Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
[naam eisend bedrijf in conventie / verwerend in reconventie] B.V.,
1.[naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 1] ,
2.
[naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 2],
1.De procedure
2.De feiten
met Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk 2013 (AVA 2013).” In de aannemingsovereenkomst staat achter de omschrijving van het werk:
“
Verbouwing/aanbouw van de [de molen] te [plaatsnaam] conform onze offerte met uitwerkdatum 2 mei 2023.De offerte zal leidend zijn.”
Voorlopige planning de Molen [plaatsnaam] .” ontvangen. Als einddatum van de werkzaamheden van [de eiser in conventie] is daarin uitgegaan van 9 februari 2024.
“De totaalprijs is €16.050 excl btw”.
De faktuur van het 9e termijn zal zoals vanmorgen besproken, worden voldaan na het leggen van de cementdekvloer.”
[de gedaagde in conventie] heeft per e-mail van 30 augustus 2024 zijn reactie aan [de eiser in conventie] kenbaar gemaakt.
Betaling gaarne binnen 10 dagen (…).” In deze factuur is minderwerk verdisconteerd.
Betaling door [de gedaagde in conventie] van de meerwerkfactuur van 18 september 2024 is uitgebleven.
tegels ter plaatse van balkon”; “
balustrade (stelpost)”; “
aftimmeren deurkozijnen” en “
plaatsen vloerplinten”.
Besparing aftimmeren kozijnen en plinten” een bedrag van € 804,07 in mindering gebracht, voor “
Besparing balustrade balkon” een bedrag van
totaal € 6.000,00 minus: ankers leveren/lassen, winst en risico”) en voor “
Besparing rubberen tegels balkon” een bedrag van € 1.379,95 (“
totaal € 1.533,28 minus: winst en risico”), alle bedragen exclusief btw.
De factuur komt daarmee uit op een door [de gedaagde in conventie] te betalen bedrag van € 9.543,06 (inclusief btw ad € 1.656,23).
3.Het geschil
4.De beoordeling
Ingeval van opzegging zal de opdrachtgever de voor het gehele werk geldende prijs moeten betalen, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien, tegen aflevering door de aannemer van het reeds voltooide werk (artikel 7:764 lid 2 BW Pro; artikel 14 lid 5 AVA Pro 2013).
De 10e (en tevens de laatste) termijn bedraagt 5% van de aanneemsom. Dit is een bedrag van € 16.713,85 (exclusief btw). Inclusief btw komt dit neer op een bedrag van € 20.223,76. [de gedaagde in conventie] heeft de 10e termijn niet betaald.
(€ 28.447,52 + € 20.223,76 ) aan [de eiser in conventie] verschuldigd.
meerwerkposten voor (exclusief btw):
1. Lekkage opsporen dak molen in verband met lekkage nieuwe
€ 424,00
€ 2.650,00
€ 1.812,00
32. 08-12 Metselwerk lood, totaal 12 uur € 600,00
€ 160,00
meerwerk komt in totaal uit op een bedrag van € 39.126,72 (
exclusiefbtw).
“het bestek is leidende en de uitvoering van het werk dient dan ook in lijn hiermee uitgewerkt te worden tenzij later door of in samenwerking met opdrachtgever aanpassingen zijn gemaakt.”, is onvoldoende concreet en specifiek om voorrang te verbinden aan punt 1.2.4 uit de projectomschrijving van april 202
2(vgl. artikel 2 lid 3 AVA Pro 2013), terwijl [de gedaagde in conventie] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld, gelet op de toelichting van [de eiser in conventie] , dat deze juist daarmee zou hebben ingestemd.
1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:989).
[de eiser in conventie] heeft dit in de inleidende dagvaarding erkend en deze kosten gecrediteerd bij de factuur van 13 juni 2025 (de 10e termijn).
In de offerte van 2 mei 2023 wordt immers duidelijk vermeld dat het daarin vermelde totaalbedrag van € 334.277,00 exclusief btw is. Daaruit volgt dat de in die offerte opgenomen posten telkens bedragen exclusief btw betreffen.
