ECLI:NL:RBGEL:2026:327

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
ARN 24/5031
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing reiskostenvergoeding op grond van de Jeugdwet voor kinderen met medische klachten

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Gelderland het beroep van eisers, vertegenwoordigd door [eiseres], tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een reiskostenvergoeding op grond van de Jeugdwet (Jw). De aanvraag betreft de vergoeding voor het vervoer van de kinderen van [eiseres] naar verschillende vormen van jeugdhulp. De rechtbank stelt vast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg de aanvraag heeft afgewezen, omdat het college van mening was dat de kinderen zelfstandig konden reizen en er geen medische noodzaak was voor speciaal vervoer. De rechtbank oordeelt echter dat [eiseres] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat begeleiding bij het reizen noodzakelijk is, gezien de medische klachten van de kinderen, waaronder ASS. De rechtbank concludeert dat het college de aanvraag om reiskostenvergoeding ten onrechte heeft afgewezen en vernietigt het bestreden besluit. Het college wordt opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers, waarbij de rechtbank ook de proceskosten en het griffierecht aan eisers toekent.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5031

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , als wettelijk vertegenwoordiger van

[naam kind 1]
en
[naam kind 2 ] ,allen uit [plaats 1] , eisers
(gemachtigde: mr. K. Wevers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg, het college
(gemachtigden: mr. J.L. Scheper en mr. D. van Tilborg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van de aanvraag op grond van de Jeugdwet (Jw) van eisers tot toekenning van een reiskostenvergoeding voor het vervoeren door [eiseres] (hierna: [eiseres] ) van haar kinderen, [naam kind 2 ] ( [naam kind 2 ] ) en [naam kind 1] ( [naam kind 1] ) naar verschillende vormen van hulpverlening.
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 25 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 juli 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2025, gevoegd met het beroep van eisers met zaaknummer 24/5020, op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college deelgenomen.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld om met elkaar in gesprek te gaan.
1.5.
Partijen hebben de rechtbank bij verschillende brieven geïnformeerd over de ontwikkelingen in hun correspondentie.
1.6.
Op 4 december 2025 heeft de rechtbank het beroep, gevoegd met het beroep met zaaknummer 24/5020, op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres] , bijgestaan door [persoon A] (cliëntondersteuner van MEE), de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college. De rechtbank heeft de zaken daarna gesplitst en zal in beide zaken afzonderlijk uitspraak doen.

Totstandkoming van het besluit

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. [eiseres] is de moeder van [naam kind 3] , [naam kind 2 ] en [naam kind 1] . [naam kind 3] is geboren op [geboortedatum 1] 2005, [naam kind 2 ] op [geboortedatum 2] 2006 en [naam kind 1] op [geboortedatum 3] 2010. Zij zijn alle drie bekend met een aantal medische klachten en beperkingen. Namens hen heeft [eiseres] op 2 november 2018 een aanvraag ingediend voor een voorziening voor jeugdhulp voor 43,35 uur per week in de vorm van een pgb. Bij besluit van 14 februari 2019, gehandhaafd bij besluit van 28 mei 2019, heeft het college de aanvraag van eisers afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat er onvoldoende informatie is verkregen van eisers om de in te zetten hulp en de beoogde resultaten te kunnen vaststellen. Het Jeugdteam heeft van [eiseres] geen gelegenheid gekregen om met de kinderen in gesprek te gaan, terwijl dit wel noodzakelijk was om de benodigde hulp vast te kunnen stellen.
Bij besluit van 20 juli 2022 naar aanleiding van een tussenuitspraak van deze rechtbank van 21 oktober 2021 [1] , ten behoeve van de kinderen een voorziening op het gebied van jeugdhulp toegekend voor maximaal 38 uur en 55 minuten per week, over de periode van 2 november 2018 tot 1 augustus 2023 in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). [2]
2.1.
