Art. 67a AwrArt. 9 lid 3 AwrArt. 7:2 lid 1 AwbArt. 7:12 lid 1 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vermindering verzuimboete wegens niet tijdige belastingaangifte van gedetineerde
Belanghebbende, die gedurende de relevante periode gedetineerd was, diende zijn belastingaangifte over 2022 te laat in. De inspecteur legde een verzuimboete van €385 op en handhaafde deze na bezwaar. Belanghebbende betwistte de ontvangst van aanmaning en herinnering en stelde dat hij niet adequaat is gehoord.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de aanmaning en herinnering zijn verzonden en dat de hoorplicht niet is geschonden, aangezien telefonisch of videohoor voldoende was gezien de detentiesituatie. Het motiveringsbeginsel en het verdedigingsbeginsel zijn niet geschonden.
Hoewel detentie een moeilijke situatie vormt, is niet voldaan aan het criterium van afwezigheid van alle schuld (avas). De rechtbank acht de opgelegde boete echter niet passend en vermindert deze tot €50. Tevens wordt het griffierecht terugbetaald en worden proceskosten van €1.600 aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: De verzuimboete wegens te late belastingaangifte wordt verminderd tot €50 en de proceskosten worden aan belanghebbende toegekend.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7173
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 april 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 9 juli 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor 2022 de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 385.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag en de boete gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De gemachtigde van belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om zonder mondelinge behandeling het onderzoek te sluiten en uitspraak te doen. De rechtbank heeft vervolgens de inspecteur gevraagd of hij hiermee instemt. De inspecteur heeft daarmee ingestemd. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]
Feiten
1. Belanghebbende is geboren op [geboortedag] 1987. Belanghebbende heeft geen fiscaal partner.
2. Belanghebbende was in ieder geval tot eind 2024 gedetineerd en verbleef van december 2021 tot mei 2023 in een penitentiaire inrichting in [plaats 2]. Vanaf mei 2023 tot (in ieder geval) eind 2024 verbleef belanghebbende in de penitentiaire inrichting in [plaats 1].
3. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2023 uitgenodigd tot het doen van aangifte. Belanghebbende heeft schriftelijk verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte. De inspecteur heeft dit uitstelverzoek ontvangen op 30 april 2023 en met dagtekening 17 mei 2023 uitstel verleend tot 1 september 2023. De inspecteur heeft op 22 september 2023 een herinnering en op 23 oktober 2023 een aanmaning tot het doen van de aangifte verzonden. In deze aanmaning is volgens de inspecteur vermeld dat de aangifte door de inspecteur vóór 6 november 2023 moet zijn ontvangen. De inspecteur heeft in de herinnering tevens aangegeven dat belanghebbende een boete kan krijgen van minimaal € 385 en maximaal € 5.514 indien belanghebbende de aangifte niet tijdig, dat wil zeggen vóór 6 november 2023 indient.
4. Belanghebbende heeft op 3 december 2023 de aangifte IB/PVV 2022 ingediend naar een rendementsgrondslag van € 55.435 en belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. Het bedrag van € 55.435 heeft uitsluitend betrekking op bank- en spaartegoeden. Belanghebbende heeft geen andere inkomsten aangegeven.
5. De inspecteur heeft met dagtekening 19 januari 2024 een definitieve aanslag IB/PVV 2022 opgelegd conform de ingediende aangifte van belanghebbende. Omdat belanghebbende zijn aangifte niet tijdig heeft ingediend, heeft de inspecteur bij beschikking een verzuimboete van € 385 opgelegd.
6. De gemachtigde van belanghebbende heeft op 5 februari 2024, ontvangen door de inspecteur op 9 februari 2024, een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag. Het bezwaar is gericht tegen de opgelegde verzuimboete en tegen de heffingsgrondslag van € 2.888.
