Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2403

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
ARN 25_2323 e.a.
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:9 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:41a AwbArt. 8:72 AwbArt. 2.1 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke beoordeling omgevingsvergunning tijdelijke units kinderopvang in strijd met bestemmingsplan

De rechtbank Gelderland behandelde beroepen tegen een omgevingsvergunning verleend aan een kinderopvangorganisatie voor het plaatsen en gebruiken van tijdelijke units op het terrein van een basisschool in Lochem. De vergunning betrof een periode van vijf jaar en omvatte ook het verplaatsen van een fietsenberging en het aanleggen van parkeerplaatsen.

De familie en andere belanghebbenden maakten bezwaar tegen het besluit, onder meer omdat zij meenden dat de wijzigingen in de aanvraag niet van ondergeschikte aard waren, het project niet tijdelijk was, en het gebruik van de units in strijd was met het bestemmingsplan. De rechtbank oordeelde dat de wijziging van de aanvraag niet ondergeschikt was en dat het college ten onrechte de belanghebbenden niet had gehoord over de wijzigingen, maar dat deze gebreken niet tot schade leidden en daarom konden worden gepasseerd.

Verder oordeelde de rechtbank dat het gebruik van de units voor kinderopvang wel is toegestaan binnen de bestemming 'Maatschappelijk' en dat het college ten onrechte had geconcludeerd dat het gebruik in strijd was met het bestemmingsplan. De bouw van de units was echter wel in strijd met de bouwregels van het bestemmingsplan, waardoor de vergunning alsnog vergunningplichtig is. De rechtbank liet de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar, met uitzondering van een geluidsvoorschrift, in stand.

De rechtbank wees ook bezwaren over parkeeronderzoek en brandveiligheid af, en bepaalde dat het college het griffierecht aan de familie en de kinderopvangorganisatie moest vergoeden, en het college tevens proceskosten aan de kinderopvangorganisatie moest betalen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar over het gebruik van de units wegens strijd met het bestemmingsplan, maar laat de rechtsgevolgen grotendeels in stand en wijst proceskosten toe aan de kinderopvangorganisatie.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/2323, 25/2343 en 25/2355

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen
ARN 25/2323

[persoon A] en [persoon B], uit [plaats 1], familie [achternaam 1]

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem, het college

(gemachtigde: E. Nijhuis).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam bedrijf], uit [plaats 2], [naam bedrijf]

(gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland).
ARN 25/2343

[naam bedrijf], uit [plaats 2], [naam bedrijf]

(gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem, het college

(gemachtigde: E. Nijhuis).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
[persoon A] en [persoon B], uit [plaats 1], familie [achternaam 1]
[persoon C], uit [plaats 1],
(gemachtigde: mr. K.A. Luehof),
[persoon D] & [persoon E],uit [plaats 1]
[persoon F] en [persoon G],uit [plaats 1], familie [achternaam 2]
ARN 25/2355
[persoon C], uit [plaats 1], eiseres
(gemachtigde: mr. K.A. Luehof),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem, het college

(gemachtigde: E. Nijhuis).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam bedrijf]uit [plaats 2], vergunninghouder
(gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van de familie [achternaam 1], [naam bedrijf] en [persoon C] tegen de beslissing van het college om aan [naam bedrijf] een omgevingsvergunning te verlenen voor het tijdelijk plaatsen en gebruiken van twee units op het terrein van een basisschool in [plaats 1] ten behoeve van kinderopvang.
1.1.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de familie [achternaam 1], [persoon H] namens [naam bedrijf] en de gemachtigde van [naam bedrijf], [persoon C], de gemachtigde van het college, [persoon E] en de familie [achternaam 2]. De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig behandeld met de beroepen in zaaknummers 25/2320 en 25/2353.

Procesverloop

2. [naam bedrijf] is een kinderopvangorganisatie die op verschillende locaties kinderopvang aanbiedt, waaronder in de [naam school] aan de [locatie] in [plaats 1] (de basisschool). Op 21 december 2023 heeft [naam bedrijf] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen en gebruiken van units voor een periode van 5 jaar ten behoeve van kinderopvang, het verplaatsen van een fietsenberging en het aanleggen van extra parkeerplaatsen op het perceel van de basisschool (het perceel).
2.1.
Het perceel is gesitueerd binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘Kern Epse 2010’ (het bestemmingsplan) en heeft de bestemming ‘Maatschappelijk’ en de functieaanduiding ‘onderwijs’. Verder is het perceel gelegen binnen de grenzen van het parapluplan ‘Parkeernormen’.
2.2.
Op 15 februari 2024 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten: ‘bouwen’ [1] en ‘handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening’ [2] (het primaire besluit).
2.3.
De familie [achternaam 1], [persoon C] en [achternaam 2] hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
2.4.
Op 30 mei 2024 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden bij de Commissie bezwaarschriften van de gemeente Lochem (de bezwaarschriftencommissie) over de hiervoor genoemde bezwaren. Tijdens deze hoorzitting hebben de partijen de mogelijkheid gekregen hun standpunten naar voren te brengen.
2.5.
Op 15 januari 2025 heeft het college een rectificatie in het Gemeenteblad geplaatst. Het college heeft laten optekenen dat bij het publiceren van de eerdere omgevingsvergunning op 28 februari 2024 niet is gepubliceerd dat ook besloten is dat voor het plaatsen van twee tijdelijke units voor een periode van vijf jaar en voor het plaatsen van het hekwerk geen omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouw’ nodig is. In deze rectificatie is opgenomen dat wanneer een belanghebbende het niet eens is met het besluit dat voor het plaatsen van het hekwerk geen omgevingsvergunning ‘bouw’ nodig is, hiertegen nog bezwaar kan worden ingediend. Voor de overige onderdelen van de omgevingsvergunning geldt dit niet. De familie [achternaam 1] heeft vervolgens op 25 februari 2025 tegen deze rectificatie bezwaar ingediend. [3]
2.6.
Op 11 maart 2025 heeft er nogmaals een hoorzitting plaatsgevonden bij de bezwaarschriftencommissie waar de partijen wederom zijn gehoord.
2.7.
[naam bedrijf] heeft op 11 april 2025 een wijziging van het primaire besluit aangevraagd en een nieuwe en gewijzigde ruimtelijke onderbouwing ingediend (de gewijzigde aanvraag). [naam bedrijf] heeft verzocht om de toestemming voor het verplaatsen van de fietsenberging en het plaatsen van het hekwerk te laten vervallen. Verder heeft [naam bedrijf] verzocht om het aantal (extra) aan te leggen parkeerplaatsen te wijzigen naar 21. Bij de nieuwe en gewijzigde ruimtelijke onderbouwing zijn onder meer een akoestisch onderzoek (d.d. 10 april 2025), een verkeersnotitie (d.d. 9 april 2025) en een parkeernotitie (d.d. 9 april 2025) als bijlagen toegevoegd.
2.8.
In de beslissing op de bezwaren van de familie [achternaam 1], [persoon C] en de familie [achternaam 2] van 15 april 2025 heeft het college het primaire besluit herroepen (de beslissing op bezwaar) wat betreft het plaatsen van het hekwerk en het verplaatsen van de fietsenberging. Voor het overige wordt de omgevingsvergunning in stand gelaten. Daarnaast worden aanvullende voorschriften verbonden aan de omgevingsvergunning.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de beslissing op bezwaar aan de hand van de argumenten die de familie [achternaam 1], [naam bedrijf] en [persoon C] hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De voor de beoordeling van de beroepen van belang zijnde wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
4. De rechtbank verklaart het beroep van [naam bedrijf] gegrond en het beroep van de familie [achternaam 1] en [persoon C] ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Leeswijzer

