4.7.
Het voorgaande leidt dan ook tot de conclusie dat, anders dan BPD stelt, de huurovereenkomst met [de eiser] op grond van artikel 7:266 lid 5 BW Pro is geëindigd en dat [de eiser] vanaf 25 juni 2024 geen huur meer aan BPD verschuldigd is, noch hoofdelijk daarvoor aansprakelijk is. De huurvordering ziet op een achterstand die geruime tijd na de echtscheiding is ontstaan. Dat [de eiser] in 2025 nog contact met (de gemachtigde van) BPD heeft gehad over een betalingsregeling en het inleveren van de sleutels maakt dit niet anders. De vorderingen van BPD op [de eiser] moeten daarom worden afgewezen. Dat betekent dat het verzet gegrond wordt verklaard en het tussen BPD en [de eiser] gewezen verstekvonnis wordt vernietigd.
4.8.
BPD wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [de eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal BPD niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
Totaal
864,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart het verzet gegrond,
5.2.
vernietigt ten aanzien van [de eiser] het door de kantonrechter op 17 september 2025 onder zaaknummer 11876587 CV EXPL 25-7355 gewezen verstekvonnis,
en beslist opnieuw:
5.3.
wijst de vorderingen van BPD op [de eiser] af,
5.4.
veroordeelt BPD in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
47414 / 53331