ECLI:NL:RBGEL:2026:3372

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
AWB 24/6120
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.17 Wet IB 2001Art. 6.19 Wet IB 2001Beleidsregel Minister van Justitie en Veiligheid 8 juli 2014 nr. 436935Regeling Minister van Justitie en Veiligheid 27 oktober 2017ECLI:NL:HR:2021
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen correctie aftrek specifieke zorgkosten en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2018, waarin de inspecteur de aftrek van specifieke zorgkosten, met name de vervoerskosten wegens ziekte of invaliditeit, had gecorrigeerd. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de aanslag terecht heeft vastgesteld, mede omdat de door belanghebbende gehanteerde berekeningssystematiek reeds in eerdere procedures is bevestigd en belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vervoerskosten hoger waren dan die van vergelijkbare gezonde personen.

Daarnaast is de vraag aan de orde of belanghebbende recht heeft op een verhoging van de zorgkosten met 113% op grond van artikel 6.19 Wet IB 2001. De rechtbank stelt vast dat het gezamenlijke verzamelinkomen van belanghebbende en zijn echtgenote hoger is dan de daarvoor geldende grens, zodat deze verhoging niet van toepassing is.

Belanghebbende stelde ook dat sprake is van gewekt vertrouwen door de geautomatiseerde afhandeling van de aangifte 2020, maar de rechtbank oordeelt dat hiervan geen sprake is omdat geen inhoudelijke beoordeling of toezegging heeft plaatsgevonden.

Verder heeft belanghebbende een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met 41 maanden is overschreden en kent een vergoeding van € 875 toe, waarbij rekening is gehouden met samenhangende zaken en het gezamenlijk procederen met de echtgenote.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar blijft in stand, en de Staat wordt veroordeeld tot betaling van de immateriële schadevergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de correctie van de aftrek specifieke zorgkosten wordt ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van € 875 toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/6120

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 april 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur

en
de Staat der Nederlanden(de Minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 juni 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 met dagtekening 7 oktober 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.325.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 39 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.904 en heeft de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd tot € 4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen mr. [persoon A] en [persoon B].
Belanghebbende is zonder kennisgeving vooraf niet op de zitting verschenen. Belanghebbende procedeert vrijwillig digitaal (via Digitale Toegang) bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 23 december 2025 belanghebbende via Digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 27 februari 2026. De rechtbank heeft op 23 december 2025 om 08.53 uur een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd aan het opgegeven e-mailadres met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier. Belanghebbende heeft de uitnodiging voor de zitting aldus op 23 december 2025 ontvangen, dan wel wordt geacht die dan te hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig is aangeboden.
Het beroep is gezamenlijk behandeld met het beroep van belanghebbende met het zaaknummer 21/1327 en met het beroep van wijlen de echtgenote van belanghebbende, [persoon C] (de echtgenote), met het zaaknummer 21/3039.

Feiten

1. Belanghebbende is geboren op 17 oktober 1951 en was gehuwd met mevrouw [persoon C] (echtgenote). De echtgenote is overleden op 25 mei 2025.
2. Belanghebbende is op 21 april 1991 betrokken geraakt bij een ongeval. Hij is hierdoor invalide geraakt.
3. Belanghebbende heeft in zijn laatstelijk ingediende aangifte IB/PVV 2018 van 26 augustus 2019 een bedrag van € 7.233 opgevoerd als aftrek specifieke zorgkosten. Deze aftrekpost bestaat uit de volgende onderdelen:
Uitgaven voor hulpmiddelen
€ 23
Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit
€ 5.684
Dieetkosten
€ 1.800
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed
€ 600
Totaalbedrag specifieke zorgkosten
€ 8.107
Af: drempelbedrag
€ 874
Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten
€ 7.233
4. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de volgende opstelling opgenomen van de totale aftrek voor specifieke uitgaven voor zorgkosten (belanghebbende en zijn echtgenote samen):
Medicijnen
€ 23
Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit
€ 5.294
Dieetkosten
€ 1.800
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed
€ 600
Totaalbedrag specifieke zorgkosten
€ 7.717
Af: drempelbedrag
€ 874
Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten
€ 6.843
5. Op verzoek van belanghebbende is de aftrek van specifieke zorgkosten volledig aan belanghebbende toegerekend.
6. In de uitspraak op bezwaar is het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt opgebouwd:
Inkomen uit vroegere arbeid
€ 25.197
Af: aftrek eigen woning
-/- € 5.450
Inkomen vóór persoonsgebonden aftrek
€ 19.747
Af: aftrek specifieke zorgkosten
-/- € 6.843
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€ 12.904
7. Het inkomen vóór persoonsgebonden aftrek van de echtgenote is door de inspecteur vastgesteld op € 24.433.
8. De door de inspecteur gehanteerde berekeningssystematiek inzake de vervoerskosten is over voorgaande jaren tot aan de Hoge Raad in stand gebleven. Het laatste arrest van de Hoge Raad is van 12 juli 2021. [1]
9. Met dagtekening 26 juli 2024 heeft belanghebbende beroep ingesteld.