5. De rechtbank bespreekt eerst het overgangsrecht met betrekking tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna gaat de rechtbank in op de beroepsgronden waarin de familie [achternaam 1] stelt dat de gewijzigde aanvraag geen ondergeschikte wijziging is en zij ten onrechte daarover niet nader is gehoord. Daaropvolgend zal de rechtbank de beroepsgronden beoordelen waarin de familie [achternaam 1] betoogt dat geen sprake is van een project met een tijdelijk karakter en het college niet afdoende heeft gemotiveerd wat de omvang van het bouwperceel is. Vervolgens gaat de rechtbank in op de beroepsgrond van [naam bedrijf] waarin zij betoogt dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat het gebruik van de units op het perceel in strijd is met het bestemmingsplan. Aansluitend daarop zal de rechtbank beoordelen of de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand kunnen blijven. Daarbij zal de rechtbank beoordelen of de realisatie van de units in strijd is met de bouwregels uit het bestemmingsplan en beoordelen of is voldaan aan de parkeernormen uit het parapluplan en verschillende brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit).
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
6.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 21 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Heeft het college ten onrechte geconcludeerd dat sprake is van een ondergeschikte wijziging en familie [achternaam 1] ten onrechte hierover niet gehoord?
7. De familie [achternaam 1] betoogt dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de wijzigingen die door [naam bedrijf] zijn aangevraagd in de gewijzigde aanvraag van ondergeschikte aard zijn. De familie [achternaam 1] stelt dat de wijzigingen het project wezenlijk hebben veranderd en van een zodanige ingrijpende aard zijn dat deze wijzigingen niet meer passen binnen de kaders van een heroverweging. Verder stelt de familie [achternaam 1] dat het college in strijd heeft gehandeld met artikel 7:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat zij ten onrechte niet is gehoord over de aangevraagde wijzigingen en de daarbij behorende stukken.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat [naam bedrijf] in haar eerste aanvraag van 21 december 2023 de volgende activiteiten heeft aangevraagd: plaatsen van units voor een periode van 5 jaar; het verplaatsen van een fietsenberging; het aanleggen van 5 extra parkeerplaatsen; plaatsen van een hekwerk. Dit is als zodanig ook vergund in het primaire besluit.
In de gewijzigde aanvraag van 11 april 2025 heeft [naam bedrijf] ervoor gekozen om geen toestemming meer te verlangen voor het verplaatsen van de fietsenberging en het plaatsen van het hekwerk. Verder heeft [naam bedrijf] verzocht om het aantal (extra) aan te leggen parkeerplaatsen te wijzigen naar 21.
7.2.
De rechtbank stelt verder vast dat de familie [achternaam 1] op 30 mei 2024 en 11 maart 2025 door de bezwaarschriftencommissie is gehoord tijdens een hoorzitting. Omstreeks 11 april 2025 heeft [naam bedrijf] een gewijzigde aanvraag met de daarbij onderliggende ruimtelijke onderbouwing ingediend bij het college. Bij deze ruimtelijke onderbouwing zijn drie adviezen gevoegd. Dit zijn achtereenvolgens het ‘Akoestisch onderzoek stemgeluid kinderen [naam bedrijf] ‘[naam opvang]’ [locatie] te [plaats 1], d.d. 10 april 2025’, ‘Notitie Verkeerssituatie planontwikkeling [locatie], [plaats 1], d.d. 9 april 2025’ en de ‘Notitie [naam bedrijf] ontwikkeling KDV en BSO [locatie] [plaats 1] parkeernotitie autoparkeerplaatsen, d.d. 9 april 2025’. Vervolgens heeft het college in de beslissing op bezwaar van 15 april 2025 beslist op de ingediende bezwaren en in deze beslissing op bezwaar de gewijzigde aanvraag door [naam bedrijf] gehonoreerd en de ruimtelijke onderbouwing met de bijbehorende adviezen aangehaald.
7.3.
Het bevoegd gezag moet volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) beslissen op de grondslag van de aanvraag om een omgevingsvergunning. [4] Aan de rechtspraak van de Afdeling kan verder worden ontleend dat het bevoegd gezag alleen in eenzelfde procedure kan beslissen op een gewijzigde aanvraag, als de aangevraagde wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. [5] Of een wijziging van ondergeschikte aard is, moet per concreet geval worden beantwoord. [6] Van belang bij de beoordeling of de wijziging van de aanvraag voor een bouwplan van ondergeschikte aard is, is het antwoord op de vraag of het bouwplan in omvang of ligging wijzigt, het gebruik of de ruimtelijke uitstraling van het oorspronkelijke bouwplan verandert of de uiterlijke verschijningsvorm ervan wijzigt. De wijziging mag in ieder geval niet leiden tot een wezenlijk ander bouwplan. [7] Met deze rechtspraak worden zowel de belangen van de aanvrager als de belangen van derden-belanghebbenden beschermd. De rechtspraak voorkomt in de eerste plaats dat de aanvrager een besluit krijgt over een ander bouwplan dan hem voor ogen stond. De rechtspraak voorkomt daarnaast dat een wezenlijk ander bouwplan wordt vergund dan het bouwplan waarvan derden-belanghebbenden op de hoogte konden zijn.
7.4.
De rechtbank overweegt dat de wijzigingen van het project bestaan uit het laten vervallen van de toestemming voor het verplaatsen van de fietsenberging, het laten vervallen van de toestemming voor het plaatsen van een hekwerk en het wijzigen van het aantal te realiseren parkeerplaatsen naar 21 in plaats van 5. Hoewel daarmee de ligging van het project niet wijzigt, is deze wijziging niet van ondergeschikte aard volgens de criteria die in de rechtspraak van de Afdeling zijn ontwikkeld. De omvang van het project wijzigt namelijk aanzienlijk, wat leidt tot een wezenlijk ander project. Zo zijn twee vergunde activiteiten vervallen en neemt de hoeveelheid parkeerplaatsen aanzienlijk toe. Het college heeft dus ten onrechte het standpunt ingenomen dat de wijziging van de aanvraag van ondergeschikte aard is. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de beslissing op bezwaar een gebrek bevat.
7.5.
Het college heeft ter zitting niet weersproken dat de familie [achternaam 1] niet in kennis is gesteld van de aangevraagde wijzigingen en de daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing. Gelet hierop heeft het college in strijd gehandeld met artikel 7:9 van Pro de Awb, door de familie [achternaam 1] hierover niet nader te horen of in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. Ook daarom is sprake van gebrek in de beslissing op bezwaar.
7.6.
De rechtbank ziet echter aanleiding om de hiervoor genoemde gebreken te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. De rechtbank acht hiertoe van belang dat de belangen van de familie [achternaam 1] en andere belanghebbenden niet zijn geschaad door de geconstateerde gebreken. Zij licht dat oordeel als volgt toe. Door de wijzigingen van de omgevingsvergunning zijn de omvang en de gevolgen van het project verminderd. Gelet daarop is niet aannemelijk dat er andere belanghebbenden zijn benadeeld. De activiteiten voor het verplaatsen van het fietshok en het hekwerk zijn namelijk komen te vervallen en er zijn extra parkeerplaatsen ingetekend voor het project, zodat ten opzichte van de eerste aanvraag de (mogelijke) parkeeroverlast die kan ontstaan voor de familie [achternaam 1] en andere omwonenden vermindert. De rechtbank acht het verder ook niet aannemelijk dat belanghebbenden zijn benadeeld door het strijdig handelen van het college met artikel 7:9 van Pro de Awb. De familie [achternaam 1] heeft bij het indienen van haar beroep de stukken waarover zij in de bezwaarfase niet is gehoord, zelf ingediend en daarmee heeft de familie [achternaam 1] voldoende de mogelijkheid gehad om haar standpunt over deze stukken naar voren te brengen in de beroepsfase. Ook andere belanghebbenden, zoals [persoon C] en de familie [achternaam 2], hebben de mogelijkheid gehad om hun standpunten over deze stukken naar voren te brengen.
Heeft het college ten onrechte geconcludeerd dat sprake is van een project met een tijdelijk karakter?
8. Familie [achternaam 1] betoogt dat het college in de beslissing op bezwaar ten onrechte heeft geconcludeerd dat sprake is van een project met een tijdelijk karakter. Familie [achternaam 1] stelt dat het college niet heeft gemotiveerd waarom sprake is van een project met een tijdelijk karakter en het project zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. De enkele stelling dat de units tijdelijk worden geplaatst volstaat niet, aldus de familie [achternaam 1]. Zo worden volgens de familie [achternaam 1] verschillende bodemingrepen verricht en bevatten de bouwtekeningen een ‘principe rioleringsplan’. [8]
8.1.
Het college voert hierover aan dat het aannemelijk is dat de units na vijf jaren kunnen worden verwijderd zonder onomkeerbare gevolgen. Het college stelt dat units kunnen worden verwijderd, waarna het betreffend gedeelte van het perceel in de oorspronkelijke staat kan worden hersteld. Verder stelt het college dat in de omgevingsvergunning geen afdwingbare garantie hoeft te worden opgenomen dat de bouwwerken na vijf jaar worden verwijderd. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst het college naar een uitspraak van de Afdeling waaruit volgens het college blijkt dat het niet aannemelijk hoeft te zijn dat het vergunde project ook daadwerkelijk zal worden beëindigd. [9]
8.2.
In de beslissing op bezwaar is onder meer het volgende voorschrift opgenomen:

