ECLI:NL:RBGEL:2026:2311

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
462188
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 705 RvArt. 21 RvArt. 436 RvArt. 703 RvArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing conservatoir leveringsbeslag bouwgrond na Didam-procedure

De gemeente Doesburg is eigenaar van bouwgrond in de wijk Beinum en wenst deze te verkopen aan Ekoma Onroerend Goed B.V. na een publicatie waarin Ekoma als enige serieuze gegadigde wordt aangewezen. Becedo Vastgoed IV B.V. betwist dit en legde conservatoir beslag op de bouwgrond, stellende dat de gemeente de Didam-regels schendt door geen openbare selectieprocedure te organiseren.

De rechtbank oordeelt dat het conservatoir beslag kan worden opgeheven indien het door de beslaglegger ingeroepen recht summierlijk ondeugdelijk is. De gemeente heeft aannemelijk gemaakt dat Becedo c.s. geen toekomstig recht op levering van de bouwgrond zal verkrijgen, ook niet als in hoger beroep of bodemprocedure wordt geoordeeld dat de Didam-regels zijn geschonden.

De rechtbank overweegt dat een schending van de Didam-regels niet leidt tot een verplichting tot verkoop aan Becedo c.s., maar hooguit tot een schadevergoeding. De gemeente hoeft de uitkomst van de procedures niet af te wachten alvorens zij de bouwgrond verkoopt en levert aan Ekoma of een derde.

De vorderingen van de gemeente tot opheffing van het beslag worden toegewezen, de vorderingen van Becedo c.s. in reconventie worden afgewezen. Becedo c.s. wordt veroordeeld in de proceskosten van de gemeente en Ekoma. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het conservatoir leveringsbeslag op de bouwgrond wordt opgeheven omdat niet aannemelijk is dat beslaglegger een toekomstig leveringsrecht verkrijgt.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/462188 / KG ZA 26-43
Vonnis in kort geding van 23 maart 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE DOESBURG,
zetelend en kantoorhoudende te Doesburg,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaten: mrs. D.R. Versteeg en E.M.M. Vendrig,
waarin zich heeft gevoegd aan de zijde van de gemeente:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EKOMA ONROEREND GOED B.V.,
statutair gevestigd te Apeldoorn,
eisende partij in het incident tot tussenkomst, althans voeging,
voegende partij in de hoofdzaak in conventie,
hierna te noemen: Ekoma,
advocaten: mrs. H. Doornhof en D.R. Pinxter,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BECEDO VASTGOED IV B.V.,
statutair gevestigd te Didam,
en
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DOESBURG HAVE B.V.,
statutair gevestigd te Doesburg,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in voorwaardelijke reconventie,
hierna samen te noemen Becedo c.s. en afzonderlijk aan te duiden met Becedo Vastgoed en Doesburg Have,
advocaten: mrs. A.A. al Khatib, S. Goldstein en W.A. de Widt.

1.De procedure

In de hoofdzaak en in het incident
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen met producties 1 tot en met 11,
- de incidentele conclusie van Ekoma houdende een verzoek tot tussenkomst, subsidiair voeging met producties 1 tot en met 5,
- de conclusie van antwoord van Becedo c.s. met producties 1 tot en met 9,
- de aanvullende productie 12 van de gemeente,
- de mondelinge behandeling van 2 maart 2026,
- de pleitnota van de gemeente,
- de pleitnota van Becedo c.s.,
- de pleitnota van Ekoma.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2.Het incident tot tussenkomst, althans voeging

2.1.
Ter zitting is de primair gevorderde tussenkomst afgewezen en de subsidiair gevorderde voeging door Ekoma aan de zijde van de gemeente toegestaan. Daarbij is aangegeven dat die beslissing in dit vonnis zal worden opgenomen. Voor die beslissing is het volgende redengevend.
