ECLI:NL:RBGEL:2026:271

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
ARN 25/2318
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Handhaving tegen natuurcamping en reikwijdte van het handhavingsverzoek

Deze uitspraak betreft de gedeeltelijke toe- en afwijzing van een handhavingsverzoek tegen de natuurcamping aan de [locatie] in [plaats], die wordt uitgebaat door derde-partij. Eiser, die tegenover de camping woont, is het niet eens met de gedeeltelijke afwijzing van zijn verzoek en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft de zaak beoordeeld aan de hand van de beroepsgronden van eiser en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst. De rechtbank oordeelt dat de beslissing op bezwaar in stand blijft, wat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond is. De rechtbank legt uit dat het handhavingsverzoek van eiser onvoldoende concreet was en dat het college terecht heeft besloten om de handhaving te beperken tot de natuurtoren. De rechtbank concludeert dat er zicht op legalisatie is voor de andere onderdelen van het handhavingsverzoek, waardoor handhaving op die onderdelen niet noodzakelijk is. De rechtbank behandelt ook de verlenging van de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom, waar eiser bezwaar tegen heeft gemaakt. De rechtbank oordeelt dat het college de verlenging terecht heeft doorgevoerd, omdat er nog geen zekerheid is over de vergunningaanvraag. De uitspraak eindigt met de conclusie dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2318

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst

(gemachtigde: mr. F. van Sintmaartensdijk).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij], uit [plaats] (derde-partij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke toe- en afwijzing van het handhavingsverzoek tegen natuurcamping ‘[naam camping]’ (de natuurcamping) aan de [locatie] in [plaats] dat wordt uitgebaat door derde-partij. Eiser woont tegenover de natuurcamping en is het niet eens met de gedeeltelijke afwijzing van zijn handhavingsverzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van het college.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beslissing op bezwaar in stand blijft. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak en onder 3 wat er is gebeurd. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen.
  • Heeft het college de handhaving kunnen beperken tot de natuurtoren?
  • Heeft het college de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom kunnen verlengen?
Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. In 2020 heeft het college het voornemen gehad om een last onder dwangsom aan derde-partij op te leggen voor overtredingen op de natuurcamping. Vervolgens heeft derde-partij een totaalplan voor de natuurcamping ontwikkeld ter legalisatie van diverse activiteiten. In juli 2023 is een concept-totaalplan voor de natuurcamping opgesteld. In november 2023 is dat concept voorgelegd aan de omwonenden. Vervolgens heeft het college op 2 april 2024 een principebesluit genomen om ten behoeve van het totaalplan de agrarische functie te wijzigen in recreatie en natuur. Eiser is het niet eens met de activiteiten op de natuurcamping en heeft op 20 augustus 2024 verzocht om hiertegen handhavend op te treden. Na een gesprek met eiser heeft het college het handhavingsverzoek geconcretiseerd tot de natuurtoren, de verhuur van kampeerplekken buiten de toegestane periode en de activiteiten op de natuurcamping.
2.1.
Op 4 december 2024 heeft het college het verzoek van eiser om handhaving gedeeltelijk toe- en afgewezen. De toewijzing ziet op handhaving tegen de zonder omgevingsvergunning gebouwde natuurtoren. [1] De afwijzing ziet op de verhuur van de kampeerplekken buiten de toegestane periode omdat het college geen overtreding heeft geconstateerd. Ook de activiteiten op de camping leveren volgens het college geen overtreding van enige wet- en regelgeving op.
2.2.
Op 20 januari 2025 heeft het college een last onder dwangsom aan derde-partij opgelegd vanwege de aanwezige natuurtoren op de bestemming ‘Agrarisch’ zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Derde-partij dient binnen zestien weken de natuurtoren te verwijderen en verwijderd te houden, anders verbeurt hij een dwangsom van een dwangsom van € 1.875 per week met een maximum van € 30.000.
2.3.