7. Met dagtekening 27 mei 2024 heeft de inspecteur per e-mail en met dagtekening 28 mei 2024 per brief, een vooraankondiging uitspraak op bezwaar aan belanghebbende toegezonden. De inspecteur geeft hierin aan dat hij voornemens is het bezwaar af te wijzen, omdat de aangifte niet tijdig is ontvangen en hij geen reden ziet om de boete te laten vervallen of te matigen. De inspecteur stelt een drietal data voor om belanghebbende en zijn gemachtigde te horen.
8. De gemachtigde van belanghebbende heeft op 3 juni 2024 gereageerd op de vooraankondiging van de inspecteur en heeft uitgebreid uiteengezet waarom hij het niet eens is met het voornemen om het bezwaar af te wijzen.
9. De inspecteur heeft op 18 juni 2024 telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van belanghebbende en aangegeven dat de hoorzitting via een videoverbinding kan plaatsvinden. De inspecteur en de gemachtigde zijn het niet over eens bij wie de verantwoordelijkheid ligt om deelname aan de hoorzitting voor belanghebbende mogelijk te maken. De inspecteur heeft een e-mail aan de gemachtigde verstuurd en daarbij gerefereerd aan het diezelfde dag gevoerde telefonische gesprek, en de mogelijkheid geboden om via een videoverbinding gehoord te worden. De inspecteur heeft daarbij drie data vermeld.
10. De gemachtigde van belanghebbende heeft op 20 juni 2024 per e-mail gereageerd op het verzoek om gehoord te worden. Gemachtigde geeft aan dat de door de inspecteur voorgestelde videoconference niet wordt gezien als een volwaardig alternatief voor fysieke aanwezigheid bij een hoorzitting en dat deze vorm van ‘horen’ dan ook wordt geweigerd.
11. De inspecteur heeft op 21 juni 2024 per e-mail aangegeven dat de hoorzitting op het belastingkantoor in Eindhoven kan plaatsvinden, maar ook de mogelijkheid bestaat dat de hoorzitting op een ander belastingkantoor plaatsvindt. De inspecteur heeft aangeboden om een telefonische hoorzitting dan wel de hoorzitting via een videoverbinding te laten plaatsvinden, omdat belanghebbende in detentie verblijft en een hoorzitting op locatie niet mogelijk is. De inspecteur heeft een drietal nieuwe data genoemd voor de hoorzitting.
12. Bij e-mail van 21 juni 2024 heeft de gemachtigde aangegeven dat belanghebbende in detentie niet over een smartphone beschikt. Voor gemachtigde is het mogelijk om fysiek naar Eindhoven te komen, maar voor belanghebbende is dat niet het geval. Gemachtigde is van mening dat het tot de verantwoordelijkheid van de inspecteur behoort om er zorg voor te dragen dat belanghebbende fysiek aan een hoorzitting kan deelnemen.
13. Met dagtekening 9 juli 2024 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. De inspecteur heeft het bezwaar afgewezen en de verzuimboete gehandhaafd.
Beoordeling door de rechtbank
14. De rechtbank beoordeelt of de verzuimboete terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de aanmaning en herinnering zijn verzonden, of de inspecteur de hoorplicht heeft geschonden, of sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel, het verdedigingsbeginsel en of sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Tussen partijen is de hoogte van de aanslag IB/PVV niet meer in geschil.
15. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is .Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Verzending van de aanmaning en herinnering
16. Belanghebbende betwist de ontvangst van de herinnering en de aanmaning. Belanghebbende voert aan dat het aannemelijk maken van de verzending van poststukken die de Belastingdienst verstuurt verder gaat dan een partij aanslagbiljetten tegelijkertijd aan een verzender aanbieden en het administratief en steekproefsgewijs controleren of het totale aantal poststukken van een partij is verzonden. Belanghebbende verwijst naar een oordeel van het hof dat de inspecteur de verzending op individueel niveau dient te bewijzen. [2] Belanghebbende betwist ook de ontvangst van de aanslag.