Hoewel Ekoma als belanghebbende een eigen vordering tot opheffing van het beslag kan instellen, staan in het onderhavige geval de eisen van de goede procesorde eraan in de weg dat zij dit als tussenkomende partij in deze procedure doet, terwijl er een gelijkluidende vordering van de gemeente ter beoordeling voorligt. Tussenkomst door Ekoma zou leiden tot het ontstaan van een driepartijengeding waarbij de voorzieningenrechter eveneens moet beslisen over de vordering(en) van de tussengekomen partij, terwijl hetzelfde kan worden bereikt met de minder vergaande voeging. Het beslag ligt op percelen waar Ekoma weliswaar belang bij heeft, maar waar zij nog geen recht op heeft nu de bouwgrond nog niet definitief aan haar is verkocht. Ekoma is daarvoor afhankelijk van de gemeente, die - zoals gezegd - zelf een vordering tot opheffing van dit beslag heeft ingesteld. In dit geval hebben de gemeente en Ekoma dan ook precies hetzelfde belang. Bij de subsidiair gevorderde voeging heeft Ekoma wel voldoende belang, nu de uitspraak in de onderhavige procedure voor Ekoma rechtens en feitelijk gevolgen zal kunnen hebben. Het voorgaande voorkomt dat deze procedure door tussenkomst verder wordt gecompliceerd, terwijl Ekoma wel de mogelijkheid heeft om de argumenten van de gemeente aan te vullen en uit te leggen dat een afwijzing van het gevorderde ook nadelige gevolgen voor haar heeft. Nu de primair gevorderde tussenkomst is afgewezen, wordt niet toegekomen aan de door Ekoma in dat kader ingestelde vorderingen in de hoofdzaak.
2.2.
In het incident is geen van partijen te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partij. De voorzieningenrechter zal daarom de proceskosten tussen hen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De feiten

3.1.
De gemeente is eigenaar van de percelen ten westen van de Breedestraat en ten zuiden van de Bingerdenseweg te Doesburg, kadastraal bekend gemeente Doesburg, sectie E, nummers 3276 en 3277. Deze percelen liggen in de wijk Beinum, gelegen aan de zuidzijde van Doesburg.
3.2.
Ekoma is eigenaar van het perceel gelegen aan de Breedestraat 37 te Doesburg, kadastraal bekend gemeente Doesburg, sectie E, nummers 2288 en 2425. Dit perceel is ook gelegen in Beinum. DekaMarkt, gelieerd aan Ekoma, exploiteert op het perceel een supermarkt. De DekaMarkt in kwestie is de enige supermarkt in Beinum.
3.3.
Becedo Vastgoed legt zich toe op vastgoedontwikkeling. Doesburg Have exploiteert als franchisenemer (onder meer) de Albert Heijn-supermarkt in het centrum van Doesburg. Beide bedrijven maken deel uit van het Europa Have-concern.
3.4.
De gemeente is sinds 2016 voornemens het centrum van de wijk Beinum ingrijpend te vernieuwen en te herontwikkelen om zo een aantrekkelijk verblijfsgebied voor de gehele
wijk te creëren met een voorzieningen- en ontmoetingsfunctie. Dit voornemen is
opgenomen in de Ruimtelijke Structuurvisie Doesburg 2030 van 22 juni 2016. In het te vernieuwen gebied zijn thans onder meer de huidige DekaMarkt, een snackbar en een sporthal gevestigd met ertussen een parkeerplaats. De gemeenteraad heeft uiteindelijk in mei 2024 het definitieve ontwerp- en beeldkwaliteitsplan ‘Hart van Beinum’ vastgesteld.
3.5.
Om voornoemd plan te kunnen uitvoeren wenst de gemeente onder meer de grond van Ekoma aan de Breedestraat 37, waarop thans nog de DekaMarkt gevestigd is, te verwerven. De gemeente is op enig moment met Ekoma (en DekaMarkt) in overleg getreden om de voorwaarden van een grondruil en de verplaatsing van de DekaMarkt te bespreken.
3.6.