Met zijn uitspraak van 2 december 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) het hoger beroep van het college tegen de tussenuitspraak van 21 oktober 2021 en de einduitspraak van 4 januari 2023 [3] van deze rechtbank gegrond verklaard. [4] Daarbij heeft de Raad overwogen:
“5.4. In het kader van het onderzoek wilde het Jeugdteam (namens het college)
betrokkenen zien en met hen in gesprek gaan. Niet in geschil is dat de moeder van
betrokkenen het Jeugdteam geen gelegenheid heeft gegeven om met betrokkenen in
gesprek te gaan. Het college heeft naar voren gebracht dat een gesprek tussen het
Jeugdteam en betrokkenen nodig was om te kijken of en welke jeugdhulp noodzakelijk
was. Het Jeugdteam wilde de behoefte en het ontwikkelingsperspectief van betrokkenen in
kaart brengen en verder was het nodig om te bezien hoe de informele zorg geleverd door
de moeder aan zou sluiten bij de zorg door professionals die al was toegekend. De door de
moeder van betrokkenen in bezwaar overgelegde (medische) stukken waren niet voldoende
om dit vast te stellen. Van de onjuistheid van dit standpunt is de Raad mede gelet op de
onderzoeksplicht van het college als bedoeld onder 5.2 niet kunnen blijken. Het college
mocht zich mitsdien op het standpunt stellen dat een gesprek met betrokkenen
redelijkerwijs kon bijdragen aan een juiste vaststelling van de jeugdhulp en daarmee aan
een juiste uitvoering van de wet. Het college heeft het dan ook noodzakelijk kunnen achten
met betrokkenen te spreken. Nu van de zijde van de moeder voorts geen concrete en
geobjectiveerde redenen naar voren zijn gebracht waarom – bijvoorbeeld om redenen van
medische aard – (toch) niet met betrokkenen gesproken zou kunnen worden, is niet
voldaan aan de in artikel 8.1.2, derde lid, van de Jw bedoelde verplichting. De Raad volgt
het college dan ook in het standpunt dat betrokkenen geen medewerking hebben verleend
in de zin van artikel 8.1.2, derde lid, van de Jw.
5.5.
Het niet verlenen van de gevraagde medewerking is zoals hiervoor overwogen op
zichzelf echter geen afwijzingsgrond. Voor zover, ondanks de weigering tot medewerking,
door het college toch kan worden vastgesteld of jeugdhulp nodig is, en zo ja welke
jeugdhulp en in welke omvang, dient dienovereenkomstig te worden besloten. Naar het
oordeel van de Raad leidt in deze situatie het ontbreken van de gevraagde medewerking er
echter toe dat het college geheel niet kon vaststellen wat de noodzaak tot verlening van
jeugdhulp is. Het college heeft de aanvraag voor jeugdhulp dan ook mogen afwijzen. Gelet
op het voorgaande komt de Raad niet toe aan een beoordeling van de andere gronden van
de hoger beroepen.”
De Raad heeft de tussenuitspraak, de einduitspraak en het besluit van 20 juli 2022 vernietigd en het beroep tegen het besluit van 28 mei 2019 ongegrond verklaard.
2.2.
[eiseres] heeft op 29 maart 2022 voor en namens haar kinderen meerdere aanvragen ingediend voor een reiskostenvergoeding van en naar vormen van jeugdhulp. Naar aanleiding van deze aanvragen heeft het college op 8 juni 2022 vier besluiten genomen, waarin de aanvragen worden toegekend.
Reiskostenvergoeding ten behoeve van [naam kind 3] is toegekend voor de op dat moment van toepassing zijnde Jw-indicaties, te weten: Karakter [plaats 2] (29 maart 2022 tot en met 16 februari 2023), Ergotherapie [plaats 3] (29 maart 2022 tot en met 30 juni 2023), Haptotherapie [plaats 3] (1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023). Vanwege aanpassingen in het concept behandeltraject Haptotherapie heeft het college, bij besluit van 23 juni 2022, het besluit van 8 juni 2022 met betrekking tot [naam kind 3] gewijzigd. Het concept behandeltraject is namelijk uitgebreid van drie observaties en tien behandelconsulten, naar drie observaties en 20 behandelconsulten met een looptijd van 1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023. Omdat door feitelijk toedoen van het college de hapto- en ergotherapie pas per november 2022 konden starten, heeft het college ermee ingestemd dat de behandelingen effectief gedurende een jaar (november 2022 tot november 2023) ten laste van de gemeente Doesburg mochten worden gebracht.
