Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3196

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
ARN 24/8141
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2, derde lid, AWRArt. 5 Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003Art. 10:1 AwbArt. 35 Wet MRBArt. 37 Wet MRB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering verzuimboete motorrijtuigenbelasting wegens gebruik tijdens schorsing

Belanghebbende was houder van een BMW waarvan het kenteken was geschorst van 3 april 2023 tot 3 april 2024. Op 15 maart 2024 is vastgesteld dat de auto toch op de openbare weg werd gebruikt. De inspecteur legde een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) en een verzuimboete op. Belanghebbende stelde dat de besluiten onbevoegd waren genomen en dat de boete onterecht en te hoog was.

De rechtbank oordeelde dat de besluiten bevoegd waren genomen, ondanks dat de ondertekening niet door de directeur was verricht, omdat mandaat was verleend aan bevoegde ambtenaren. De naheffingsaanslag werd terecht vastgesteld omdat gebruik was gemaakt van de weg tijdens de schorsing, en de wet een gebonden bevoegdheid aan de inspecteur geeft om naheffing op te leggen.

Ten aanzien van de boete stelde belanghebbende dat hij te goeder trouw handelde en dat de boete onterecht was opgelegd. De rechtbank vond dat belanghebbende niet alle redelijke zorg had betracht om de schorsing daadwerkelijk op te heffen en dat de boete daarom terecht was, maar matigde deze van € 1.004 naar € 50 vanwege de omstandigheden.

Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de termijn niet was overschreden. Ook een integrale proceskostenvergoeding werd geweigerd, maar belanghebbende kreeg een forfaitaire proceskostenvergoeding van € 3.200 toegewezen. De inspecteur moet het griffierecht vergoeden.

Uitkomst: De naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting blijft in stand, maar de verzuimboete wordt verminderd tot € 50.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8141

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 april 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst/CAP, kantoor Apeldoorn, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 23 oktober 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het tijdvak 26 april 2023 tot en met 2 april 2024 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) opgelegd van € 2.009. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende een verzuimboete van € 1.004 opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B] .

