AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling belastingrente bij voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2023
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de belastingrentebeschikking behorende bij de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2023. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en wees het verzoek om ambtshalve vermindering af. Belanghebbende ging in beroep bij de rechtbank Gelderland.
De rechtbank onderzocht of de inspecteur voldoende voortvarend was bij het opleggen van de voorlopige aanslag, of de belastingrente over de juiste periode was berekend en of het rentepercentage niet te hoog was. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur binnen de wettelijke termijn van veertien weken de aanslag had opgelegd en dat belanghebbende zelf het risico had genomen door niet tijdig een verzoek in te dienen.
Verder werd geoordeeld dat de belastingrente over de wettelijk voorgeschreven periode was berekend en dat het rentepercentage van 7,5% correct was vastgesteld op basis van de herfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank plus een opslag. De rechtbank verwierp de stellingen van belanghebbende over disproportionaliteit en schending van het eigendomsrecht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de belastingrentebeschikking en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen de belastingrentebeschikking wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft ongewijzigd.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8729
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 april 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 24 oktober 2024.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de belastingrentebeschikking behorende bij de voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2023, aanslagnummer [aanslagnummer], niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft het bezwaar mede aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de belastingrentebeschikking en heeft dit verzoek afgewezen.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A], kantoorgenoot van de gemachtigde en namens de inspecteur [persoon B] en [persoon C].
Feiten
1. Op 7 juni 2024 heeft belanghebbende een aanvraag/wijziging voorlopige aanslag IB/PVV 2023 ingediend. Het in de aanvraag vermelde inkomen uit aanmerkelijk belang, tevens verzamelinkomen, bedraagt € 9.900.000. In de aanvraag heeft belanghebbende aangegeven dat er sprake is van te verrekenen kansspelbelasting en/of ingehouden dividendbelasting in Nederland ter hoogte van € 1.481.930.
2. Met dagtekening 19 juli 2024 is een voorlopige aanslag opgelegd. Deze aanslag is gebaseerd op de hiervoor genoemde aanvraag/wijziging voorlopige aanslag. Het op deze voorlopige aanslag te betalen bedrag bedraagt € 1.192.826. Dit bedrag is inclusief € 14.726 belastingrente. De belastingrente is, over een te betalen bedrag van € 1.178.100, over de periode 1 juli 2024 tot en met 30 augustus 2024, als volgt berekend: (60/360) * 7,5% * € 1.178.100 = € 14.726. De aanslag is op 31 juli 2024 betaald. De uiterste betaaldatum van deze aanslag is 30 augustus 2024.
3. De inspecteur heeft bij uitspraak met dagtekening 24 oktober 2024 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Hij heeft daarbij het bezwaarschrift tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de belastingrentebeschikking en heeft dit verzoek afgewezen.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt of terecht en tot het juiste bedrag belastingrente in rekening is gebracht. Meer specifiek gaat het daarbij om de volgende vragen:
5. heeft de inspecteur voldoende voortvarend de voorlopige aanslag opgelegd?
6. is de belastingrente over de juiste periode opgelegd?
7. is het belastingrentepercentage te hoog?
Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf
6. Belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend tegen de belastingrentebeschikking opgenomen op de voorlopige aanslag. Op grond van artikel 9.5, derde en vijfde lid, van de Wet IB 2001 is een voorlopige aanslag, daaronder begrepen de bij zodanige aanslag vastgestelde belastingrentebeschikking, niet voor bezwaar vatbaar. Belanghebbende heeft geen gronden tegen deze niet-ontvankelijkverklaring aangevoerd. Gelet hierop is het bezwaar tegen de voorlopige aanslag IB/PVV, met daarbij de in rekening gebrachte belastingrente, terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep moet in zoverre ongegrond worden verklaard.
7. De inspecteur heeft het bezwaarschrift mede behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering. De rechtbank gaat ervan uit dat de inspecteur heeft bedoeld een verzoek om herziening van de voorlopige aanslag in de zin van artikel 9.5 van de Wet IB 2001.
8. Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek, maar is daarvan rechtstreeks in beroep gekomen. Hij heeft ter zitting aangegeven een inhoudelijk oordeel van de rechtbank te wensen. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift aangegeven in te stemmen met prorogatie en de rechtbank verzocht het geschil inhoudelijk te behandelen. De rechtbank heeft het bezwaarschrift van belanghebbende op de voet van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht als rechtstreeks beroep in behandeling genomen.