Ten behoeve van [naam kind 2 ] is reiskostenvergoeding toegekend voor de op dat moment van toepassing zijnde individuele Jw-indicaties, te weten: Iriszorg [plaats 3] (29 maart 2022 tot en met 14 april 2023) en Karakter (29 maart 2022 tot en met 31 december 2022).
Ten behoeve van [naam kind 1] is reiskostenvergoeding toegekend voor de op dat moment van toepassing zijnde individuele Jw-indicatie, te weten: Karakter (29 maart 2022 tot en met 12 december 2022).
Ten behoeve van [naam kind 3] , [naam kind 2 ] en [naam kind 1] is reiskostenvergoeding toegekend voor de op dat moment van toepassing zijnde systemische Jw-indicatie, te weten: Karakter [plaats 4] (29 maart 2022 tot en met 14 april 2023).
Op 3 oktober 2023 heeft het college een besluit genomen waarbij ten behoeve van [naam kind 2 ] een reiskostenvergoeding wordt toegekend voor de geïndiceerde jeugdhulp door “ [naam organisatie] ”.
2.3.
[eiseres] heeft bezwaar gemaakt tegen de vier besluiten van 8 juni 2022. Met het besluit van 3 oktober 2022 heeft het college de besluiten van 8 juni 2022 herzien. Daarbij heeft het college overwogen:
“Wij hebben kennisgenomen van uw bezwaren. Uw bijzondere situatie waarbij u
van een bijstandsuitkering moet rondkomen en 3 kinderen heeft met diverse
behandelingen in het kader van jeugdhulp geven ons aanleiding om de genoemde
besluiten in te trekken en uw aanvragen te honoreren. Wij besluiten dan ook dat u
de door u gevraagde kilometervergoeding van 30 cent per daadwerkelijk gereden
kilometer ontvangt voor de jeugdhulp die uw kinderen volgens uw aanvragen
ontvangen in [plaats 3] , [plaats 2] en [plaats 5] .”
Vervolgens heeft [eiseres] de bezwaren ingetrokken.
2.4.
Met haar e-mailbericht van 4 december 2023 heeft [eiseres] een aanvraag ingediend voor reiskostenvergoeding van de reiskosten voor [naam kind 3] , [naam kind 2 ] en [naam kind 1] :
1. voor het vervoer van en naar de verschillende behandelingen in het kader van de Jw, zoals toegekend door de gemeente Doesburg ;
2. van en naar de behandellocaties zoals ingepland door de verschillende behandelaren
3. voor de daadwerkelijk gereden reiskosten aangezien de kinderen vanuit verschillende locaties naar verschillende behandellocaties begeleid dienen te worden;
4. vanaf het moment dat de heer [persoon B] van het college meent dat de respectievelijke beschikkingen afgelopen zouden zijn volgens de bestreden en ingetrokken beschikkingen, teneinde een gat in de reiskostenvergoedingen te voorkomen;
5. zoals gebaseerd op het normbedrag vastgesteld in de Letselschade Richtlijn Kilometervergoeding tevens onderhevig aan indexering;
6. het alsnog uitkeren van de ingediende reiskostendeclaraties over de periode 1 juli 2023 tot en met 6 november 2023.
Vervolgens is het college overgegaan tot de besluitvorming zoals beschreven onder de ‘Inleiding’.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eisers van reiskostenvergoeding, op grond van de Jeugdwet (Jw), voor het vervoeren door [eiseres] van haar kinderen [naam kind 3] , [naam kind 2 ] en [naam kind 1] naar verschillende vormen van hulpverlening. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. In de onderdelen 7 en 9 tot en met 9.2 van de uitspraak legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is het standpunt van het college?