7. Geldigheid omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning is geldig tot en met 27 mei 2030.’
Verder is in de beslissing op bezwaar, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

Tijdelijkheid van vijf jaar
Uit de aanvraag blijkt dat het gaat om tijdelijke bouwwerken. Voor de duur van vijf jaar.
Gelet op de aanvraag, de uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2025 (pas in gebruik zes weken na de beslissing op bezwaar) en de rechtszekerheid wordt in het kader van de heroverweging gekozen voor een specifieke einddatum. Dan weten alle partijen precies wanneer de omgevingsvergunning afloopt. Vergunningsvoorwaarde 7 vervalt en wordt vervangen door de volgende vergunningsvoorwaarde.
7. Geldigheid omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning is geldig tot en met 27 mei 2030.
Hiermee is de tijdelijkheid van deze vergunning stevig verankerd, zoals bezwaarden graag zien.
Geen onomkeerbare gevolgen
Volgens artikel 4, elfde lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) kan een tijdelijke omgevingsvergunning worden verleend voor ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar. Een belangrijke voorwaarde hierbij is dat de activiteit na de termijn kan worden beëindigd zonder onomkeerbare gevolgen. Wij zijn van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat de tijdelijke bouwwerken na afloop van de vergunningstermijn kunnen worden verwijderd, waarna het terrein in de oorspronkelijke staat kan worden hersteld.’
8.3.
Artikel 4, aanhef en elfde lid, van bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) luidt:

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking: ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.’
8.4.
De rechtbank overweegt dat voor de toepasbaarheid van artikel 4, aanhef en onderdeel 11, van bijlage II van het Bor uitsluitend is vereist dat het feitelijk mogelijk en aannemelijk is dat de vergunde activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. Niet van belang is of het aannemelijk is dat de vergunde activiteit ook daadwerkelijk na 5 jaar zal worden beëindigd. [10]
8.5.
De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die maken dat naleving van het bovengenoemde voorschrift redelijkerwijs niet te verwachten valt. Dit voorschrift biedt het college de mogelijkheid om zo nodig handhavend op te treden door [naam bedrijf] te gelasten de units van het perceel na 27 mei 2030 te verwijderen. De omstandigheden dat er bodemingrepen verricht moeten worden en een rioleringsplan is gemaakt, hebben naar het oordeel van de rechtbank niet tot gevolg dat de units zonder onomkeerbare gevolgen kunnen worden verwijderd. Voor zover de familie [achternaam 1] vreest dat in de toekomst zal worden besloten tot verdere verlenging van de termijn van 5 jaar, geeft dat geen grond voor het oordeel dat deze omgevingsvergunning nu niet verleend had mogen worden. Een besluit tot verdere verlenging van de termijn ligt in deze procedure niet voor en tegen een dergelijk besluit kan opnieuw worden opgekomen door belanghebbenden. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college ten onrechte niet gemotiveerd hoe de oppervlakte van het bouwperceel is berekend?
9. Familie [achternaam 1] betoogt dat het college ten onrechte niet kenbaar heeft gemotiveerd hoe de oppervlakte van het bouwperceel is berekend. De familie [achternaam 1] stelt dat zij zonder precieze afbakening van het bouwperceel niet kan vaststellen of aan de zogenoemde 30%-eis is voldaan, die volgt uit het bestemmingsplan. Onder verwijzing naar de rechtspraak van de Afdeling stelt de familie [achternaam 1] dat het college in haar besluitvorming niet enkel kon volstaan met de (rekenkundige) stelling dat sprake is van een bouwperceel van 8.118 m². De grond die planologisch als bouwperceel moet worden beschouwd kan niet zonder motivering gelijkgesteld worden met het hele terrein, aldus de familie [achternaam 1].
9.1.
Artikel 9.2.2 van het bestemmingsplan luidt:
‘buiten het bouwvlak
mag maximaal 30% van de oppervlakte van het bouwperceel worden bebouwd met gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, en met inachtneming van de overige bouwregels;
buiten het bouwvlak zijn de gebouwen uitsluitend toegestaan achter de lijn ter plaatse van de aanduiding "gevellijn";
buiten het bouwvlak mag de goothoogte van de gebouwen niet meer dan 3 meter bedragen en de bouwhoogte niet meer dan 5 meter, mits het gebouw op ten minste 2 meter van de zijdelingse en/of achtergrenzen van het bouwperceel is gesitueerd;
op een afstand van 2 meter of minder van de zijdelingse en achtergrenzen van het bouwperceel mag de bouwhoogte van gebouwen buiten het bouwvlak maximaal 3 meter bedragen (behoudens afwijking);
buiten het bouwvlak mag de dakhelling van een kap niet meer dan 60 graden bedragen;
buiten het bouwvlak mag de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde:
achter de lijn ter plaatse van de aanduiding "gevellijn" niet meer dan 2 meter bedragen;
vóór de lijn ter plaatse van de aanduiding "gevellijn" niet meer dan 1 meter bedragen.’
Het begrip ‘bouwperceel’ is in artikel 1 van Pro het bestemmingsplan als volgt gedefinieerd:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.’
9.2.
Blijkens de rechtspraak van de Afdeling is bij de vaststelling van de omvang van een bouwperceel de actuele situatie bepalend, waarbij in beginsel wordt uitgegaan van kadastrale percelen. Voor het antwoord op de vraag of het om één bouwperceel gaat, is daarnaast ook van belang of het om bij elkaar behorende bebouwing gaat. Het bestaan van zo’n situatie leidt ertoe dat meerdere kadastrale percelen in ruimtelijke zin als een geheel worden aangemerkt. [11]
9.3.
De rechtbank merkt vooraf op dat de gemachtigde van het college ter zitting heeft erkend dat in het verweerschrift een verkeerde berekening is overgelegd, omdat hij in het verweerschrift de oppervlakte van het bestemmingsvlak ‘Maatschappelijk’ heeft genoemd in plaats van de oppervlakte van het kadastrale perceel.
9.4.
De rechtbank overweegt dat het college heeft kunnen besluiten dat de units niet meer bedragen dan 30% van het bouwperceel dat is gelegen buiten het bouwvlak als bedoeld in artikel 9.2.2, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan. De rechtbank acht hiertoe van belang dat de units slechts een oppervlakte hebben van circa 200 m², [12] terwijl de onbebouwde buitenruimte die is gelegen achter de basisschool (kadastraal bekend als nummer 4011) een zodanige oppervlakte heeft dat op het eerste gezicht al duidelijk is dat de oppervlakte van de units niet meer bedraagt dan 30% van het bouwperceel buiten het bouwvlak, zoals te zien op onderstaande afbeelding en de afmetingen van het daarop gemarkeerde vlak. Uitgaande van de oppervlakte op dat vlak van 1.767 m², zou circa 530 m² (30% van 1.767 m²) mogen worden bebouwd. Verder heeft het gehele kadastrale perceel dezelfde bestemming en mag gelet daarop het gehele perceel bebouwd worden met bij elkaar behorende bebouwing. De stelling van de familie [achternaam 1] dat de units zelfstandig zijn, wat ook van deze stelling zij, doet niet ter zake. Het gaat namelijk om de vraag of zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing planologisch is toegestaan. Wat er daadwerkelijk wordt gerealiseerd en door wie heeft geen betekenis voor de bepaling of sprake is van één bouwperceel. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het gebruik van de units in strijd met het bestemmingsplan?
10. [naam bedrijf] betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten dat het gebruik van de gronden met de bestemming ‘Maatschappelijk’ ten behoeve van een kinderdagverblijf in strijd is met het bestemmingsplan en daarmee ten onrechte het gebruik van de units heeft gereguleerd met voorschriften.
10.1.