Is de voorlopige aanslag voldoende voortvarend opgelegd?
9. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de voorlopige aanslag. De Belastingdienst zou binnen twee weken na indiening van een verzoek daartoe, een voorlopige aanslag moeten (kunnen) opleggen. Daarom is volgens belanghebbende de belastingrente ten onrechte, althans tot een te hoog bedrag opgelegd.
10. De inspecteur heeft met dagtekening 19 juli 2024 en daarmee binnen zes weken overeenkomstig het daartoe ingediende verzoek de voorlopige aanslag opgelegd. Artikel 30f, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) geeft de inspecteur een termijn van veertien weken om in een geval als hier aan de orde een voorlopige aanslag op te leggen. Deze beroepsgrond is reeds daarom ongegrond.
11. Belanghebbende had belastingrente kunnen voorkomen door de Belastingdienst tijdig te verzoeken een voorlopige aanslag op te leggen. Indien belanghebbende vóór 1 mei 2024 had verzocht om een voorlopige aanslag op te leggen, dan was bij de voorlopige aanslag geen belastingrente in rekening gebracht conform artikel 30f, vierde lid, van de AWR.
12. Belanghebbende heeft om een voorlopige aanslag verzocht in juni 2024. Op dat moment was bekend dat voor het opleggen van een voorlopige aanslag een termijn gold van veertien weken. In de door belanghebbende ingediende aanvraag is als enige in 2023 genoten inkomst een bedrag aan winst uit aanmerkelijk belang aangegeven. Het had voor de hand gelegen dat belanghebbende kort na de ontvangst van het hiervoor genoemde bedrag, althans voor 1 mei 2024, om oplegging van een voorlopige aanslag zou hebben verzocht. Door dit niet te doen, heeft belanghebbende het risico genomen dat hem ter zake belastingrente in rekening zou worden gebracht. Dit komt voor zijn rekening. Het is de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om desgewenst tijdig te verzoeken een voorlopige aanslag op te leggen om heffing van belastingrente te voorkomen. Dat belanghebbende, vlak voor de aanvraag om een voorlopige aanslag, cliënt van zijn (huidige) gemachtigde is geworden, doet aan het voorgaande niets af.
13. Het zorgvuldigheidsbeginsel maakt het voorgaande evenmin anders. De rechtbank wijst op een arrest van de Hoge Raad van 24 december 2010. In dit arrest oordeelde hij:
“3.3.6 De termijn van drie maanden voor het opleggen van een (voorlopige) aanslag kan als redelijk worden aangemerkt (…). Het zorgvuldigheidsbeginsel staat daarom niet in de weg aan berekening van de volgens de wet verschuldigde heffingsrente over de genoemde periode van drie maanden, ook niet in een geval als het onderhavige waarin het een omvangrijk bedrag aan belasting betreft en de belastingplichtige bij herhaling (…) heeft verzocht om op korte termijn een voorlopige aanslag op te leggen.”
Dit arrest is gewezen onder het toenmalige regime waarbij de inspecteur op basis van voorgeschreven beleid in beginsel gehouden was een voorlopige aanslag vast te stellen binnen drie maanden na het indienen van het verzoek om oplegging daarvan. Uit het hier aangehaalde arrest van de Hoge Raad leidt de rechtbank af dat dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet in de weg staat aan berekening van heffingsrente over een wettelijke termijn van veertien weken. De rechtbank ziet evenmin in dat door een laat opleggen van de voorlopige aanslag de inspecteur in deze zaak onvoldoende voortvarend en daarmee in strijd met enig ander beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Ter zitting heeft de inspecteur bovendien nog toegelicht dat de reden dat het langer dan twee weken duurt voordat een voorlopige aanslag wordt opgelegd, volgt uit het daaraan ten grondslag liggende automatiseringsproces. Dit proces is erop gericht dat zodanig verzoek binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn wordt afgehandeld. Binnen dit proces van opleggen van een voorlopige aanslag zijn er uitwerpmogelijkheden. Dit wijst erop dat op de gedane verzoeken controles worden gedaan. Een termijn van 14 weken biedt die mogelijkheid.
14. Belanghebbende heeft zich verder beroepen op een arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2001. [1] De rechtbank volgt belanghebbende hierin niet, omdat genoemd arrest ziet op een aangiftebelasting en de onderhavige zaak ziet op een aanslagbelasting.