5. Het college heeft aan de afwijzing van de aanvraag van de reiskostenvergoeding
– samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Uit de Memorie van Toelichting bij de Jeugdwet blijkt dat het toekennen van een jeugdwetvoorziening op het gebied van vervoer niet is aangewezen als de ouder(s) de jeugdige zelf kunnen vervoeren. In dat geval is er sprake van eigen kracht. Uit onderzoek blijkt op basis van de eerder afgegeven besluiten over de reiskostenvergoeding dat sprake is van dergelijke eigen kracht. [eiseres] is zelf in staat om de kinderen te vervoeren naar de verschillende vormen van jeugdhulp. Zij hebben geen medische aandoeningen waardoor ze bijvoorbeeld door speciaal vervoer moeten worden vervoerd naar de zorgaanbieders. Dit blijkt ook uit het gegeven dat [eiseres] en de kinderen van de gemeente elektrische fietsen hebben ontvangen om hen tegemoet te komen in de vervoersvraag van en naar de scholen die de kinderen bezoeken. Uit de reeds ingediende declaraties blijkt ook dat [eiseres] in staat is de kinderen te vervoeren en dat zij hier geen andere voorzieningen voor heeft hoeven inzetten. Ook blijkt uit recent onderzoek van het Jeugdteam en het JPH-adviesrapport dat [eiseres] volledig beschikbaar is voor de kinderen en zij geen beroep hoeft te doen op iemand uit haar sociaalnetwerk. JPH stelt dat [eiseres] prima in staat is om zelf de zorg te bieden en dat er geen sprake is van overbelasting. De vraag is tenslotte of er financiële redenen aanwezig zijn om toch een reiskostenvergoeding toe te kennen bij wege van een buitenwettelijk begunstigend besluit. Het college heeft, naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Rechtbank Gelderland van 21 oktober 2021, een pgb informeel met terugwerkende kracht aan [eiseres] uitgekeerd over een periode van vijf jaar (2 november 2018 tot 1 augustus 2023). Het college is van mening dat [eiseres] thans beschikt over voldoende eigen financiële middelen door het uitgekeerde bedrag van € 102.974,16. Dit was ten tijde van de eerder toegekende reiskostenvergoedingen anders. Daarom is het college van oordeel dat het halen en brengen van de kinderen naar de verschillende vormen van jeugdhulp in het geval van [eiseres] niet tot enige vorm van financiële belastbaarheid leidt.
Ten aanzien van [naam kind 3] geldt voorts nog het volgende. Hij heeft inmiddels de leeftijd van achttien jaar bereikt en valt vanaf dat moment voor wat betreft het ontvangen van behandelingen volledig onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) respectievelijk de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). [naam kind 3] valt derhalve ten aanzien van (eventuele) behandelingen die hij op dit moment ontvangt niet meer onder de Jw. Omdat uitsluitend een jeugdwetvoorziening kan worden toegekend voor vervoer van en naar locaties waar jeugdhulp wordt geboden, kan er voor [naam kind 3] geen vervoersvoorziening op grond van de Jw worden verleend. Voor zover hij na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar behandelingen ontvangt waarvoor geen jeugdhulpvoorziening is toegekend gaat het niet (langer) om jeugdhulp. Dat betekent dat het vervoer geen betrekking heeft op vervoer van en naar locaties waar jeugdhulp wordt geboden. Dat betekent dat de aanvraag met betrekking tot [naam kind 3] niet voldoet aan het bepaalde in artikel 2.3, tweede lid, van de Jw (vervoer van en naar locaties waar jeugdhulp wordt geboden) en ook om die reden moet worden afgewezen.
Waarom zijn eisers het niet eens met de afwijzing van de aanvraag?