17. De inspecteur stelt dat hij in de bezwaarfase intern de verzendrapporten van de aanmaning en de herinnering heeft opgevraagd. Uit de rapporten volgt naar welk adres de aanmaning en herinnering zijn verzonden, dat zowel de aanmaning als de herinnering behoorden tot een batch die op 19 september 2023, respectievelijk 18 oktober 2023 door de inspecteur ter postbezorging zijn aangeboden bij PostNL en dat per post verzonden documenten in de regel op het vermelde adres plegen te worden aangeboden. De inspecteur stelt dat ervan uitgegaan kan worden dat de definitieve aanslag en de boeteschikking belanghebbende tijdig en op de voorgeschreven wijze hebben bereikt. Hij leidt dit af uit de omstandigheid dat de gemachtigde van belanghebbende tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag. Hij wijst er voorts op dat de aanslag is verzonden naar het adres waarop belanghebbende op 19 januari 2024 verbleef.
18. Op grond van artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), gelezen in samenhang met artikel 9, derde lid, van de Awr, kan voor het niet-tijdig indienen van de aangifte voor een aanslagbelasting een boete worden opgelegd indien de belastingplichtige is aangemaand binnen een in de aanmaning gestelde termijn aangifte te doen. Zonder aanmaning is oplegging van een verzuimboete voor het hier bedoelde aangifteverzuim dus uitgesloten. Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2008-2009, 32 128, nr. 3 blz. 34-35) volgt dat de Belastingdienst aan de aanmaning een herinnering laat voorafgaan. Pas wanneer de belastingplichtige de aanvankelijke uitnodiging tot het doen van aangifte, de herinnering én de aanmaning heeft genegeerd, legt de Belastingdienst de boete van artikel 67a van de Awr op. Het een en ander brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat voor het opleggen van de verzuimboete van artikel 67a van de Awr in elk geval geen plaats is indien de aanmaning als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Awr niet door de belastingplichtige is ontvangen en hem evenmin op andere wijze heeft bereikt.
19. Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2022 [3] volgt dat indien de belanghebbende, zoals in dit geval, stelt dat een schriftelijk besluit van de inspecteur hem niet heeft bereikt, in die stelling een betwisting van de verzending van dat besluit ligt begrepen. In dat geval dient de inspecteur die verzending aannemelijk te maken. In een geval als het onderhavige, waarin de inspecteur stelt dat het besluit is bekendgemaakt door verzending per post, houdt die bewijslast in dat hij aannemelijk moet maken dat het desbetreffende poststuk is aangeboden aan een postvervoerbedrijf. Daartoe zal de inspecteur mede aannemelijk moeten maken aan welk postvervoerbedrijf het desbetreffende poststuk is aangeboden.
20. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur in bijlage 14 bij het verweerschrift gegevens van de verzendadministratie heeft overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat de herinnering en de aanmaning zijn verzonden naar het adres waarop belanghebbende op dat moment verbleef en aan welk postvervoersbedrijf de herinnering en de aanmaning zijn aangeboden. Belanghebbende heeft dit ook niet weersproken. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de aanmaning op dat adres. De inspecteur heeft de verzending van de herinnering en de aanmaning daarmee aannemelijk gemaakt. Voor zover belanghebbende heeft beoogd te stellen dat de aanslag niet is verzonden of niet door hem is ontvangen, wordt dit gelogenstraft door het tijdig door de gemachtigde ingediende bezwaarschrift, waarin ook de datum van de aanslag en het aanslagnummer worden genoemd.
Hoorplicht
21. Belanghebbende voert aan dat hij niet gehoord is en dat hij niet ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van het recht om gehoord te worden. Het initiatief voor de hoorzitting ligt bij de inspecteur, aldus belanghebbende. Belanghebbende geeft aan dat een formele, fysieke hoorzitting niet gelijk te stellen is met een telefonische hoorzitting of één via een videoverbinding, temeer nu belanghebbende in detentie ook niet over een telefoon beschikt.