De familie [achternaam 1] betoogt dat het gebruik van de gronden met de bestemming ‘Maatschappelijk’ ten behoeve van een kinderdagverblijf niet is toegestaan op grond van het bestemmingsplan. De familie [achternaam 1] stelt zich op het standpunt dat de lezing van de rechtbank in haar uitspraak van 1 juli 2025 onjuist is en artikel 9.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan wel exclusief gelezen moet worden. Dit ontleent de familie [achternaam 1] onder meer aan artikel 27 van Pro het bestemmingsplan. Verder stelt de familie [achternaam 1] dat de aanvraag van [naam bedrijf] niet volledig was, omdat het gebruik van de buitenruimte bij de units ten onrechte hierin niet is aangevraagd.
10.2.
Het college voert hierover aan dat in het primaire besluit en in de beslissing op bezwaar ten onrechte is besloten dat het door [naam bedrijf] aangevraagde gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Hiermee is het beroep van [naam bedrijf] gegrond.
10.3.
Volgens artikel 9.1 van het bestemmingsplan zijn de voor “Maatschappelijk” aangewezen gronden bestemd voor:
“a) een onderwijsinstelling ter plaatse van de aanduiding "onderwijs";
b) zorgwoningen ter plaatse van de aanduiding "zorgwoning";
c) activiteiten gericht op sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening, waaronder begrepen:
1. gezondheidszorg;
2. zorg en welzijn;
3. jeugd- en kinderopvang;
4. onderwijs;
5. religie;
6. bibliotheken;
7. maatschappelijke instellingen;
8. verenigingsleven;
één en ander zoals genoemd in de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels behorende Lijst van typen maatschappelijke instellingen en/of instanties;
d) bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.”
10.4.
In de uitspraak van 1 juli 2025 heeft deze rechtbank de vraag beantwoord hoe artikel 9.1 van het bestemmingsplan moet worden uitgelegd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de bestemming ‘Maatschappelijk’ is bestemd voor alle in artikel 9.1, onder c, genoemde functies en ter plaatse van de functieaanduiding ‘onderwijs’ ook is bestemd voor een onderwijsinstelling. Als de planwetgever uitsluitend een onderwijsinstelling had willen toelaten, dan had in artikel 9.1, onder a, expliciet moeten staan dat op de gronden met de aanduiding ‘onderwijs’ het gebruik als bedoeld onder b en c niet is toegestaan, aldus de rechtbank. Dit betekent volgens de rechtbank dat op de gronden een onderwijsinstelling, maar ook activiteiten gericht op sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening, waaronder begrepen jeugd- en kinderopvang, zijn toegestaan. [13]
10.5.
Anders dan de familie [achternaam 1] heeft gesteld, is de rechtbank niet van oordeel dat zij in haar uitspraak van 1 juli 2025 is uitgegaan van een verkeerde lezing van het bestemmingsplan. Los van de omstandigheid dat de rechtbank in haar uitspraak van 1 juli 2025 al uitdrukkelijk is teruggekomen op een eerder oordeel van de rechtbank, ziet de rechtbank in de door de familie [achternaam 1] aangedragen argumenten geen aanleiding om (wederom) terug te komen op een eerder gedane uitspraak. Wat betreft de verwijzing naar artikel 27 van Pro het bestemmingsplan merkt de rechtbank op dat in artikel 9.1, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan wordt verwezen naar de lijst die in deze bepaling is opgenomen. Dat doet er echter niet aan af, dat op grond van artikel 9.1 van het bestemmingsplan reeds jeugd- en kinderopvang is toegestaan. Daarom komt de rechtbank niet toe aan de afwijkingsbevoegdheid van artikel 27 van Pro het bestemmingsplan.
Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de stelling van de familie [achternaam 1] dat sprake was van een onvolledige aanvraag. Ook het gebruik van de buitenruimte van het perceel voor kinderopvang is namelijk reeds toegestaan op grond van het bestemmingsplan.
10.6.
De rechtbank oordeelt dat het college ten onrechte heeft besloten dat het aangevraagde gebruik door [naam bedrijf] in strijd is met het bestemmingsplan. Zoals in de uitspraak van 1 juli 2025 reeds is overwogen is het gebruik van het perceel voor het uitoefenen van een kinderopvangverblijf reeds toegestaan op grond van het bestemmingsplan. De beroepsgrond slaagt.
Tussenconclusie
11. Het beroep zover dat is ingesteld door [naam bedrijf] is gelet op de voorgaande overweging gegrond en de beslissing op bezwaar moet daarom op grond van artikel 8:72, eerste lid, van de Awb worden vernietigd. Op grond van artikel 8:41a, van de Awb dient de bestuursrechter het geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten. In het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank onderzoeken of op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand kunnen blijven.
11.1.
Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling of de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven, merkt de rechtbank het volgende op. [naam bedrijf] heeft ter zitting haar beroepsgrond waarin zij stelt dat het college ten onrechte het voorschrift aan de omgevingsvergunning heeft verbonden dat er maximaal tegelijkertijd 32 kinderen in de kinderopvang aanwezig mogen zijn, ingetrokken.
Kunnen de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand blijven?
12. In het verweerschrift heeft het college aan de rechtbank verzocht of zij de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand wil laten. Hiertoe voert het college aan dat het bouwen van de units op de betreffende plek, in tegenstelling tot het gebruik van de units, wel in strijd is met de bouwregels die zijn neergelegd in artikel 9.2 van het bestemmingsplan. De reden hiervoor is gelegen in de omstandigheid dat in de aanhef van artikel 9.2 van het bestemmingsplan is opgenomen dat enkel op de aangewezen gronden mag worden gebouwd met inachtneming van de aanduidingen op de verbeeldingen. Gelet op de omstandigheid dat op het perceel de bestemming ‘Maatschappelijk’ en de functieaanduiding ‘onderwijs’ rust, zijn hierdoor de units geplaatst in strijd met de bouwregels van het bestemmingsplan, aldus het college.
12.1.
De familie [achternaam 1] verzet zich tegen bovengenoemd standpunt van het college. De familie [achternaam 1] stelt onder meer dat de bestuursrechter de bevoegdheid om de rechtsgevolgen in stand te laten alleen kan gebruiken als het beroep inhoudelijk standhoudt. De bevoegdheid kan niet ingezet worden om een bestuursorgaan toe te staan om in beroep de besluitbasis te verleggen, waarmee feitelijk een nieuw beoordelingskader ontstaat zonder nieuwe besluitvorming.