6. Eisers voeren – samengevat – het volgende aan tegen de afwijzing van de aanvraag voor reiskostenvergoeding. [eiseres] ontvangt alleen bijstand, waardoor haar inkomen op het minimum zit, terwijl zij veel extra kosten heeft door de te bieden begeleiding en ondersteuning aan haar kinderen en door hun beperkingen. Juist daarom acht [eiseres] de reiskostenvergoeding ook noodzakelijk. Daarnaast stelt het college dat [eiseres] een groot deel van de ontvangen bijstand uit het verleden moet terugbetalen. Het college houdt nu ook maandelijks een bedrag in op de bijstand. Van enige beperking ten aanzien van de geldigheidsduur van de verstrekte reiskostenvergoeding wordt in het besluit van 3 oktober 2022 geen melding gemaakt. Nu het college alsnog besloten heeft te handelen op basis van de beperkingen zoals wel gesteld in de ingetrokken besluiten van 8 juni 2022 worden eisers onrechtmatig en ernstig benadeeld. Op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM [5] en artikel 17 van het Handvest voor de grondrechten van de Europese Unie (EU-Handvest) kwalificeert het besluit van 3 oktober 2022 als een eigendomsrecht, waarop zonder goede gronden door het college geen inbreuk gemaakt mag worden. Met het handelen door de uitvoering van het besluit plots te beëindigen wordt daarmee in strijd gehandeld.
Als gevolg van de afhandeling en de uitvoering door het college van de pgb-aanvragen is de schuldenlast van [eiseres] inmiddels opgelopen tot € 145.000. De gemeente Doesburg is door verschillende instanties, artsen en onderzoeksbureaus niet alleen in kennis gesteld van de noodzaak voor de kinderen van het volgen van verschillende therapieën en behandelingen op locatie, maar ook van het belang om deel te kunnen nemen aan hun 'vrijetijdsbestedingen'. Ook is in verschillende adviesrapporten vastgesteld dat begeleiding naar de verschillende locaties noodzakelijk is en waarom. Uit het bestreden besluit wordt niet duidelijk op welke wijze het college de eigen kracht onderzocht dan wel getoetst heeft. Een vergoeding van de reiskosten is dus van essentieel belang om vervoer en begeleiding van de kinderen van en naar behandellocaties en hun 'vrijetijdsbesteding' te kunnen continueren en garanderen, zeker gezien het aantal kilometers vereist om de kinderen te vervoeren en te begeleiden naar alle therapieën en 'vrijetijdsbesteding'. Het mag duidelijk zijn dat als gevolg van de omvang van de geleverde zorg, zoals ook vastgesteld door verschillende onderzoekbureaus, en de extra belasting door alle gevoerde juridische procedures, [eiseres] niet in de gelegenheid is om te participeren op de arbeidsmarkt, zodat zij zelf kan voorzien in een deugdelijk salaris waaruit het noodzakelijke vervoer betaald kan worden.
Het college moet beseffen dat in het kader van de Jw er geen financiële toets kan plaatsvinden. Door dit expliciet wel te doen, wordt gehandeld met de inhoud van de Zwijndrecht II uitspraak. [6]
Wat vindt de rechtbank?
De omvang van het geschil
7. Tijdens de zitting is besproken dat het verzoek om reiskosten die in kader van deze uitspraak ter beoordeling aan de rechtbank voorligt uitsluitend betrekking heeft op de kosten die gemaakt zijn voor [naam kind 1] en voor [naam kind 2 ] tot het moment waarop hij achttien jaar wordt ( [geboortedatum 2] 2024). De rechtbank zal daarom niet in gaan op de vraag of de gevraagde reiskosten ten behoeve van [naam kind 3] vergoed moeten worden door het college en of het college de reiskosten ten behoeve van [naam kind 2 ] na [geboortedatum 2] 2024 moet vergoeden.
Juridisch kader
8. Artikel 2.3, eerste lid, van de Jw bepaalt dat indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen treft op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:
a. gezond en veilig op te groeien;
b. te groeien naar zelfstandigheid, en
c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.
8.1.
In artikel 2.3, tweede lid, van de Jw is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer omvatten van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.
Heeft het college de aanvraag terecht afgewezen?