22. De inspecteur geeft aan dat het initiatief voor een hoorzitting inderdaad bij de inspecteur ligt en dat hij hiervoor door middel van correspondentie de gemachtigde meermaals in de gelegenheid heeft gesteld. Doordat belanghebbende in detentie verblijft is het voeren van een fysieke hoorzitting complex(er), aldus de inspecteur. Volgens de inspecteur komt dit echter geheel voor rekening en risico van belanghebbende. De inspecteur stelt dat er geen verplichting bestaat voor een fysieke hoorzitting en dat ook middels telefonisch horen of via een videoverbinding kan worden gehoord. De inspecteur vindt dat het de taak van de gemachtigde is om de belangen van belanghebbende te behartigen en dat hij hiervoor bijvoorbeeld gebruik had kunnen maken van een fysieke hoorzitting.
23. Artikel 7:2, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Met het horen in bezwaar is onder meer beoogd te waarborgen dat de belanghebbende zijn zienswijze mondeling naar voren kan brengen bij het bestuursorgaan, en te bevorderen dat het bestuursorgaan bij de besluitvorming beschikt over alle relevante informatie die nodig is voor een zorgvuldige heroverweging en besluitvorming ( Kamerstukken II1988/89, 21221, 3, p. 145). Bij de totstandkoming van deze bepaling is opgemerkt dat ervan is afgezien de gang van zaken tijdens het horen uitvoerig vast te leggen ( Kamerstukken II1988/89, 21221, 3, p. 145). Ten tijde van de totstandkoming van de Awb vond de regering telefonisch horen in belastingzaken problematisch ( Kamerstukken II1989/90, 21221, 4, p. 50, en Kamerstukken II1990/91, 21221, 5, p. 14–15 en 96). Daarover is in het kabinetsstandpunt over de evaluatie van de Awb onder meer opgemerkt dat bij tweepartijengeschillen telefonisch horen wel mogelijk is indien de belanghebbende daarmee instemt, mits een en ander voldoende zorgvuldig geschiedt, en dat van deze mogelijkheid vaker gebruik kan worden gemaakt ( Kamerstukken II1997/98, 25600 VI, 46, p. 28). De hiervoor weergegeven tekst en totstandkomingsgeschiedenis van de regeling van Afdeling 7.2 Awb sluiten niet uit dat een belanghebbende telefonisch wordt gehoord ingeval deze daarmee instemt of daarom verzoekt ,en dit horen voldoende zorgvuldig kan geschieden. Aan het voorschrift van artikel 7:2, lid 1, Awb zal in het algemeen door middel van telefonisch horen kunnen worden voldaan als het bestuursorgaan en de belanghebbende allebei vinden dat deze wijze van horen volstaat. [4]
24. Uit het voorgaande volgt dat telefonisch horen in beginsel slechts plaatsvindt indien zowel belanghebbende als de inspecteur hiermee instemmen. In dit geval geldt naar het oordeel van de rechtbank echter het adagium dat niemand is gehouden tot het onmogelijke: de inspecteur is niet gehouden een fysieke hoorzitting te organiseren waarbij belanghebbende aanwezig kan zijn, omdat dit (vrijwel) onmogelijk is vanwege de detentie van belanghebbende. Het aanbod om belanghebbende telefonisch dan wel via een videoverbinding te horen is voldoende, waarbij heeft te gelden dat belanghebbende zelf dan wel zijn gemachtigde gehouden zijn een en ander mogelijk te maken. Daarnaast heeft de inspecteur de gemachtigde de mogelijkheid geboden gehoord te worden. Dat de gemachtigde daarvan heeft afgezien, komt voor zijn rekening. Van een schending van de hoorplicht is geen sprake.
Motiveringsbeginsel
25. Belanghebbende voert aan dat de inspecteur het motiveringsbeginsel heeft geschonden, omdat belanghebbende niet op alle beroepsgronden heeft gereageerd.
26. De inspecteur stelt zich tot het standpunt hij zowel in de vooraankondiging als in de uitspraak op bezwaar zijn ingenomen standpunten duidelijk en zorgvuldig heeft gemotiveerd.