Beoordeling door de rechtbank

Verzoeken om de zitting uit te stellen
10. Belanghebbende heeft bij brieven van 15 januari 2026, 22 januari 2026, 23 januari 2026, 29 januari 2026 en 4 februari 2026 om uitstel voor de zitting verzocht.
11. De rechtbank heeft de verzoeken afgewezen, omdat het belang van een doelmatige voortgang van de procedures zwaarder weegt dan de belangen van belanghebbende bij toewijzing van het verzoek. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat belanghebbende desgevraagd niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van medische redenen op grond waarvan hij niet in staat was om de zitting op 27 februari 2026 bij te wonen. Verder is het zo dat de inleidende beroepschriften van twee van de drie procedures dateren van 2021. Belanghebbende heeft reeds diverse malen om uitstel verzocht, welke uitstelverzoeken telkens zijn toegewezen. Indien de rechtbank uitstelverzoeken zou blijven inwilligen, zou geen einde komen aan deze procedures. De redelijke termijn is reeds jarenlang overschreden en daarmee komt de behoorlijke procesorde in het geding. Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat hem met de afwijzing van de uitstelverzoeken de kans wordt ontnomen een toelichting te geven dat de inspecteur is uitgegaan van onjuiste (drempel)bedragen voor de aftrek van specifieke zorgkosten. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende in de afgelopen jaren ruimschoots in de gelegenheid is geweest om deze toelichting te geven. Bovendien had belanghebbende die toelichting eenvoudig schriftelijk gegeven kunnen worden.
Geschil
12. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 tot de juiste hoogte heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
13. Het geschil richt zich op de vraag of de inspecteur de aftrek wegens specifieke zorgkosten, in het bijzonder de aftrek wegens extra vervoerskosten in verband met ziekte of invaliditeit, terecht heeft gecorrigeerd. Tevens is in geschil of belanghebbende recht heeft op de verhoging van de uitgaven met 113% op grond van artikel 6.19, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001.
14. Het beroep is ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit
15. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de drempel voor de extra aftrek wegens vervoerskosten onjuist is berekend.
16. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001, zijn uitgaven voor vervoer, die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan, aftrekbaar. Onder vervoerskosten vallen uitgaven voor bezoek aan medische hulpverleners of voor het ondergaan van een medische behandeling. Verder kan het ook gaan om overige op de belastingplichtige drukkende kosten van vervoer voor zover die kosten meer bedragen dan de vervoerskosten van andere belastingplichtigen die niet ziek of invalide zijn maar overigens in dezelfde financiële en maatschappelijke positie verkeren als de belastingplichtige (ook wel ‘maatman’ genoemd).
17. De totale autokosten van belanghebbende over 2018 bedragen volgens belanghebbende € 10.011. Hij is van mening dat hijzelf en zijn echtgenote samen een bedrag van € 5.895 aan vervoerskosten in aftrek moeten kunnen brengen.
18. De rechtbank overweegt dat belanghebbende eerder heeft geprocedeerd tegen aanslagen IB/PVV over voorgaande jaren. In die procedures was onder meer de door de inspecteur gehanteerde berekeningssystematiek wat betreft de aftrek wegens extra vervoerskosten in verband met ziekte of invaliditeit in geschil. De beroepsgronden daartegen zijn in alle instanties ongegrond geacht. In onderhavige procedure heeft de inspecteur dezelfde berekeningssystematiek gehanteerd.
19. Voor aftrek van de overige vervoerskosten geldt dat belanghebbende aannemelijk dient te maken dat hij hogere vervoerskosten heeft gemaakt dan gezonde en valide mensen in vergelijkbare financiële en maatschappelijke omstandigheden. Belanghebbende onderbouwt de aftrek van € 5.895 met een verwijzing naar de website van het Nibud en de ANWB. De rechtbank stelt voorop dat het voor het vaststellen van de overige vervoerskosten nodig is zowel de werkelijke vervoerskosten van belanghebbende vast te stellen, als de vervoerskosten van met belanghebbende vergelijkbare personen (de maatman). De bewijslast rust in deze op belanghebbende. De rechtbank stelt vast dat de website van het Nibud een indicatie geeft van de kosten van de maatman. Belanghebbende heeft echter geen informatie verschaft op grond waarvan zijn werkelijke vervoerskosten kunnen worden vastgesteld. Belanghebbende heeft de door hem gestelde hogere kosten voor vervoer dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt.