9. Het college heeft in het besluit van 25 januari 2024 verwezen naar het volgende toelichting op artikel 2.3, tweede lid, van de Jw in de Memorie van Toelichting [7] :
“Als een jeugdige op grond van deze wet jeugdhulp ontvangt en in verband met een
medische noodzaak of zijn gebrek aan zelfredzaamheid niet in staat is om zelfstandig van
en naar de locatie te komen waar de jeugdhulp wordt gegeven, behoort tot de door het
college te treffen voorziening, indien naar het oordeel van het college noodzakelijk, tevens
het vervoer naar en van de locatie waarde jeugdhulp gegeven wordt, binnen of buiten de
gemeentegrenzen. Het criterium van de medische noodzaak zoals dit in de AWBZ gold, is
hierbij aangevuld met het criterium van (gebrek aan) zelfredzaamheid, nu dit ook één van
de centrale criteria is voor het ontvangen van jeugdhulp. Bij jeugdigen jonger dan 12 jaar
werd onder de AWBZ altijd verondersteld dat deze niet over voldoende zelfredzaamheid
beschikken om zelfstandig van vervoer gebruik te maken, zij kwamen dan ook altijd in
aanmerking voor deze vervoersvoorziening. Onder de huidige regeling wordt dit echter aan
het oordeelsvermogen van het college overgelaten. Het college zal daarbij, het
uitgangspunt van eigen kracht indachtig een andere afweging kunnen maken. Zo is het niet
nodig een voorziening op het gebied van vervoer te regelen als ouders de jeugdige zelf
gemakkelijk kunnen vervoeren, omdat er geen speciaal (medisch) vervoer nodig is. “
9.1.
Deze toelichting dient, naar het oordeel van de rechtbank, zo te worden uitgelegd, dat een vervoersvoorziening voor vervoer naar de jeugdhulp mogelijk is wanneer de jeugdige niet (alleen) naar die voorziening kan reizen, zonder adequate begeleiding (door de ouder of verzorger). De mogelijkheid een vervoersvoorziening toe te kennen is dus niet beperkt tot die gevallen waarin speciaal medisch vervoer nodig is. Dit laatste zou, zoals ook tijdens de zitting is besproken, vervoer naar een GGZ-instelling uitsluiten.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] voldoende aannemelijk gemaakt dat begeleiding bij het reizen naar de jeugdhulplocaties voor [naam kind 2 ] en [naam kind 1] noodzakelijk is. Immers beiden zijn bekend met ASS. Wat, zoals [eiseres] onbestreden heeft gesteld, betekent dat bij onverwachte situaties onderweg ernstige problemen kunnen optreden die mogelijk de veiligheid van [naam kind 2 ] en [naam kind 1] in gevaar kunnen brengen. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat het college op kenbare wijze de belangen van [naam kind 2 ] en [naam kind 1] hierbij heeft meegewogen. Wat op grond artikel 3 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (het IVRK) [8] wel een vereiste is. De rechtbank is daarom van oordeel dat de begeleiding die door [eiseres] aan [naam kind 2 ] en [naam kind 1] is gegeven bij het reizen naar de jeugdhulplocaties noodzakelijk was als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de Jw. Daarom had het college de aanvraag om reiskostenvergoeding naar deze locaties niet af mogen wijzen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ondeugdelijk is gemotiveerd. Dat betekent dat dit besluit niet in stand kan blijven. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit op het bezwaar van eisers moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht (€ 51) aan eisers vergoeden en krijgen zij ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank op 14 januari 2025 deelgenomen. Ook heeft de gemachtigde de nadere zitting op 4 december 2025 bijgewoond. De vergoeding bedraagt dan in totaal (2,5 x € 934) € 2.335.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 3 juli 2024;
- draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers tegen het besluit van 25 januari 2024;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 51 aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.335 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Peters, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Voor [naam kind 3] 10 uur en 55 minuten per week, voor [naam kind 2 ] 15 uur en 20 minuten per week en voor [naam kind 1] 12 uur en 40 minuten per week.
5.Europees Verdrag voor de Rechten van Mens.
6.De uitspraak van de CRvB van 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1327.
7.Tweede Kamer 2001-2002, 28168 nr. 3, pagina 141.
8.Verdrag van de Verenigde Naties van 20 november 1989.