Feiten

1. Belanghebbende was van 11 oktober 2013 tot en met 25 juli 2024 houder van een personenauto van het merk BMW met het kenteken [kentekennummer] (de auto).
2. De geldigheid van het voornoemde kenteken is geschorst geweest van 3 april 2023 tot 3 april 2024.
3. Op 15 maart 2024 is door middel van camerabeelden geconstateerd dat met de auto gebruik is gemaakt van de openbare weg.
4. Met dagtekening 6 mei 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een vooraankondiging naheffingsaanslag MRB en boetebeschikking verstuurd. De naheffingsaanslag MRB en boetebeschikking zijn met dagtekening 20 juni 2024 opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt de vraag of de besluiten bevoegd genomen zijn, of de naheffingsaanslag MRB en de boetebeschikking terecht zijn vastgesteld en of deze niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
6. De rechtbank is van oordeel dat de besluiten bevoegd zijn genomen en dat de naheffingsaanslag MRB terecht en niet te hoog is vastgesteld. De boetebeschikking is wel te hoog vastgesteld
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Zijn de besluiten bevoegd genomen?
7. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van onbevoegd genomen besluiten, omdat deze zijn ondertekend door de inspecteur, [persoon C] terwijl deze persoon niet betrokken is geweest bij de genomen besluiten (de naheffingsaanslag/boetebeschikking en de uitspraak op bezwaar).
8. De inspecteur voert in zijn verweerschrift aan dat de uitspraak op bezwaar namens de inspecteur ondertekend had moeten worden. Ondanks dat ten onrechte het woord ‘namens’ niet is opgenomen, blijkt uit de systemen dat de besluiten op een juiste wijze en bevoegd zijn genomen. Het besluit om de naheffingsaanslag MRB en boetebeschikking op te leggen is genomen door behandelaar [persoon D] . Het bezwaar is behandeld door [persoon E] .
9. De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur is bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). [1] Onder inspecteur moet op grond van artikel 2, derde lid, aanhef en onder b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) worden verstaan: ‘de functionaris die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen’. In artikel 5 van Pro de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 zijn de functionarissen vermeld die als inspecteur zijn aangewezen. Dit betreft de (algemeen) directeuren van de organisatieonderdelen, in dit geval de Belastingdienst/Centrale administratieve processen. Ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag c.q. uitspraak op bezwaar was [persoon C] de directeur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen. Naast deze functionarissen zijn ambtenaren werkzaam bij de Belastingdienst. Zij oefenen bepaalde wettelijke bevoegdheden uit krachtens mandaat. Onder mandaat wordt ingevolge artikel 10:1 van Pro de Awb verstaan ‘de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen’. Op grond van het voorgaande mag een gemandateerde ambtenaar een besluit ondertekenen met ‘de inspecteur’. De inspecteur heeft afschriften uit het bevoegdhedenregister overgelegd. Uit die stukken volgt dat beide behandelaars bevoegd zijn om deze besluiten te nemen en ook dat het eerste besluit is genomen door een andere ambtenaar dan de uitspraak op bezwaar. Dat betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de besluiten bevoegd zijn genomen.
Is de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog vastgesteld?
10. Verder vindt belanghebbende dat de naheffingsaanslag ten onrechte is vastgesteld. Als reden daarvoor voert belanghebbende aan dat hij op 4 maart 2024 naar het Kentekenloket dat zich bevindt op het kantoor van [bedrijf] in [plaats] is gegaan en daar de autoverzekering opnieuw in heeft laten gaan en tevens heeft verzocht om de schorsing van de auto op te heffen. Ook is de auto op 7 maart 2024 APK gekeurd. Daarmee is aannemelijk gemaakt dat hij op 4 maart 2024 het oogmerk had bij [bedrijf] /het Kentekenloket de schorsing te laten opheffen. Daarnaast beroept belanghebbende zich op het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4, tweede lid, van de Awb), omdat sprake is van een ‘kan-bepaling’. Belanghebbende wordt onevenredig financieel benadeeld, aangezien de wet geen mogelijkheid biedt om de naheffing te beperken tot de periode vanaf 4 maart 2024.
11. De inspecteur is van mening dat terecht belasting is nageheven. Er is weliswaar sprake van een ‘kan-bepaling’, maar ter voorkoming van willekeur wordt in alle gevallen waarbij weggebruik is geconstateerd een naheffingsaanslag opgelegd. Verder is voor de periode waarvoor de belasting reeds is betaald, niet nageheven. De Wet MRB biedt volgens de inspecteur geen grondslag voor een afwijkende of verdergaande matiging.
12. De rechtbank overweegt als volgt. Een houder van een auto in Nederland is motorrijtuigenbelasting verschuldigd. Als houder wordt degene aangemerkt op wiens naam het motorrijtuig is gesteld in het kentekenregister. Indien de tenaamstelling van het kenteken van een motorrijtuig wordt geschorst, wordt op grond van artikel 19 van Pro de Wet MRB geen belasting geheven. In deze zaak staat vast dat met de auto gebruik is gemaakt van de weg, terwijl daarvoor geen motorrijtuigenbelasting betaald was. Op grond van artikel 35 van Pro de Wet MRB wordt dan belasting nageheven. De naheffing wordt berekend over een periode van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden. Hoewel deze wettelijke bepaling als een discretionaire bevoegdheid is geformuleerd (‘kan’), is sprake van een gebonden bevoegdheid. Dat betekent dat de inspecteur geen ruimte heeft om te beoordelen in welke gevallen hij wel en in welke gevallen hij niet overgaat tot het opleggen van een naheffingsaanslag. De rechtbank kan in deze situatie niet toetsen of het evenredig is dat de inspecteur een naheffingsaanslag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank mag een wet in formele zin, zoals artikel 35 van Pro de Wet MRB, niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Dat is bepaald in artikel 120 van Pro de Grondwet.
13. Ook is geen sprake van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn meegewogen in de afweging van de wetgever. De wettelijke regeling is gebaseerd op het uitgangspunt dat de inspecteur in bewijsnood verkeert bij de vraag wanneer met het motorrijtuig voor het eerst in strijd met de schorsingsvoorwaarden gebruik is gemaakt van de weg. De wetgever heeft gekozen voor een ruime periode waarover de belasting wordt berekend en geheven. Nu de inspecteur de naheffingsaanslag overeenkomstig de wettelijke regeling heeft berekend, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd en niet te hoog vastgesteld.