12.2.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het college terecht heeft gesteld dat de realisatie van de units in strijd is met artikel 9.2 van het bestemmingsplan. De rechtbank stelt hierbij voorop dat in deze procedure niet ter discussie staat dat de units vallen onder de reikwijdte van artikel 3, bijlage II, bij het Besluit omgevingsrecht. Daarmee is gegeven dat geen omgevingsvergunning is vereist voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.
12.3.
De rechtbank overweegt dat het college terecht heeft gesteld dat de realisatie van de units op het perceel in strijd is met artikel 9.2 van het bestemmingsplan. In dit artikel is namelijk uitdrukkelijk opgenomen dat alleen op de betreffende gronden mag worden gebouwd met inachtneming van de aanduidingen op de verbeeldingen. Op grond van de begripsbepaling van “aanduiding” in artikel 1 van Pro het bestemmingsplan kunnen dit zowel functie- als bouwaanduidingen zijn. Hierdoor is de bouw van de units alsnog vergunningplichtig op grond van het bestemmingsplan. De rechtbank zal in onderstaande overwegingen beoordelen of de overige beroepsgronden zoals die zijn ingediend door de eisende partijen, gelet op het voorgaande, alsnog aan bod kunnen komen.
Onevenredige geluidsoverlast?
13. Volgens de rechtspraak van de Afdeling zijn bij het antwoord op de vraag of een project ruimtelijk aanvaardbaar is, de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan een gegeven. [14] De vraag of het gebruik van de units onevenredige geluidsoverlast voor de omgeving tot gevolg heeft, kan hierom niet aan de orde komen. Het gebruik van de units ten behoeve van kinderopvang op het perceel is namelijk reeds toegestaan op grond van bestemmingsplan. De rechtbank zal daarom de beroepsgronden van de familie [achternaam 1] en [persoon C] waarin zij stellen dat sprake is van onevenredige geluidsoverlast ten gevolge van het gebruik van de units niet bespreken. Ook de reactie over de ervaren geluidsoverlast van de familie [achternaam 2] komt hierom niet aan de orde.
13.1.
De rechtbank zal, zoals [naam bedrijf] heeft verzocht, vergunningsvoorschrift 15 niet in stand laten. In dit vergunningvoorschrift is [naam bedrijf] opgedragen geluidsbeperkende maatregelen te nemen alvorens de units in gebruik te nemen. Zoals hiervoor reeds is overwogen is het gebruik van de units voor een kinderdagopvang reeds toegestaan op grond van het bestemmingsplan. Daarom kunnen ook geen voorschriften worden gesteld aan dit gebruik.
13.2.
De rechtbank komt wel toe aan de beroepsgronden van de familie [achternaam 1] en [persoon C] waarin zij betogen dat de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het project verkeerd is berekend door het college. De reden hiervoor is gelegen in de omstandigheid dat voor de bouw van de units een omgevingsvergunning is vereist als gevolg waarvan de regels uit het parapluplan van toepassing zijn. Verder komt de rechtbank ook toe aan de beroepsgrond van de familie [achternaam 1] waarin zij betoogt dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met het Bouwbesluit.
Is sprake van een gebrekkig parkeeronderzoek?
14. De familie [achternaam 1] en [persoon C] betogen dat het college ten onrechte heeft besloten dat er voldoende parkeerplekken worden gerealiseerd door [naam bedrijf] om de toegenomen parkeerbehoefte als gevolg van het project op te vangen. [persoon C] stelt dat er een parkeerbehoefte bestaat van 26 parkeerplaatsen in plaats van 21 parkeerplaatsen. Zij stelt dat de reële parkeerbehoefte groter is dan wanneer de berekeningssystematiek uit de Nota parkeernormen 2020 (de beleidsregel) wordt gevolgd. Verder stelt [persoon C] dat de parkeernotitie van het ingenieursbureau [naam ingenieursbureau] ([naam ingenieursbureau]) niet zorgvuldig tot stand is gekomen omdat deze verschillende gebreken bevat. Ten eerste heeft [naam ingenieursbureau] de parkeerbehoefte tijdens het piekmoment in de ochtend onderschat. Ten tweede is in de parkeernotitie ten onrechte uitgegaan van een parkeerbehoefte van 4,8 parkeerplaatsen voor het personeel. Dit is volgens [persoon C] in strijd met de door de vergunninghouder opgegeven 8 parkeerplaatsen in het akoestisch rapport.
14.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat in de beslissing op bezwaar voldoende is gemotiveerd waarom er geen belemmering is op het punt van het parkeren. De verkeersdeskundige van de gemeente Lochem heeft namelijk de parkeernotitie bekeken en akkoord bevonden.
14.2.
[naam bedrijf] stelt zich op het standpunt dat het project voldoet aan de aan het project te stellen parkeereisen, omdat het project voorziet in voldoende (extra) parkeerplekken om de toegenomen parkeerbehoefte op te vangen. Dit standpunt onderbouwt [naam bedrijf] met twee notities van [naam ingenieursbureau] waaruit blijkt dat wordt voorzien in voldoende parkeerplekken om de toegenomen parkeerbehoefte op te vangen.
14.3.
Artikel 3.1, eerste lid, van het parapluplan luidt:
Een omgevingsvergunning voor het bouwen en / of een omgevingsvergunning voor een verandering van het gebruik wordt pas verleend als is verzekerd dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Hierbij moet worden voldaan aan de parkeernormen zoals opgenomen in de 'Nota Parkeernormen' (…) Het aanleggen en / of instandhouden van voornoemde parkeergelegenheid geldt als een voorwaardelijke verplichting in de zin van de Wet ruimtelijke ordening.’
14.4.
Zoals de rechtbank onder 12.3 heeft overwogen is de bouw van de units op het perceel alsnog vergunningplichtig, omdat de bouw hiervan in strijd is met de bouwregels uit het bestemmingsplan. Gelet hierop is artikel 3.1 van het parapluplan van toepassing en dient het aangevraagde project te voldoen aan de parkeernormen zoals opgenomen in de ‘Nota Parkeernormen’.
14.5.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen mag een bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd. [15]
14.6.