27. Naar de rechtbank begrijpt, is belanghebbende van mening dat de inspecteur het motiveringsbeginsel als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb heeft geschonden. De rechtbank is van oordeel dat de uitspraak op bezwaar voldoende is gemotiveerd om de beslissing te kunnen dragen. De inspecteur is in de uitspraak op bezwaar uitvoerig op de bezwaargronden van belanghebbende ingegaan. Anders dan belanghebbende meent, is de inspecteur niet gehouden op alle argumenten die belanghebbende ter onderbouwing van zijn bezwaargronden heeft aangedragen in te gaan. Er is derhalve geen sprake van een schending van het motiveringsbeginsel.
Verdedigingsbeginsel
28. Belanghebbende voert aan dat de verzuimboete een criminal charge is als bedoeld in artikel 6 vanPro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en daarmee de bescherming van dit artikel geniet. De inspecteur had belanghebbende voor het opleggen van boete moeten horen. Dat dat niet gebeurd is, is volgens belanghebbende een juridische doodzonde waardoor de boete moet vervallen.
29. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het verdedigingsbeginsel niet is geschonden, omdat belanghebbende in de aanmaning wel degelijk geïnformeerd is. In de aanmaning is namelijk expliciet medegedeeld dat de inspecteur een boete kan opleggen, indien belanghebbende de aangifte niet tijdig indient.
30. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 6 vanPro het EVRM waarborgt het recht op een eerlijk proces. Dit houdt in dat zaken openbaar worden behandeld binnen een redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. In het geval van een strafbaar feit geldt dat iedereen wordt geacht onschuldig te zijn tot het tegendeel is bewezen. De waarborgen van artikel 6 EVRMPro gelden ook in het fiscale boeterecht in principe ten volle.
Daarbij geldt echter dat wettelijk gefixeerde en automatisch opgelegde belastingboetes volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) toelaatbaar zijn, zolang de beboete toegang heeft tot een onafhankelijk rechter die de boete volledig kan toetsen. [5] Verder geldt dat wettelijke bewijsvermoedens door het EHRM zijn toegestaan, zolang deze binnen redelijke grenzen blijven. [6]
31. De verzuimboete is aan belanghebbende opgelegd op grond van artikel 67a van de Awr, omdat belanghebbende zijn aangifte te laat heeft ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank worden de minimale waarborgen van het EVRM in het Nederlandse fiscale boeterecht ook ten aanzien van deze verzuimboete gerespecteerd. [7] Belanghebbende heeft toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter die ten volle toetst of de boetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Belanghebbende krijgt daarbij ook de gelegenheid om eventuele wettelijke bewijsvermoedens te weerleggen. Anders dan belanghebbende stelt, is het niet in strijd met het EVRM dat belanghebbende niet voorafgaand aan de boeteoplegging is gehoord. Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank geen reden om de verzuimboetes te vernietigen wegens schending van het verdedigingsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Boete
32. Belanghebbende voert aan dat op de inspecteur een verzwaarde bewijslast rust bij het opleggen van een boete en in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Belanghebbende doet daarbij een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2022. Daarnaast stelt belanghebbende dat de boete moet vervallen, omdat sprake is van avas. Hij beroept zich daarbij op artikel 6 vanPro het EVRM, waaruit volgt dat de eis dat belanghebbende moet bewijzen dat sprake is van avas, hetgeen een omkering van de bewijslast impliceert, ontoelaatbaar is. Volgens belanghebbende is detentie geen omstandigheid die voor rekening van belanghebbende komt, maar overheidsdwang waarover de belanghebbende nul controle bezit en waardoor hij zich in een maximaal kwetsbare positie bevindt, hetgeen tot verhoogde rechtsbescherming zou moeten leiden. In het bezwaarschrift geeft de gemachtigde aan dat belanghebbende, die gedetineerd is (geraakt) en wiens boekhouder zich van hem distantieerde (wilde niets met criminelen te maken hebben) zich genoodzaakt zag om iemand te vinden (en vond) om zijn belastingaangifte in te dienen. Gehandicapt door diezelfde detentiesituatie duurde dit zoeken naar een andere boekhouder net ‘even iets langer’ dan onder normale omstandigheden en werd de aangifte enkele dagen te laat ontvangen.
33. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat een verzuimboete tot doel heeft een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen en hierbij geen bepaalde mate van verwijtbaarheid aan het gebrek ten grondslag ligt. Het arrest van 8 april 2022 waar belanghebbende naar verwijst heeft betrekking op de vergrijpboete en daar gaat het hier niet om, aldus de inspecteur. De inspecteur stelt dat indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven, niet, dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan, dit een verzuim vormt en ter zake daarvan uiterlijk bij de vaststelling van de aanslag een bestuurlijke boete van ten hoogste € 5.551 kan opleggen. Ter zake van een aangifteverzuim legt de inspecteur een verzuimboete op van zeven procent van dit wettelijke maximum, aldus de inspecteur. Volgens de inspecteur is er geen sprake van avas, omdat belanghebbende niet alles aan heeft gedaan wat in redelijkheid van hem kan worden gevergd om zorg te dragen voor een tijdige indiening van de aangifte.
34. De rechtbank is van oordeel dat de boete terecht is opgelegd. De inspecteur stelt terecht dat het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 8 april 2022 niet van toepassing is, omdat sprake is van een verzuimboete. Vaststaat dat belanghebbende niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn aangifte heeft gedaan. Oplegging van een verzuimboete moet dan achterwege blijven als sprake is van avas. Voor een geslaagd beroep op avas is het nodig dat belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te voorkomen dat te laat aangifte zou worden gedaan. De redenen die belanghebbende hiervoor aangevoerd heeft, zijn op zichzelf begrijpelijk, maar ze zijn niet voldoende om avas te kunnen aannemen. Zo heeft hij onder meer gesteld dat hij vanwege detentie met (extra) beperkingen niet in staat is geweest tijdig aangifte te doen, omdat zijn eigen boekhouder niet meer voor hem wilde optreden en het voor hem moeilijk was om vanuit de gevangenis hulp bij het doen van de aangifte te krijgen. Detentie heeft in beginsel te gelden als een aangelegenheid die in belanghebbendes risicosfeer ligt. [8] De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding hiervan af te wijken en om avas aan te nemen. Er was namelijk voor belanghebbende nog een andere mogelijkheid dan het inschakelen van rechtsbijstand. Hij had de aangifte, die relatief eenvoudig was omdat belanghebbende uitsluitend bank- en spaartegoeden bezat, zelf kunnen indienen of uitstel voor het indienen van de aangifte kunnen aanvragen via een brief aan de Belastingdienst. Dat belanghebbende van de mogelijkheid om uitstel te vragen op de hoogte was blijkt uit het door belanghebbende gevraagde uitstel in april 2023. Belanghebbende heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij alle van hem te vergen zorg heeft betracht om te voorkomen dat de aangifte te laat werd ingediend. Daarmee is dus niet aan het strenge criterium van avas voldaan.
35. De rechtbank dient echter ook de hoogte van de boete te beoordelen. De inspecteur heeft op grond van het geldende boetebeleid een boete opgelegd van 7% van het maximale boetebedrag van € 5.514 dat in de wet staat. [9] Dat is op zichzelf juist. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de boete ook passend en geboden is, waarbij alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen. De rechtbank ziet in de feiten en omstandigheden van dit geval aanleiding voor het oordeel dat de opgelegde verzuimboete niet passend en geboden is. Belanghebbende bevond zich in moeilijke omstandigheden en aannemelijk is dat hij veel heeft gedaan om te proberen aan zijn aangifteverplichting te voldoen of om hiervoor een oplossing te vinden. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank een verzuimboete van € 50 passend en geboden. De rechtbank zal de verzuimboete daarom tot dat bedrag verminderen.
Conclusie en gevolgen
36. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat belanghebbende gelijk krijgt. De rechtbank zal de verzuimboete verminderen tot € 50. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht terug. Hij krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten.
37. De rechtbank vindt aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.600 (1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666 en een wegingsfactor van 1 en 1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
38. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat de inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht van € 51 vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de verzuimboete tot een bedrag van € 50;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 1.600;
draagt de inspecteur op om het betaalde griffierecht van € 51 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 17 april 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.