Is de boetebeschikking terecht en niet te hoog vastgesteld?
14. Belanghebbende voert aan dat de inspecteur heeft miskend voor welk verzuim de boete is opgelegd. Het beboetbare feit is volgens belanghebbende het niet betalen van de belasting als bedoeld in artikel 35 van Pro de Wet MRB, niet het gebruik maken van de openbare weg terwijl het motorrijtuig is geschorst als bedoeld in artikel 37 van Pro de Wet MRB. Verder stelt belanghebbende zich op het standpunt dat sprake is van een rechtvaardigingsgrond en dat ingevolge artikel 5:5 van Pro de Awb geen bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd en dat ex artikel 5:46, tweede lid, van de Awb de hoogte van de boete afgestemd moet worden op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Belanghebbende ging er immers te goeder trouw vanuit dat de schorsing was opgeheven toen hij met zijn auto gebruik maakte van de openbare weg. Belanghebbende doet een beroep op afwezigheid van alle schuld (avas) omdat hij alles gedaan heeft wat redelijkerwijs van hem kon worden gevergd om de schorsing op te heffen.
15. De inspecteur is van mening dat de verzuimboete terecht is opgelegd en ook dat de hoogte passend en geboden is omdat er wel degelijk een verwijtbare mate van schuld aanwezig is. Belanghebbende heeft geen navraag gedaan of de auto ontschorst is. Uit navraag door de inspecteur bij [bedrijf] volgt dat het kantoor in [plaats] geen diensten verleent om de auto te ontschorsen. Ook zijn er geen stukken ingediend waaruit valt af te leiden dat de boete om financiële redenen gematigd moet worden.
16. De rechtbank overweegt dat in dit soort gevallen de inspecteur in beginsel een verzuimboete kan opleggen van 50% van de nageheven belasting. [2] Bij het opleggen van deze verzuimboete wordt geen onderscheid gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid. Bijzondere omstandigheden of avas kunnen aanleiding zijn tot matiging of het achterwege laten van de boete. Op belanghebbende rust de bewijslast feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat hier sprake van is. Van avas is sprake als belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het beboetbare feit te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. De rechtbank leidt uit de stukken af dat belanghebbende de bedoeling heeft gehad de auto te ontschorsen, maar het blijft de verantwoordelijkheid van belanghebbende om te controleren dat de auto daadwerkelijk ontschorst is.
17. De rechtbank dient nog te beoordelen of de hoogte van de boete passend en geboden is. De verzuimboete heeft tot doel het nakomen van fiscale verplichtingen aan te scherpen. Met hetgeen belanghebbende heeft overgelegd en geloofwaardig ter zitting heeft verklaard, acht de rechtbank het aannemelijk dat belanghebbende de bedoeling heeft gehad om de auto te ontschorsen, daarvoor naar een kantoor is gegaan van [bedrijf] dat tevens Kentekenloket is, maar dat de medewerker van het Kentekenloket deze schorsing niet heeft doorgevoerd. De stelling van de inspecteur dat bij [bedrijf] in [plaats] niet ontschorst kan worden leidt niet tot een ander oordeel. Deze stelling is gemotiveerd betwist en de ter zitting door de inspecteur overgelegde uitdraai van een chatgesprek acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. De rechtbank acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, in dit geval een boete van € 50 passend en geboden. De boete moet daarom worden verminderd tot € 50. De rechtbank ziet in de financiële omstandigheden van belanghebbende geen aanleiding om de boete nog verder te matigen.
Vergoeding van immateriële schade
18. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn voor berechting van het geschil in eerste aanleg bedraagt twee jaar. De inspecteur heeft op 10 juli 2024 van belanghebbende een bezwaarschrift ontvangen. De periode tussen de datum van indiening van het bezwaarschrift en de datum van deze uitspraak is minder dan twee jaar. De redelijke termijn is dus niet overschreden. Daarom wijst de rechtbank het verzoek af.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de boete verminderen naar € 50. De naheffingsaanslag blijft in stand. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen.
20. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding omdat de standpunten van de inspecteur niet pleitbaar zijn, althans de inspecteur had kunnen en moeten weten dat hij met zijn standpunten hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd niet afdoende kon weerleggen.
21. Artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen. Voor een dergelijke vergoeding is plaats ingeval een bestuursorgaan een beschikking afgeeft of uitspraak doet of deze in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen ingestelde procedure geen stand zal zouden (het “tegen beter weten in”-criterium). [3] Ook indien de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld kan sprake zijn van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit. [4]
22. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een integrale proceskostenvergoeding, omdat uit de gedingstukken niet valt op te maken dat de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld of tegen beter weten in een standpunt heeft ingenomen. De rechtbank wijst het verzoek om integrale vergoeding van proceskosten daarom af.
23. Belanghebbende krijgt wel een forfaitaire vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. Belanghebbende heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200. De genoemde kosten moeten, aangezien belanghebbende met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, worden betaald aan de rechtsbijstandsverlener. [5] De rechtsbijstandsverlener stelt belanghebbende zoveel mogelijk schadeloos voor de door hem voldane eigen bijdrage en doet aan de Raad voor rechtsbijstand opgave van een kostenvergoeding door het bestuursorgaan. De inspecteur moet het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, maar uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;
- wijzigt de boetebeschikking waarbij de boete nader wordt vastgesteld op € 50;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van H. van Huigenbos, griffier.
Uitgesproken op 22 april 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Brief Staatssecretaris van Financiën 27 februari 2008, nr. [nummer].
2.Artikel 35 en Pro 37 van de Wet MRB, in samenhang met artikel 67c van de AWR en paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.
3.Vergelijk Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.
4.Vergelijk Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.
5.Artikel 8:75, tweede lid, van de Awb.