Naar het oordeel van de rechtbank moet [de gedaagde in conventie] dan ook hebben begrepen dat als [de eiser in conventie] facturen uitschreef daarover ook (21%) btw verschuldigd zou zijn. En [de eiser in conventie] mocht ervan uitgaan dat [de gedaagde in conventie] dat ook had begrepen.
-openingen trapgat en bestaande stijl, stelpost offerte € 1.000,00
-vervallen herstellen van houtconstructie waar nodig uit offerte € 600,00
-minderprijs loodvervanger aansluiting molen € 460,00
-minderprijs hardstenen dorpels € 284,00
-minderprijs herplaatsen bestaande raam keuken € 112,00
-minderprijs pvc doorvoeren € 16,05
-minderprijs mantelbuizen € 462,00
-minderprijs geïsoleerde kantplank wegens andere opbouw € 5.641,02
-minderprijs steunen ten behoeve van sierrand € 75,00
- Besparing aftimmeren kozijnen en plinten ad € 804,07,
- Besparing balustrade balkon ad € 5.200,00,
- Besparing rubberen tegels balkon ad € 1.379,95.
€ 1.750,00.
[de gedaagde in conventie] heeft niet langer bestreden dat hij met [de eiser in conventie] is overeengekomen dat hij tot betaling zou overgaan nadat de cementvloer was gelegd. Aangezien de cementvloer op 12 juni 2024 is gelegd en de betalingstermijn van de 9e factuur 10 dagen bedroeg, verkeerde [de gedaagde in conventie] in ieder geval met ingang van 23 juni 2024 in verzuim (artikel 6:83 sub a BW Pro).
De plinten werden niet afgelakt geleverd. Wegens minderwerk heeft hij een vordering op [de eiser in conventie] van € 1.815,00 (inclusief btw).
Hij heeft de montage van de plinten door derden moeten laten uitvoeren. [de eiser in conventie] dient de daarmee gemoeide kosten ad € 2.778,93 aan hem te vergoeden, aldus [de gedaagde in conventie] .
De kozijnen werden wel geplaatst, maar niet afgesteld. Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 weigerde om de kozijnen af te (laten) stellen, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. Daarom ontbindt [de gedaagde in conventie] de overeenkomst voor dit gedeelte en maakt hij ter zake van minderwerk aanspraak op creditering van een bedrag van € 5.445,00.
[de gedaagde in conventie] verkeerde voordat hij de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 naar [de eiser in conventie] stuurde in verzuim. Daarom kon [de eiser in conventie] niet meer in verzuim geraken en kan [de gedaagde in conventie] jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak maken op schadevergoeding en de kosten van herstel.
€ 8.934,66+
€ 66.620,65 in rekening. Dat is € 15.081,34 meer dan de afgegeven koopprijs.
De offerte vermeldt expliciet dat de daarin opgenomen bedragen exclusief btw zijn. Op dezelfde gronden als hiervoor reeds is overwogen, mocht [de eiser in conventie] btw in rekening brengen, ondanks dat in de offerte van 18 maart 2024 het (wettelijk) btw-percentage en het exacte bedrag aan btw niet werden vermeld.
12 december 2023 geplaatst. Op 13 december 2023 begreep hij van de stukadoor dat deze direct in januari 2024 zou beginnen. De steigers waren daarvoor al nodig voor de dakdekkers en de stelkozijnen omdat dat werk niet van binnenuit gedaan kon worden.
Het feit dat de door [de gedaagde in conventie] ingeschakelde stukadoor -in afwijking van de eerder door hem aan [de eiser in conventie] aangegeven planning- niet vóór de kerstvakantie is begonnen met het stucwerk, komt voor rekening en risico van [de gedaagde in conventie] . Dit betekent dat [de gedaagde in conventie] jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak kan maken op terugbetaling van voormeld bedrag.
€ 2.064,09 in rekening. [de gedaagde in conventie] heeft de factuur betaald. Het bedrag van € 2.064,09 is door hem onverschuldigd betaald. [de gedaagde in conventie] maakt aanspraak op terugbetaling van dit bedrag.