Op 24 april 2025 heeft derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren en uitbreiden van bestaande bebouwing en het bouwen van bijgebouwen op de natuurcamping.
2.4.
Bij besluit van 25 april 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college de gedeeltelijke toe- en afwijzing van het handhavingsverzoek (zie 2.2.) en de last onder dwangsom (zie 2.3.) in stand gelaten, met aanvulling van de motivering. Voor zover de afwijzing ziet op de verhuur van de kampeerplekken buiten de toegestane periode van 15 maart tot en met 31 oktober, en de uitbreiding van de activiteiten op de natuurcamping – wat ook deels strijdig is met het omgevingsplan – is er wel sprake van een overtreding van het omgevingsplan [2] , maar het college handhaaft hierop niet omdat er zicht op legalisering bestaat vanwege de ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning.
2.5.
Op 13 mei 2025 heeft het college de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom verlengd tot en met 21 november 2025 omdat het college verwacht voor die datum een beslissing te hebben genomen over de vergunningsaanvraag.
2.6.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 25 april 2025 en tegen de verlenging van de begunstigingstermijn.
2.7.
Op 27 mei 2025 heeft de rechtbank het beroep tegen de verlenging van de begunstigingstermijn doorgezonden aan het college om als bezwaar te behandelen.
2.8.
Op 23 oktober 2025 heeft het college besloten de verlenging van de begunstigingstermijn in stand te laten met aanvulling van de motivering.
2.9.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.10.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
2.11.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn echtgenote, de gemachtigde van het college en derde-partij.
2.12.
Na de zitting heeft eiser een bericht aan de rechtbank gestuurd. De rechtbank heeft daarin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de beslissing op bezwaar aan de hand van de beroepsgronden van eiser en naar de stand van zaken op 25 april 2025 namelijk het moment van het nemen van de beslissing op bezwaar.
Heeft het college de handhaving kunnen beperken tot de natuurtoren?
4. Eiser betoogt dat het college ten onrechte niet handhaaft tegen de volgende onderdelen:
  • openingstijden die leiden tot openstelling gedurende het hele jaar;
  • een oldtimer-evenement;
  • bruiloften;
  • kampeervoorzieningen op agrarische gronden, ook nog op grond van de buren;
  • het ontbreken van een landschapsplan;
  • overwoekering van de natuur door de bamboe en Japanse duizendknoop ter plaatse, wat strijdig is met het natuurgebied van het Gelders Natuurnetwerk waarin de natuurcamping ligt.
Reikwijdte van het handhavingsverzoek
4.1.
De reikwijdte van een handhavingsverzoek is bepalend voor de omvang van het geding. [3] De reikwijdte hiervan kan na het eerste besluit niet meer worden uitgebreid. [4] In dit geval is dat het besluit van 4 december 2024.
4.2.
In zijn handhavingsverzoek van 20 augustus 2024 verzoekt eiser te handhaven tegen de natuurcamping, zonder concreet te maken op welke overtredingen zijn handhavingsverzoek ziet. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het college gesproken met eiser en is het handhavingsverzoek van eiser geconcretiseerd tot drie punten:
  • de natuurtoren,
  • de verhuur van kampeerplekken buiten de toegestane periode
  • de activiteiten op de natuurcamping.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat het handhavingsverzoek van eiser onvoldoende concreet was. Dat eiser in zijn verzoek in algemene zin naar een eerder verzoek om handhaving heeft verwezen, betekent niet dat de inhoud van dat verzoek daarmee onderdeel van de procedure is geworden. [5] Het college heeft terecht het handhavingsverzoek van eiser geconcretiseerd naar aanleiding van het gesprek dat het college met eiser heeft gehad en op deze drie onderdelen beslist in het primaire besluit. De omvang van het geding is daarom beperkt tot de drie genoemde onderdelen. Omdat het handhavingsbesluit na het besluit van 4 december 2024 niet kan worden uitgebreid, kan de rechtbank niet oordelen over hetgeen eiser naar voren heeft gebracht over bijvoorbeeld de kampeervoorzieningen op agrarische gronden, over het ontbreken van een landschapsplan en over de bamboekwekerij.
