Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2491

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
452125
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen geslaagd beroep op verkrijgende of bevrijdende verjaring van strook grond

Deze civiele bodemzaak betreft een geschil over de eigendom van een strook grond rondom de erfgrens tussen de percelen van eiser en gedaagden. Na een erfgrensreconstructie door het kadaster op 26 augustus 2024, vordert eiser een verklaring voor recht dat de perceelsgrens is zoals vastgesteld door het kadaster. Gedaagden vorderen in reconventie een verklaring voor recht dat zij eigenaar zijn van de betwiste strook grond op grond van verkrijgende of bevrijdende verjaring.

De rechtbank stelt vast dat gedaagden sinds 2019 eigenaar zijn van aangrenzende percelen en dat de afrastering die de feitelijke grens bepaalt al sinds 1994 op dezelfde plaats staat. Gedaagden gebruiken de strook onder andere als looppad langs hun paardenbak. Echter, de rechtbank oordeelt dat het gebruik en de afrastering niet kwalificeren als bezitsdaden die nodig zijn voor verjaring. Het feitelijke gedrag van gedaagden en hun rechtsvoorgangers geeft niet duidelijk te kennen dat zij als eigenaar wilden optreden.

Daarmee is geen termijn aangevangen voor verkrijgende of bevrijdende verjaring. De kadastrale grens blijft de juridische eigendomsgrens, waardoor de vordering van eiser wordt toegewezen en de vorderingen van gedaagden worden afgewezen. Een aanvullende vordering van eiser tot verwijdering van zaken op de grens wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad voor de verklaring voor recht, wel voor de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de kadastrale grens als eigendomsgrens en wijst het beroep op verjaring af.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/452125 / HA ZA 25-225
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[naam eisend bedrijf in conventie / verwerend in reconventie] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser in conventie] ,
advocaat: mr. E. Vels-Turan,
tegen

1.[naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden in conventie] ,
advocaat: mr. F.A.R. van den Berg.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 5 november 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 februari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1.
Deze zaak gaat over een strook grond rondom de erfgrens tussen de percelen van [eiser in conventie] en [gedaagden in conventie] Op 26 augustus 2024 heeft een erfgrensreconstructie plaatsgevonden door het kadaster. Volgens [eiser in conventie] volgt daaruit dat een strook grond, die nu in gebruik is bij [gedaagden in conventie] (hierna: de betwiste strook grond) tot haar perceel behoort. Daarom vordert zij in conventie een verklaring voor recht dat de perceelsgrens tussen de percelen van partijen is zoals deze door het kadaster is opgemeten tijdens de erfgrensreconstructie. [gedaagden in conventie] doen een beroep op verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring en vorderen in reconventie een verklaring voor recht dat zij eigenaar zijn van de betwiste strook grond.
2.2.
De rechtbank komt tot de conclusie dat [gedaagden in conventie] geen geslaagd beroep kunnen doen op verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring, omdat [gedaagden in conventie] onvoldoende hebben onderbouwd dat door hen dan wel hun rechtsvoorgangers sprake is geweest van inbezitneming van de betwiste strook grond. Dat betekent dat de vordering in conventie grotendeels wordt toegewezen en dat de vorderingen in reconventie worden afgewezen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissingen is gekomen.