[naam ingenieursbureau] heeft, in opdracht van [naam bedrijf], op 9 april 2025 een parkeerbehoeftenotitie opgesteld. In deze notitie is gekeken naar de parkeerbehoefte van de op het perceel aanwezige basisschool, buitenschoolse opvang en de aangevraagde kinderdagopvang. [naam ingenieursbureau] concludeert dat uit een parkeerberekening conform de Nota Parkeernormen voor het kinderdagverblijf een parkeerbehoefte volgt van (2,4 + 3,9=) afgerond 7 parkeerplaatsen. Daarbij geeft [naam ingenieursbureau] aan dat 7 extra parkeerplaatsen ten behoeve van de op het terrein te realiseren kinderdagopvang worden gerealiseerd. [naam ingenieursbureau] concludeert dat er voor de parkeerbehoefte van de basisschool, de buitenschoolse opvang en de kinderdagopvang gezamenlijk voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden, zelfs in een scenario waarbij het leerlingenaantal van de basisschool groeit. Hierbij zijn de openbare parkeerplaatsen aan de overkant van de [locatie] niet in de berekening meegenomen. [16]
Op 5 januari 2026 heeft [naam ingenieursbureau], wederom in opdracht van [naam bedrijf], een nadere parkeernotitie opgesteld. [naam ingenieursbureau] concludeert dat de totale parkeerbehoefte van de basisschool, de buitenschoolse opvang en het kinderdagverblijf als de afzonderlijke parkeerbehoefte van het kinderdagverblijf ongewijzigd blijven. Daarmee blijft volgens [naam ingenieursbureau] de parkeernotitie van 9 april 2025 geschikt als onderbouwing voor de beoordeling van het parkeren in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het realiseren van kinderdagverblijf. [17]
Op 6 januari 2026 heeft de verkeerskundige van de gemeente Lochem, op verzoek van het college, een parkeeradvies gegeven over de voorgenomen ontwikkeling. In dit parkeeradvies concludeert de verkeerskundige, onder verwijzing naar de verkeersnotitie van [naam ingenieursbureau] van 5 januari 2026, dat voor het bouwplan wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen. [18]
14.7.
De rechtbank ziet in wat de familie [achternaam 1] en [persoon C] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de parkeernotities van [naam ingenieursbureau] onvoldoende en gebrekkig zijn zodat het college zich niet mocht baseren op deze notities. Hiertoe acht de rechtbank relevant dat wat familie [achternaam 1] en [persoon C] stellen niet maakt dat de verkeerskundige van het college zich niet heeft kunnen baseren op de deskundigennotities van [naam ingenieursbureau].De stelling van [persoon C] dat in dit geval had moeten worden afgeweken van de parkeernormen uit de beleidsregel, omdat in de reële situatie de parkeerbehoefte groter is, volgt de rechtbank niet. Los van de omstandigheid dat de door [persoon C] aangedragen aannames en conclusies niet afkomstig zijn van een deskundige, is niet gebleken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel door het college zodanig onevenredige gevolgen heeft voor eiseres dat moet worden afgeweken van de beleidsregel. [19] Daarbij neemt de rechtbank in acht dat in de parkeernotities van [naam ingenieursbureau] is gerekend met een mogelijke groei van het aantal leerlingen op de basisschool en verschillende openbare parkeerplaatsen niet zijn meegerekend, zodat de conclusie dat wordt voldaan aan de parkeernormen is gebaseerd op een worst case-scenario. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college ten onrechte niet gemotiveerd dat is voldaan aan de artikelen 6.37 en 6.38 van het Bouwbesluit ?
15. De familie [achternaam 1] betoogt dat het college ten onrechte een omgevingsvergunning heeft verleend omdat niet is voldaan aan artikel 6.38, derde lid, van het Bouwbesluit. De familie [achternaam 1] stelt zich op het standpunt dat in de feitelijke situatie de relevante brandweeringangen op meer dan 40 meter zijn gelegen van de opstelplaats van de brandweerwagen.
15.1.
Artikel 6.38, eerste lid, van het Bouwbesluit luidt: ‘
Bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zijn zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.’
Artikel 6.38, derde lid, van het Bouwbesluit luidt: ‘
De afstand tussen een opstelplaats als bedoeld in het eerste lid en een brandweeringang als bedoeld in artikel 6.36, eerste lid, is ten hoogste 40 m.’
15.2.
Op 29 december 2023 heeft een medewerker van de gemeente Lochem een brandveiligheidsadvies opgesteld ten behoeve van de aanvraag van [naam bedrijf]. In dit (beknopte) advies concludeert deze medewerker: ‘voldoet met voorwaarde’.
15.3.
Bij de ruimtelijke onderbouwing van 11 april 2025 is onderstaande afbeelding als bijlage opgenomen. Op deze afbeelding is zichtbaar dat de opstelplaats van de brandweerauto is gesitueerd op enkele meters vanaf de toegang van de basisschool (op de afbeelding weergegeven als brandweeringang).
15.4.
In de beslissing op bezwaar is, voor zover relevant, het volgende opgenomen: ‘
Brandveiligheid
De brandveiligheidsdeskundige heeft de aanvraag beoordeeld. Op basis van de ingediende stukken blijkt voldoende dat wordt voldaan aan de brandveiligheidsvoorschriften. Er is geen bezwaar om op basis van deze stukken de omgevingsvergunning voor het aspect 'Bouwen' af te geven.’
15.5.
Ter zitting heeft de gemachtigde van het college medegedeeld dat hij naar aanleiding van beroepsgrond van de familie [achternaam 1] nogmaals de situatie heeft laten beoordelen door de brandweerdeskundige van de gemeente Lochem. Deze deskundige heeft volgens de gemachtigde van het college nogmaals bevestigd dat is voldaan aan de afstandseis van 40 meter.
15.6.
Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen is geen omgevingsvergunning vereist als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Dit heeft (onder meer) tot gevolg dat de rechtbank in deze procedure niet kan beoordelen of wordt voldaan aan het bouwbesluit. Voor de zogenoemde ‘bouwactiviteit’ is namelijk geen omgevingsvergunning vereist. Dit voorgaande laat echter onverlet dat (gerealiseerde) bouwwerken wel dienen te voldoen aan de regels uit het Bouwbesluit. Mocht de familie [achternaam 1] van mening zijn dat de units niet aan het Bouwbesluit voldoen, kunnen zij, wanneer de units zijn gerealiseerd, het college verzoeken om handhavend op te treden tegen de gestelde overtreding van het Bouwbesluit. De rechtbank komt hierom niet meer toe aan een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond.