Op 21 juli 2025 heeft de gemeente het voornemen tot verkoop c.q. ruil van een deel van de percelen 3267 en 3277 (zie 3.1) (hierna: de bouwgrond) aan Ekoma of een aan haar gelieerde onderneming gepubliceerd in het Gemeenteblad (hierna: de publicatie). De publicatie luidt als volgt:
Bekendmaking van voornemen tot verkoop c.q. ruil van gemeentegrond
De Hoge Raad heeft op 26 november 2021 het Didam-arrest gewezen. Daarin is bepaald dat een overheidslichaam bij de verkoop van onroerende zaken, of een uitgifte anderszins, gelegenheid moet bieden aan (potentiële) gegadigden om:
mee te dingen naar deze onroerende zaak, of;
in ieder geval kennis te nemen van het voornemen dat deze onroerende zaak wordt uitgeven aan één specifieke partij of persoon.
Enige serieuze gegadigde
De Gemeente Doesburg is voornemens om bouwgrond (voor de realisatie van een supermarkt met aangrenzend parkeerterrein) gelegen ten westen van de Breedestraat en ten zuiden van de Bingerdenseweg, kadastraal bekend Gemeente Doesburg, sectie E, de nummers 3276 (gedeeltelijk) en 3277 (gedeeltelijk) met een oppervlakte van circa 3.800 m2 (“percelen”) te verkopen aan Ekoma Onroerend Goed B.V., statutair gevestigd te Beverwijk (“Ekoma”) of een aan haar gelieerde onderneming. De Gemeente Doesburg is van oordeel dat Ekoma op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria de enige serieuze gegadigde is die voor de aankoop van de percelen in aanmerking komt. De Gemeente komt tot die conclusie op grond van de volgende criteria:
De gemeente wenst het centrum van Beinum te transformeren in een aantrekkelijk verblijfsgebied voor de wijk Beinum. Daarvoor zijn op 29 mei 2024 de ruimtelijke kaders door de gemeenteraad van Doesburg vastgesteld (onder meer een definitief ontwerp en een beeldkwaliteitsplan Hart van Beinum);
Ekoma beschikt over gronden binnen het transformatiegebied. Indien de gemeente niet beschikt over deze gronden van Ekoma, kan het door de raad vastgestelde plan voor het centrum van Beinum niet worden gerealiseerd. Ekoma is slechts bereid haar gronden te verkopen indien zij de (voornoemde) percelen in eigendom verkrijgt;
Met deze verkoop c.q. grondruil wordt het mogelijk om de door de Gemeente gestelde doelen voor het centrum van Beinum te behalen. Door de positie van Ekoma en de omstandigheid dat zij beschikt over gronden die de Gemeente nodig heeft voor de transformatie, is Ekoma – in het kader van de grondruil – aan te merken als enige serieuze gegadigde. Zonder de medewerking van Ekoma kan het plan voor het centrum van Beinum niet gerealiseerd worden.
(…)’
3.7.
Bij brief van 28 juli 2025 heeft Becedo c.s. de gemeente gesommeerd de publicatie van 21 juli 2025 in te trekken en in lijn met de Didam-regels een openbare selectieprocedure voor de verkoop van de bouwgrond te organiseren.
3.8.
Bij antwoordbrief van 31 juli 2025 heeft de gemeente aan Becedo c.s. bericht dat de voorgenomen grondtransactie in lijn is met de Didam-jurisprudentie zodat geen aanleiding bestaat om de publicatie in te trekken of een nieuwe mededingingsprocedure te organiseren.
3.9.
Becedo c.s. is vervolgens een kort gedingprocedure tegen de gemeente gestart met als inzet een bevel de publicatie van 21 juli 2025 in te trekken en de gemeente te verbieden de bouwgrond te verkopen en te leveren aan Ekoma of een derde, zonder dat eerst een transparante en openbare selectieprocedure in lijn met de Didam-regels is doorlopen. De voorzieningenrechter heeft de door Ekoma gevorderde tussenkomst in die procedure toegestaan. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard kort gedingvonnis van 1 december 2025 van deze rechtbank (zaaknummer C/05/455472 / KG ZA 25-295) (hierna: het kort gedingvonnis) zijn de vorderingen van Becedo c.s. afgewezen omdat de gemeente voorshands geoordeeld een beroep toekomt op de uitzondering op de verplichting tot het doorlopen van een selectieprocedure omdat Ekoma de enige is die de eigendom van de grond die de gemeente nodig heeft om de door haar gestelde doelen te realiseren, kan overdragen. Ook is in het vonnis overwogen dat hetgeen Becedo c.s. stelt over verboden staatssteun niet tot toewijzing van de vorderingen kan leiden.