3.De beoordeling

3.1.
Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie met elkaar samenhangen, zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld.
Geen geslaagd beroep op verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring door [gedaagden in conventie]
3.2.
Op 14 mei 2024 is [eiser in conventie] eigenaar geworden van een perceel gelegen nabij de [straatnaam] in [plaatsnaam] , kadastraal bekend als [kadaster-registratie 1] . Dit perceel grenst aan de percelen van [gedaagden in conventie] , kadastraal bekend als [kadaster-registratie 2] . [gedaagden in conventie] zijn sinds 11 juli 2019 eigenaar van deze percelen. Op 26 augustus 2024 heeft een erfgrensreconstructie plaatsgevonden door het kadaster. Partijen zijn het erover eens dat de erfgrens die hierin is vastgesteld op een andere plaats loopt dan de afrastering die nu bepaalt hoe de percelen van partijen feitelijk in gebruik zijn. Deze afrastering loopt over het perceel 226 en daardoor is een deel van dat perceel nu feitelijk in gebruik is bij de eigenaren van de percelen 415 en 416. [gedaagden in conventie] gebruiken de betwiste strook grond onder andere om met paarden langs de paardenbak die op hun perceel ligt te lopen. Partijen zijn het er over eens dat de afrastering al sinds in elk geval 1994 op dezelfde plaats staat. Partijen hebben ter zitting toegelicht dat de betwiste strook grond vanaf de schuur op het perceel van [gedaagde in conventie 1] ongeveer 40 (volgens [gedaagden in conventie] ) a 60 centimeter (volgens [eiser in conventie] ) breed is en tot het eind van de percelen wijder uitloopt naar ongeveer 160 centimeter breed. De lengte van de strook is volgens [gedaagden in conventie] ongeveer 80 meter lang.
3.3.
Kern van de zaak is de vraag of [gedaagden in conventie] door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar zijn geworden van de betwiste strook grond. Voor verkrijgende verjaring is op grond van artikel 3:99 BW Pro vereist dat [gedaagden in conventie] (dan wel hun rechtsvoorganger(s)) 10 jaar onafgebroken bezitter zijn geweest van de betwiste strook grond en dat dit bezit te goeder trouw is verkregen. Ook voor een beroep op bevrijdende verjaring is vereist dat de rechtsvoorgangers de betwiste strook grond in bezit hebben genomen. Voor bezit is noodzakelijk dat de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Daarbij gaat het niet om wat zich in het hoofd van betrokkenen heeft afgespeeld, maar wat er feitelijk is gebeurd. Voor iedere buitenstaander moet duidelijk zijn dat de ander acties heeft verricht waaruit blijkt dat hij eigenaar is van het perceel en het moet voor de eigenaar tegen wie de verjaring loopt ook zodanig duidelijk zijn dat hij tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. [1]
3.4.
[gedaagden in conventie] hebben als daden van inbezitneming gewezen op het aanwezig zijn van de afrastering en het dagelijks gebruik van de betwiste strook grond als looppad langs de manegebak. Deze afrastering staat er in elk geval al sinds 1994 en hebben [gedaagden in conventie] samen met de rechtsvoorganger van [eiser in conventie] , [naam] , in 2021 vernieuwd en op dezelfde plaats herplaatst, aldus [gedaagden in conventie]
3.5.
Deze omstandigheden duiden weliswaar op langdurig gebruik van de betwiste strook grond door [gedaagden in conventie] en hun rechtsvoorganger(s), maar kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet als bezitsdaad worden aangemerkt. Dat [gedaagden in conventie] en mogelijk ook hun rechtsvoorganger de betwiste strook grond altijd als onderdeel van hun perceel hebben beschouwd, is zoals hiervoor onder 3.3. in het kader is geschetst niet relevant. Het gaat immers niet om wat zich in de hoofden van de betrokkenen heeft afgespeeld, maar wat er feitelijk is gebeurd. [eiser in conventie] dan wel haar rechtsvoorganger hebben uit het aanwezig zijn dan wel het herplaatsen van de afrastering en het gebruik van de betwiste strook grond als looppad niet zonder meer een wilsuiting van (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden in conventie] om als bezitter op te treden kunnen afleiden. Het kan ook niet als het prijsgeven van het bezit door [eiser in conventie] en haar rechtsvoorganger worden gezien. Het duidt naar het oordeel van de rechtbank enkel op gebruik van de betwiste strook grond en voor inbezitneming is meer nodig, zoals bijvoorbeeld het bebouwen ervan of het plaatsen van een ondoordringbare afscheiding.
3.6.
Omdat hetgeen [gedaagden in conventie] hebben aangevoerd niet kan leiden tot de conclusie dat (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden in conventie] de betwiste strook grond in bezit hebben genomen, is nooit een termijn aangevangen die had kunnen leiden tot verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring. [gedaagden in conventie] zijn dus niet door verjaring eigenaar geworden van de betwiste strook grond.
Conclusie
3.7.
Omdat [gedaagden in conventie] geen beroep toekomt op verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring, geldt het uitgangspunt dat de kadastrale grens tussen de percelen van partijen de juridische eigendomsgrens is. Dat betekent dat de betwiste strook grond in eigendom toebehoort aan [eiser in conventie] en dat de gevorderde verklaring voor recht dat de perceelsgrens is zoals deze door het kadaster is opgemeten, wordt toegewezen. De vorderingen in reconventie zullen worden afgewezen.
3.8.
[eiser in conventie] vordert in conventie daarnaast om [gedaagden in conventie] te veroordelen om alles wat zich op- en/of over de perceelsgrens bevindt te verwijderen en dit verwijderd te houden binnen veertien dagen na datum vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom. [eiser in conventie] heeft echter niet onderbouwd wat zich op de betwiste strook grond bevindt wat [gedaagden in conventie] zou moeten verwijderen en dit is ook op andere wijze niet duidelijk geworden. De rechtbank ziet dan ook niet in welk belang [eiser in conventie] heeft bij deze vordering, zodat dit deel van de vordering zal worden afgewezen.
3.9.
Omdat de verklaring voor recht slechts een rechtstoestand vaststelt, die gelijk is aan de vastgestelde kadastrale grens en in dit geval niet dwingt tot een actie, wordt het vonnis ten aanzien van de gevraagde verklaring voor recht niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Proceskosten
3.10.
[gedaagden in conventie] worden in conventie en in reconventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser in conventie] worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.959,00
(3 punten × € 653,00)
- nakosten
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.969,00
3.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.12.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1.
verklaart voor recht dat de perceelsgrens tussen de percelen [kadasternummer] , [kadasternummer] en [kadasternummer] is zoals deze door het kadaster is opgemeten tijdens de erfgrensreconstructie van 26 augustus 2024 en zoals deze is weergegeven in het door het kadaster opgemaakte relaas van bevindingen van 30 april 2025,
4.2.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
4.3.
wijst de vorderingen van [gedaagden in conventie] af,
in conventie en in reconventie
4.4.
veroordeelt [gedaagden in conventie] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.969,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden in conventie] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5.
veroordeelt [gedaagden in conventie] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, vanaf de vijftiende dag na aanschrijving tot aan de dag van volledige betaling,
4.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Keijzer en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
822