De zaak betreft een verzet tegen een verstekvonnis waarbij de huurovereenkomst tussen BPD en twee medehuurders, ex-echtgenoten, was ontbonden wegens huurachterstand. De eiser stelde dat hij na de echtscheiding geen medehuurder meer was, omdat het huurrecht aan zijn ex-partner was toegekend door de rechtbank.
De kantonrechter oordeelde dat het verzet tijdig was ingesteld en dat het verzet alleen gevolgen had tussen BPD en de eiser, niet voor de andere medehuurder. Uit de echtscheidingsbeschikking bleek dat het huurrecht per 25 juni 2024 aan de ex-echtgenote was toegekend, waardoor de huurovereenkomst met de eiser was geëindigd.
De kantonrechter volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad dat een rechterlijke toewijzing van huurrecht na echtscheiding ook werking heeft tegenover de verhuurder, ongeacht mededeling aan deze. Daarom was de eiser niet meer aansprakelijk voor de huurachterstand die na die datum ontstond.
Het verzet werd gegrond verklaard, het verstekvonnis vernietigd en de vorderingen van BPD tegen de eiser afgewezen. BPD werd veroordeeld in de proceskosten van €864,00. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.