3.10.
Na daartoe verlof te hebben verkregen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 8 december 2025 heeft Becedo c.s. op 9 december 2025 conservatoir beslag tot levering laten leggen op de bouwgrond. Het exploot van beslaglegging is op 12 december 2025 aan de gemeente betekend.
3.11.
De gemeente heeft Becedo c.s. bij e-mailbericht van 17 december 2025 gesommeerd om het beslag op de bouwgrond op te heffen. Becedo c.s. heeft aan dat verzoek geen gehoor gegeven.
3.12.
Op 18 december 2025 heeft Becedo c.s. de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om verlenging van de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak. Dit verzoek is gehonoreerd. Becedo c.s. heeft de gemeente vervolgens op 5 januari 2026 gedagvaard in een bodemprocedure bij deze rechtbank tegen roldatum 5 januari 2028. Becedo c.s. vordert in deze bodemprocedure onder meer de gemeente te bevelen de bouwgrond aan haar te verkopen en te leveren tegen een marktconforme prijs.
3.13.
Becedo c.s. is bij (spoed)appeldagvaarding van 29 december 2025 in hoger beroep gegaan tegen het kort gedingvonnis. De mondelinge behandeling van het hoger beroep staat gepland op 31 maart 2026 aanstaande.
3.14.
De (advocaten van de) gemeente en Becedo c.s. hebben nadien nog per e-mail gecorrespondeerd over (de voorwaarden voor) het opheffen van het beslag en het wachten met de verkoop en levering van de bouwgrond in afwachting van de uitkomst van de hoger beroepsprocedure. Dit heeft niet tot een oplossing voor het thans voorliggende geschil geleid.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
De gemeente vordert bij vonnis in kort geding, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
i. het op 9 december 2025 door Becedo c.s. gelegde conservatoire beslag ten laste van
de gemeente op het perceel kadastraal bekend als Gemeente Doesburg, sectie E
nummers 3276 en 3277 op te heffen,
Becedo c.s. te gebieden om zich te onthouden van verdere conservatoire
beslaglegging ten aanzien van het onder sub i. genoemde perceel en de andere
percelen gelegen in het plangebied van het herontwikkelingsplan Plan Hart
van Beinum, zijnde de percelen met kadastrale nummers sectie E 2425, 2298,
2376, 2287, 3469, 2505 en 2303;
te bepalen dat Becedo c.s. een dwangsom verbeurt ter hoogte van € 1.000.000,00
althans een in goede justitie te bepalen bedrag, bij schending van
een van de hiervoor primair gevorderde geboden, te vermeerderen met een
bedrag van € 50.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt;
subsidiair
Becedo c.s. te gebieden het op 9 december 2025 gelegde conservatoire beslag ten
laste van de gemeente op het perceel kadastraal bekend als Gemeente Doesburg,
sectie E nummers 3276 en 3277 op te heffen;
Becedo c.s. te gebieden om zich te onthouden van verdere conservatoire
beslaglegging ten aanzien van het onder sub iv. genoemde perceel en de andere
percelen gelegen in het plangebied van het herontwikkelingsplan Plan Hart
van Beinum, zijnde de percelen met kadastrale nummers sectie E 2425, 2298,
2376, 2287, 3469, 2505 en 2303;
te bepalen dat Becedo c.s. een dwangsom verbeurt ter hoogte van € 1.000.000,00
althans een in goede justitie te bepalen bedrag, bij schending van
een van de hiervoor subsidiair gevorderde geboden, te vermeerderen met een
bedrag van € 50.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt;
in alle gevallen
Becedo c.s. te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten.