[de eiser in conventie] vermeldde de exacte btw bedragen niet. Ook vermeldde [de eiser in conventie] niet welk btw-percentage over het zetwerk en de stalen hoeken van toepassing zou zijn. [de eiser in conventie] handelde daarmee in strijd met artikel 38 van Pro de Wet op de Omzetbelasting. Er was tevens sprake van een misleidende omissie als bedoeld in artikel 6:193d lid 2 BW omdat daarmee essentiële informatie werd weggelaten, wat als een oneerlijke handelspraktijk van [de eiser in conventie] kwalificeert.
€ 4.012,50 voor het zetwerk en nog eens € 4.160,00 voor stalen hoeken. In totaal heeft [de eiser in conventie] een bedrag van € 20.347,50 vermeerderd met btw in rekening gebracht, dus totaal € 24.620,48. [de gedaagde in conventie] heeft beide facturen voldaan. [de gedaagde in conventie] heeft een bedrag van € 4.420,48 (€ 24.620,48 - € 20.200,00) onverschuldigd betaald en [de eiser in conventie] moet dit bedrag aan hem voldoen, aldus [de gedaagde in conventie] .
[de eiser in conventie] heeft een (tijdelijke) kap over het gebouw die diende om te voorkomen dat
Van feitelijke macht in de hier bedoelde zin is sprake als afgifte in de zin van artikel 3:290 BW Pro van de molen en de aanbouw door [de eiser in conventie] nodig is om haar weer in de macht van [de gedaagde in conventie] te brengen. Daarvoor is nodig dat [de eiser in conventie] een zodanige feitelijke macht over de zaak heeft dat de molen en de aanbouw voor [de gedaagde in conventie] of een derde ontoegankelijk is, waarbij die situatie een normaal gevolg is van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst. Dit betekent dat de zeggenschap die [de eiser in conventie] over de molen en de aanbouw heeft, moet voortvloeien uit zijn op dat moment lopende werkzaamheden ter uitvoering van de aannemingsovereenkomst, dat deze zeggenschap de toegang door [de gedaagde in conventie] tot de molen en de aanbouw moet betreffen en dat deze zeggenschap exclusief aan [de eiser in conventie] moet toekomen. Het retentierecht kan ook worden uitgeoefend op een gedeelte van de onroerende zaak (HR 5 december 2003, LJN AL8440, NJ 2004, 340).
Toen [de eiser in conventie] zijn retentierecht uitoefende, had hij zijn werkzaamheden al ongeveer twee maanden stil gelegd en hadden andere aannemers nog steeds toegang tot het werk.
Zo [de eiser in conventie] al ooit de feitelijke macht heeft gehad over de molen en de aanbouw, had zij die macht op het moment van uitoefening van het retentierecht in ieder geval niet meer.
a. oplevercilinders en hangsloten ad € 746,57 (inclusief btw),
[de gedaagde in conventie] heeft overigens gemotiveerd betwist dat [de eiser in conventie] de door hem opgevoerde kosten heeft gemaakt en daarop heeft [de eiser in conventie] niet meer gereageerd. Dit onderdeel van de vordering wordt dus afgewezen.
- de 9e termijn factuur ad € 28.447,52,
- de 10e termijn factuur ad € 20.223,76.
- bij: saldo meerwerk € 45.597,30
- af: saldo minderwerk/besparingen
Voor zover hij aan [de eiser in conventie] nog enige betaling schuldig zou zijn, verrekent hij het verschuldigde bedrag met hetgeen hij nog van [de eiser in conventie] te vorderen heeft.
€ 74.867,34 inclusief btw.
[de gedaagde in conventie] voert aan dat hier sprake is van een oneerlijk beding in de zin van de EU Richtlijn 93/13, mede gelet op de hoogte van de bedongen rente van 2% extra, volgens [de gedaagde in conventie] :
per maand, die ruim boven de wettelijke rente ligt. [de gedaagde in conventie] doet een beroep op vernietiging van artikel 11 lid 1 AVA Pro 2013 en verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:691).
per maand[cursivering rechtbank] wordt verhoogd. Daarom is de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad ook niet relevant. Het artikellid van de AVA 2013 houdt in dat het wettelijk rentepercentage wordt verhoogd met 2. En het wettelijk rentepercentage wordt berekend op
jaarbasis.