20. Belanghebbende heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de inspecteur bij de vaststelling van zijn netto besteedbaar inkomen geen rekening had mogen houden met voorlopige teruggaven van belastingen. Partijen zijn het eens dat kan worden uitgegaan van Nibud-gegevens voor de vergelijking tussen de kosten van belanghebbende en die van vergelijkbare personen. Volgens het Nibud is het netto inkomen het netto besteedbaar inkomen inclusief toeslagen. Het netto besteedbaar inkomen is het bruto inkomen verminderd met de ingehouden loonheffingen. Het past naar het oordeel van de rechtbank bij de berekening om rekening te houden met belastingteruggaven, die verhogen namelijk het netto besteedbaar inkomen.
Verhoging zorgkosten
21. Belanghebbende is van mening dat hij in aanmerking komt voor de verhoging van de zorgkosten met 113%.
22. In artikel 6.19, eerste lid, van de Wet IB 2001 is bepaald dat wanneer een belastingplichtige bepaalde uitgaven heeft gedaan, bij het begin van het kalenderjaar de pensioengerechtigde leeftijd voor de AOW heeft bereikt, én zijn verzamelinkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek niet meer bedraagt dan € 34.404 (bedrag 2018), het bedrag van die uitgaven wordt verhoogd met 113%. Op grond van het tweede lid van artikel 6.19 van de Wet IB 2001 wordt het verzamelinkomen van belastingplichtige en zijn partner tezamen genomen, indien belastingplichtige het hele kalenderjaar een partner heeft.
23. Het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek van belanghebbende en zijn echtgenote samen over 2018 bedraagt echter € 44.180 (€ 19.747 van belanghebbende en € 24.433 van de echtgenote). Hierdoor komt belanghebbende niet in aanmerking voor de verhoging van de zorgkosten.
Vertrouwensbeginsel
24. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van gewekt vertrouwen doordat de aangifte IB/PVV 2020 is gevolgd op het punt van de aangegeven vervoerskosten.
25. De rechtbank oordeelt als volgt. De aangifte IB/PVV 2020 is geautomatiseerd door het systeem afgedaan, zonder een inhoudelijke beoordeling. Er is daarmee door de inspecteur geen standpunt ingenomen of een toezegging gedaan. Dit geldt temeer omdat de aangiften van belanghebbende over eerdere jaren reeds meermaals op het punt van de zorgkosten zijn gecorrigeerd en de inspecteur ter zake van het jaar 2020 geen correspondentie met belanghebbende heeft gevoerd of anderszins uitlatingen heeft gedaan waaruit belanghebbende kon opmaken dat de inspecteur van zijn eerder ingenomen standpunten zou zijn teruggekomen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Immateriële schadevergoeding
26. Belanghebbende heeft bij brief van 16 april 2025 verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
27. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. [2] Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid [3] is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding. De inspecteur heeft zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank op dit punt.
28. De rechtbank gaat bij de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn uit van de datum van ontvangst van het oudste bezwaarschrift in de gezamenlijk behandelde zaken. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende in de zaak met nummer ARN 21/1327 ontvangen op 25 november 2020. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is 41 maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om de redelijke termijn korter of langer vast te stellen. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 41 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat zeven keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 3.500 (zeven maal € 500). Belanghebbende heeft tevens beroep ingesteld voor het jaar 2017. De zaken van belanghebbende zijn samenhangende zaken. De rechtbank zal daarom slechts éénmaal een schadevergoeding toekennen. Ook hebben belanghebbende en zijn echtgenote gezamenlijk geprocedeerd. In alle zaken gaat het om hetzelfde feitencomplex en dezelfde rechtsvragen. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om de schadevergoeding te matigen en belanghebbende en zijn echtgenote een schadevergoeding van ieder de helft van € 3.500 is € 1.750 toe te kennen. Bij belanghebbende wordt in deze zaak daarvan de helft, dus € 875 toegekend en in de zaak met nummer 21/1327 de andere helft. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur in de zaak met nummer ARN 21/1327 dateert van 20 februari 2021. De periode gelegen tussen 25 november 2020 en 20 februari 2021 is korter dan zes maanden. Dit betekent dat de Staat deze vergoeding moet betalen, dus € 875. De rechtbank zal de Staat veroordelen om dit bedrag aan belanghebbende te betalen.
Belastingrente
29. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.

Conclusie en gevolgen

30. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt een vergoeding voor immateriële schade. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug [4] . Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 875.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 29 april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 12 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:
3.Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
4.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rechtsoverweging 7.1.1.