4.2.
Becedo c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.3.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.
in voorwaardelijke reconventie
4.4.
Becedo c.s. vordert in voorwaardelijke reconventie, in het geval de voorzieningenrechter de vorderingen van de gemeente in conventie honoreert, bij vonnis in kort geding, zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. primair: de gemeente te verbieden het perceel of een deel daarvan te verkopen en te
leveren aan Ekoma of enige andere partij voordat de planologische maatregel (als
gedefinieerd in artikel 1 onder Pro 10. van de concept-koopovereenkomst) onherroepelijk is geworden, op straffe van een dwangsom van € 5.000.000,00;
2. subsidiair: de gemeente te verbieden het perceel of een deel daarvan te verkopen en te leveren aan Ekoma of enige andere partij tot en met vier weken nadat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden einduitspraak heeft gedaan in de spoedappelprocedure, op straffe van een dwangsom van € 5.000.000,00;
3. meer subsidiair: een maatregel die de voorzieningenrechter in justitie geraden acht;
4. zowel primair als subsidiair: de gemeente te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen in de wettelijke rente.
4.5.
De gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Becedo c.s. in de proceskosten.
4.6.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

5.De beoordeling

in de hoofdzaak in conventie en in reconventie
5.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden behandeld.
Spoedeisend belang
5.2.
Inzet van deze procedure is de opheffing van het beslag op de bouwgrond van de gemeente. Anders dan Becedo c.s. meent, hoeft van een spoedeisend belang bij die vordering niet te zijn gebleken. Artikel 705 Rv Pro biedt een eigen rechtsgang ten behoeve van de opheffing van beslagen in de vorm van een kort geding bij de voorzieningenrechter, die het verlof tot het leggen van het beslag heeft verleend. Het hebben van een spoedeisend belang is geen voorwaarde voor toegang tot deze rechtsgang. Aan het door Becedo c.s. in dit kader gevoerde verweer zal gelet op het voorgaande voorbij worden gegaan.
Kader
5.3.
De opheffing van een conservatoir beslag kan gelet op het bepaalde in artikel 705 lid 2 Rv Pro onder meer worden bevolen bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Artikel 705 lid 2 Rv Pro bevat geen limitatieve opsomming van de opheffingsgronden. Opheffing kan bijvoorbeeld ook plaatsvinden als het beslagobject van een derde is of als de beslagverzoeker de waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro heeft geschonden door niet alle voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Volgens vaste rechtspraak ligt het in de eerste plaats op de weg van degene die de opheffing vordert om, met inachtneming van de beperkingen van de kortgedingprocedure, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. [1] De kortgedingrechter heeft evenwel te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. Daarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Hierbij geldt dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
Verzuim van vormen?
5.4.
De gemeente stelt allereerst dat het beslag moet worden opgeheven omdat Becedo c.s. de waarheidsplicht uit hoofde van artikel 21 Rv Pro heeft geschonden, door de voorzieningenrechter in het beslagrekest niet volledig en naar waarheid voor te lichten over de relevante feiten en omstandigheden ten aanzien van onder meer het moment en de wijze van vaststelling van de plannen voor de herontwikkeling van Beinum en de uitvoering daarvan. Hetgeen de gemeente in dit verband heeft gesteld rechtvaardigt echter niet de opheffing van het beslag. Het enkele gegeven dat Becedo c.s. in het beslagrekest de ontwikkelingen ter zake de herontwikkeling in Beinum (pas) vanaf het voorjaar van 2022 heeft geschetst, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt immers dat Becedo c.s. bij het beslagrekest onder meer het kort gedingvonnis en de onderliggende stukken heeft gevoegd waaruit blijkt hoe en wanneer het plan ‘Hart van Beinum’ tot stand is gekomen. Verder stelt de gemeente dat Becedo c.s. de beslagrechter onjuist heeft voorgelicht over het effect van het beslag en dat Becedo c.s. ten onrechte heeft gesteld dat de hoger beroepsprocedure ertoe zal leiden dat de gemeente de bouwgrond (uiteindelijk) aan Becedo c.s. zal moeten leveren. In dit kader geldt dat de juistheid van de feiten en omstandigheden alsmede de rechtsgevolgen waar de gemeente op doelt door Becedo c.s. gemotiveerd wordt betwist. Partijen staan wat betreft het voorgaande lijnrecht tegenover elkaar en aan de hand van hetgeen in deze procedure door beide partijen naar voren is gebracht en met stukken is onderbouwd zal moeten worden beoordeeld of voor het handhaven van het beslag door Becedo c.s. voldoende gronden aanwezig zijn. Dat Becedo c.s. het voorgaande niet (geheel) op de wijze die de gemeente voorstaat in het beslagrekest heeft opgenomen, kan dan ook niet als schending van de waarheidsplicht worden gekwalificeerd die op zichzelf zou moeten leiden tot opheffing van het beslag.