4.4.
Over de onderdelen van het handhavingsverzoek waarover het college constateert dat er sprake is van een overtreding van het omgevingsplan, maar waarvoor wordt afgezien van handhaving – de verhuur van kampeerplekken buiten de toegestane periode en de activiteiten op de natuurcamping – overweegt de rechtbank als volgt.
Toetsingskader voor handhaving
4.5.
Op grond van vaste rechtspraak heeft het college een beginselplicht tot handhaving. [6] De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door handhavend op te treden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving. Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet de rechtbank beoordelen of handhavend optreden onevenredig is. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
4.6.
Voor de uitbreiding van de activiteiten op de natuurcamping en de verhuur van kampeerplekken buiten de toegestane periode is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid om van handhaving af te zien, namelijk zicht op legalisatie. Op 24 april 2025, een dag voor de beslissing op bezwaar, is er een omgevingsvergunning aangevraagd die voorziet in legalisering van deze onderdelen. Het indienen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning is in dit geval een reden om van handhaving af te zien. Dat betekent dat het college de handhaving terecht heeft beperkt tot de natuurtoren. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom kunnen verlengen?
5. De rechtbank heeft het beroep tegen de verlenging van de begunstigingstermijn aan het college toegezonden om te behandelen als bezwaarschrift. [7] De beslissing op bezwaar van 23 oktober 2025 is in de procedure gebracht. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht maakt de beslissing op bezwaar deel uit van de beroepsprocedure.
5.1.
Eiser betoogt dat hij het niet eens is met een verlenging van de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom.
5.2.
Het college heeft in de beslissing op bezwaar geconcludeerd dat het bezwaar van eiser geen doel treft. Tijdens de hoorzitting heeft eiser niet nader toegelicht waarom hij tegen de verlenging van de begunstigingstermijn is. Voor zover eiser bezwaar heeft geuit, heeft dat betrekking op het handhavingsbesluit. Verder heeft het college nader uitgelegd waarom het college tot verlenging van de begunstigingstermijn is overgegaan. Hoewel er door de indiening van de vergunningsaanvraag zicht is op legalisatie, is niet 100% zeker dat de vergunning wordt verleend. Daarom vindt het college een verlenging van de begunstigingstermijn zuiverder dan niets doen of de last onder dwangsom intrekken.
5.3.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij het niet eens is met de verlenging van de begunstigingstermijn. Ook in de bezwaarfase is niet duidelijk geworden waarom eiser het niet eens is met de verlenging van de begunstigingstermijn. Het enkele feit dat eiser tegen het gehele totaalplan is, is geen nadere motivering waarom hij tegen verlenging van de begunstigingstermijn is. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom in stand blijft en dat het college terecht de handhaving heeft beperkt tot de natuurtoren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Overtreding van artikel 5.1 eerste lid aanhef en onder a van de Omgevingswet, artikel 4.3 eerste lid van het omgevingsplan (gebruik en in stand houden van een bouwwerk) en artikel 3 van bestemmingsplan Buitengebied (geconsolideerde versie) dat deel uitmaakt van het omgevingsplan van de gemeente Voorst.
2.Overtreding van artikel 5.1 eerste lid aanhef en onder a van de Omgevingswet, artikel 4.1 eerste lid van het omgevingsplan (gebruik) en artikel 3 van bestemmingsplan Buitengebied (geconsolideerde versie) dat deel uitmaakt van het omgevingsplan van de gemeente Voorst.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1998 onder 5.2.
4.ABRvS van 4 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2553.
5.ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2695.
6.Zie bijvoorbeeld ABRvS van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678 onder 6.1.
7.Mede gebaseerd op artikel 6:19 vijfde lid van de Awb.