15. Belanghebbende meent ook dat, omdat het pas mogelijk is om op 19 juli 2024, wanneer de belastingrente al loopt, een voorlopige aanslag te betalen die op 7 juni 2024 is aangevraagd, dit een verhoudingsgewijs (te) zware financiële last oplevert doordat de Belastingdienst niet in staat is een verzoek voor een voorlopige aanslag snel te verwerken. Deze door belanghebbende ingenomen stelling maakt echter nog niet dat de wettelijke regeling inzake belastingrente in strijd is met het eigendomsrecht als genoemd in artikel 1 EPPro bij het EVRM. [2]
16. Zijn stelling dat onder horizontaal toezicht de voorlopige aanslag wel tijdig had kunnen worden opgelegd, alsdan geen dan wel minder belastingrente in rekening zou zijn gebracht, heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde weerspreking daarvan door de inspecteur onvoldoende onderbouwd.
17. Uit het voorgaande volgt dat de inspecteur voldoende voortvarend de voorlopige aanslag heeft opgelegd.
Over welke periode mag belastingrente in rekening worden gebracht
18. Belanghebbende voert aan dat over een te lange periode belastingrente in rekening is gebracht omdat in een deel van deze periode de op de voorlopige aanslag verschuldigde belasting ter beschikking van de Belastingdienst stond en de Belastingdienst in zoverre geen nadeel heeft geleden.
19. Onbestreden is dat de belastingrente is opgelegd over de wettelijk omschreven periode.
20. In een arrest van 18 november 2022 [3] overwoog de Hoge Raad (onder weglating van noten):
“3.3.4.
Opmerking verdient nog dat het voorgaande niet eraan in de weg staat dat belastingrente wordt berekend over de periode tussen de dagtekening van een aanslagbiljet en de uiterste datum waarop de desbetreffende belastingaanslag moet zijn betaald, ook in gevallen waarin die aanslag vóór het einde van de betaaltermijn is betaald. Hoewel ook in zoverre de situatie kan ontstaan dat belastingrente wordt berekend over een bedrag en een periode waarin de Belastingdienst reeds over dat bedrag beschikte, is deze situatie in de wetsgeschiedenis uitdrukkelijk aan de orde gekomen en aanvaard. Aangenomen moet worden dat de wetgever omwille van de uitvoerbaarheid van de belastingrenteregeling een enigszins ruwe berekening van de renteschade in zoverre heeft beoogd.”
21. Gelet op deze overweging was het de inspecteur (in elk geval) over de periode 19 juli 2024 - 30 augustus 2024 toegestaan belastingrente in rekening te brengen. Belanghebbende heeft op 31 juli 2024 de voorlopige aanslag betaald.
22. Inachtneming van het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad leidt de rechtbank tot de conclusie dat dat de periode waarover belastingrente is berekend niet te lang is vastgesteld.
De hoogte van het belastingrentepercentage
23. Belanghebbende voert aan dat het belastingrentepercentage in verhouding moet staan met de doelstelling van de rente. Hij wordt disproportioneel getroffen door het verzuimbeleid, terwijl hij niet in verzuim is. Het gehanteerde rentepercentage, 7,5%, is buitensporig hoog, niet onderbouwd en in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
24. De berekening van belastingrente volgt dwingend uit de wet. [4] De inspecteur heeft dus geen beleidsvrijheid bij de toepassing ervan. De rechter is niet bevoegd de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen. [5]
25. De hoogte van het belastingrentepercentage wordt (kort gezegd) berekend door het percentage van de herfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank voor haar meest recente basisherfinancieringstransactie te vermeerderen met een opslag van 3 procentpunt. [6] Een aldus berekende rente is niet disproportioneel hoog. [7]
26. Niet bestreden is dat op 1 januari 2024 het herfinancieringsrente percentage van de Europese Centrale Bank 4,5 bedroeg. Dit leidt in deze zaak tot een in rekening te brengen belastingrente van 4,5% + 3% = 7,5%.
27. Belanghebbende heeft dit alles niet bestreden. Het gehanteerde rentepercentage van 7,5 is evenmin in strijd met het evenredigheidsbeginsel. [8]
Conclusie
28. De belastingrente is tijdig, over de juiste periode, en niet tot een te hoog bedrag in rekening gebracht. Wat belanghebbende verder nog hierover heeft aangevoerd, kan hieraan niets afdoen. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
29. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de belastingrentebeschikking in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Y. Gramsbergen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.
Uitgesproken op 22 april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.