5.5.
De gemeente stelt voorts dat het beslag op grond van het bepaalde in artikel 436 Rv Pro onrechtmatig is, omdat de bouwgrond bestemd is voor de openbare dienst. Becedo c.s. heeft dat gemotiveerd betwist. Nu het in het onderhavige geval gaat om conservatoir beslag is anders dan de gemeente meent niet artikel 436 Rv Pro, dat ziet op executoriaal beslag, maar artikel 703 Rv Pro van toepassing. In artikel 703 Rv Pro is geregeld dat, in uitzondering op de hoofdregel dat een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar kan verhalen, geen conservatoir beslag mag worden gelegd op goederen die bestemd zijn voor de openbare dienst. Goederen hebben geen publieke bestemming als zij niet zijn bestemd voor een overheidstaak, maar worden gebruikt voor commerciële doeleinden. In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat het gaat om een onroerende zaak die beschikbaar moet worden gehouden voor overheidsactiviteiten; het gaat immers om bouwgrond die de gemeente voornemens is te verkopen aan een commerciële partij, Ekoma, teneinde de geplande herontwikkeling van het centrum van Beinum mogelijk te maken. Het enkele gegeven dat de gemeente daarbij uitvoering geeft aan publiekelijk vastgestelde doelen, zoals het realiseren van onder meer een groter woningaanbod en het verbeteren van de bestaande voorzieningen en de verkeersveiligheid, maakt het voorgaande niet anders. In een zodanig geval is het verband tussen het beslagen goed en het goede functioneren van de overheid te ver verwijderd om te kunnen aannemen dat het beslag op grond van artikel 703 Rv Pro verboden is.
Is het vorderingsrecht summierlijk geoordeeld ondeugdelijk?
5.6.
De gemeente legt verder aan haar vorderingen ten grondslag dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door Becedo c.s. ingeroepen recht tot levering van de bouwgrond is gebleken, zodat het beslag (ook) om die reden moet worden opgeheven. De gemeente stelt in dit kader dat zij niet in strijd met de Didam-regels heeft gehandeld maar dat ook indien dat anders zou zijn en Becedo c.s. in hoger beroep en/of in de bodemprocedure in het gelijk wordt gesteld, Becedo c.s. hoe dan ook geen recht op levering van de bouwgrond in de zin van artikel 730 Rv Pro heeft of zal kunnen verkrijgen.
5.7.