Conclusie

16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat, met uitzondering van vergunningvoorschrift 15, de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand kunnen blijven. De reden hiervoor is gelegen in de omstandigheid dat het aangevraagde project alsnog vergunningplichtig is, maar dan op een andere grondslag. Dit betekent dat het college niet opnieuw hoeft te beslissen op de ingediende bezwaren.

Conclusie en gevolgen in de zaak van familie [achternaam 1] (ARN 25/2323)

17. Het beroep is ongegrond.
17.1.
De rechtbank bepaalt vanwege de onder 7.6 gepasseerde gebreken dat het college het door familie [achternaam 1] betaalde griffierecht aan hen vergoedt. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Conclusie en gevolgen in de zaak van eiseres [persoon C] (ARN 25/2355)

18. Het beroep is ongegrond. Eiseres [persoon C] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Conclusie en gevolgen in de zaak van [naam bedrijf] (ARN 25/2343)

19. Het beroep is gegrond omdat het college ten onrechte heeft besloten dat het aangevraagde gebruik door [naam bedrijf] in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar van 15 april 2025, maar het college hoeft geen nieuw besluit te nemen.
19.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank het college in de door [naam bedrijf] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934,-).
19.2.
De rechtbank bepaalt verder dat het college het door [naam bedrijf] betaalde griffierecht aan haar vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
Zaaknummer ARN 25/2323
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan de familie [achternaam 1] moet vergoeden.
Zaaknummer ARN 25/2355
- verklaart het beroep ongegrond.
Zaaknummer ARN 25/2343
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt, met uitzondering van vergunningvoorschrift 15, dat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand blijven;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan [naam bedrijf] moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.865,- aan proceskosten aan [naam bedrijf].
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. S.H. Koopmans, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 3:9

Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Artikel 7:9

Wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.

Artikel 8:41a

De bestuursrechter beslecht het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief.

Artikel 8:72

1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.
3. De bestuursrechter kan bepalen dat:
a. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven,
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. (…),
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
3.De rechtbank kwalificeert deze rectificatie als een wijziging van het besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2926 en de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2677.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2677.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:935.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:935.
8.Ter onderbouwing van hun standpunt verwijst de familie [achternaam 1] naar de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4778 waaruit volgens de familie [achternaam 1] volgt dat het criterium ‘zonder onomkeerbare gevolgen’ beoordeeld dient te worden aan de hand van de feitelijke situatie.
9.Hierbij verwijst het college naar de uitspraken van de Afdeling van 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4778, r.o. 6.2 en de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6002, r.o. 6.2.
10.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6002, r.o. 6.2.
11.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1300, r.o. 5.1.
12.Ruimtelijke onderbouwing Kinderdagverblijf [locatie] [plaats 1], Ad Fontem, 11 april 2025, Pagina 7.
13.Uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5050, r.o. 5.3.
14.Uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:229, 7.2.
15.Zie bijvoorbeeld uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:566, r.o. 4.1.
16.Parkeernotitie autoparkeerplaatsen [naam bedrijf] ontwikkeling KDV en BSO [locatie] [plaats 1], [naam ingenieursbureau], 9 april 2025, pagina 2 en 4.
17.Allonge parkeernotitie autoparkeerplaatsen [naam bedrijf] ontwikkeling KDV [locatie] [plaats 1], [naam ingenieursbureau], 5 januari 2026, pagina 2.
18.Parkeeradvies het oprichten van een tijdelijk bouwwerk voor kinderopvang, gemeente Lochem, 6 januari 2026, pagina 2.
19.Zoals is neergelegd in artikel 4:84, van de Algemene wet bestuursrecht.