Dat op dit moment geen leveringsrecht met betrekking tot de bouwgrond aan Becedo c.s. toekomt, is niet tussen partijen in geschil. Becedo c.s. baseert zich in het beslagrekest op een toekomstig leveringsrecht. Dit leveringsrecht volgt volgens Becedo c.s. in het geval de gemeente naar aanleiding van de uitkomst van de procedure in hoger beroep alsnog een selectieprocedure organiseert, uit het gegeven dat zij die procedure hoe dan ook zal winnen. Een dergelijke procedure zal de gemeente alsnog moeten organiseren, omdat er niet slechts één serieuze gegadigde is voor de koop van de bouwgrond en de voorgekomen verkoop dus in strijd is met de Didam-regels, aldus Becedo c.s. Ook is de voorgenomen transactie in strijd met het Europese staatssteunrecht omdat de marktwaarde van de bouwgrond verkeerd is berekend, zodat ook om deze reden een procedure als voornoemd moet worden georganiseerd. Het is in de visie van Becedo c.s. mogelijk om de gemeente in de inmiddels aanhangige bodemprocedure te veroordelen tot verkoop en levering van de bouwgrond aan Becedo c.s. op basis van de (te verwachten) uitkomst van voornoemde selectieprocedure. Becedo c.s. zal die procedure naar eigen zeggen hoe dan ook winnen, omdat zij een hogere prijs voor de bouwgrond zal bieden dan Ekoma en over de benodigde plancapaciteit en expertise beschikt. In het geval de gemeente blijft weigeren een selectieprocedure als voornoemd te organiseren, kan een veroordeling tot verkoop en levering van de bouwgrond volgens Becedo c.s. worden gestoeld op de verplichting ex artikel 6:162 BW Pro van de gemeente om de schade, die door Becedo c.s. als gevolg van de schending van de Didam-regels wordt geleden, te compenseren. Door deze schending is Becedo c.s. immers de kans onthouden de bouwgrond te kopen en een nieuwe supermarkt in Beinum te realiseren. Gelet op het voorgaande heeft Becedo c.s. naar eigen zeggen hoe dan ook een toekomstig recht op levering van de bouwgrond.
5.8.
In het kader van dit kort geding, dat strekt tot opheffing van het door Becedo c.s. gelegde leveringsbeslag, ligt gelet op het hiervoor geschetste kader en het partijdebat dus allereerst de vraag voor of de gemeente aannemelijk heeft gemaakt dat het door Becedo c.s. gepretendeerde vorderingsrecht summierlijk geoordeeld ondeugdelijk is omdat Becedo c.s. geen (obligatoire) aanspraak zal kunnen maken op levering van de bouwgrond als voornoemd. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het geval. Daartoe is het volgende redengevend.
5.9.
Zoals hiervoor reeds benoemd, meent Becedo c.s. dat de voorzieningenrechter in de kort gedingprocedure ten onrechte heeft aangenomen dat er maar een serieuze gegadigde is voor de bouwgrond. Becedo c.s. heeft in het onderhavige kort geding wederom uitgebreid toegelicht waarom ook zij als kandidaat voor de bouwgrond moet worden beschouwd, zodat alsnog een openbare selectieprocedure moet worden gevolgd voor de verkoop daarvan. De gemeente en Ekoma hebben dat ook in deze procedure gemotiveerd betwist. In dat kader zijn door partijen verder geen nieuwe feiten of bewijsmiddelen naar voren gebracht. In het kort gedingvonnis is voorshands geoordeeld dat de gemeente een beroep toekomt op de uitzondering op de verplichting tot het doorlopen van een openbare selectieprocedure omdat Ekoma de enige is die eigendom van de grond die de gemeente nodig heeft om de haar gestelde doelen in het te herontwikkelen gebied te realiseren, kan overdragen. Het is gelet op het partijdebat in de onderhavige procedure niet zonder meer aannemelijk dat daarover in het inmiddels aanhangige hoger beroep anders zal worden geoordeeld. De stellingen van partijen over het voorgaande alsmede over de door Becedo c.s. gestelde ongeoorloofde staatssteun kunnen in het kader van dit kort geding echter onbesproken blijven, omdat niet aannemelijk is geworden dat Becedo c.s. het recht op levering van de bouwgrond zal kunnen verkrijgen, zelfs indien zij in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld.
5.10.
Indien Becedo c.s. zou worden gevolgd in haar stelling dat in het hoger beroep tot het oordeel wordt gekomen dat de gemeente in strijd handelt met het Didam-arrest, door Ekoma in de publicatie als de enige gegadigde voor de bouwgrond aan te wijzen en geen selectieprocedure te organiseren voor de verkoop daarvan, dan kan dat bij de huidige stand van zaken, waarbij levering nog niet heeft plaatsgevonden en ook geen koopovereenkomst is gesloten die verplicht tot levering, enkel leiden tot een verbod aan de gemeente om tot verkoop en levering van de grond aan Ekoma of enige andere partij over te gaan zonder dat een transparante en openbare selectieprocedure in lijn met de Didam-regels is doorlopen. Anders dan Becedo c.s. betoogt is de gemeente in dat geval niet verplicht om de bouwgrond te verkopen, laat staan om een koopovereenkomst met Becedo c.s. te sluiten die verplicht tot levering van de bouwgrond. De gemeente is in dat geval alleen gehouden om een openbare selectieprocedure te organiseren, met nader in te vullen criteria, indien zij ervoor kiest om de bouwgrond te verkopen. Het is in die situatie immers aan de gemeente om te bedenken hoe zij de herontwikkeling van Beinum - al dan niet op een alternatieve wijze - wil vormgeven. Als het huidige plan van voor de herontwikkeling, waarvan de voorgenomen grondruil met Ekoma onderdeel uitmaakt, van tafel is, liggen alle opties weer open en dan ligt het voor de hand dat de gemeente ook zal kijken naar alternatieve plannen voor herontwikkeling. De gemeente is dan zeker niet gehouden om uitvoering te geven aan het alternatieve plan van Becedo c.s. voor herontwikkeling waarbij (door Becedo c.s.) een (tweede) supermarkt wordt gerealiseerd op de bouwgrond.
5.11.
Maar ook in het geval de gemeente besluit om de bouwgrond middels een openbare selectieprocedure in de markt te zetten voor de exploitatie van een (tweede) supermarkt, wat door de gemeente ter zitting gemotiveerd is weersproken, kan niet op de uitkomst van een dergelijke procedure vooruit worden gelopen. In dat geval kunnen zich immers meer geïnteresseerden melden die allemaal gelijke kansen moeten krijgen en vervolgens is het aan de gemeente om een keuze te maken aan de hand van de door haar in het kader van die procedure gestelde criteria. Dat betekent dat binnen het bestek van dit kort geding niet kan worden gezegd dat Becedo c.s. naar alle waarschijnlijkheid als winnende deelnemer aan die procedure uit de bus komt. Het voorgaande betekent dat van een (mogelijke) toekomstige aanspraak op levering van de bouwgrond door Becedo c.s. op basis van een nog te houden selectieprocedure niet is gebleken.
5.12.
Becedo c.s. kan het door haar gepretendeerde toekomstige recht op levering, voor het geval de gemeente geen openbare selectieprocedure organiseert voor de verkoop van de bouwgrond, ook niet stoelen op artikel 6:162 BW Pro. Uit het Didam II-arrest [2] volgt onder meer dat een overeenkomst die inmiddels is gesloten in strijd met de Didam-regels op die grond niet nietig of vernietigbaar is, maar dat een overheidslichaam daardoor in beginsel wel onrechtmatig handelt jegens een (potentiële) gegadigde en op die grond (onder meer) schadeplichtig kan zijn jegens die gegadigde. Het gaat in dat geval om schadevergoeding nadat reeds sprake is geweest van onrechtmatig handelen jegens een potentiële gegadigde. Zoals hiervoor is overwogen, is dat nu niet aannemelijk. Bovendien zou Becedo c.s. dan pas schade lijden als de bouwgrond al is geleverd aan Ekoma. Dan kan die grond niet alsnog -in de vorm van een schadevergoeding in natura- aan Becedo c.s. worden geleverd. Dat de Hoge Raad in het Didam II-arrest de mogelijkheid van schadevergoeding in natura heeft opengelaten, lijkt dan ook niet voor de onderhavige situatie geschreven. Zoals ook Becedo c.s. zelf stelt kan schending van de regels uit het Didam I-arrest, doordat een perceel ten onrechte aan een ander dan haar is geleverd, er toe leiden dat haar dan onrechtmatig de kans is ontnomen om het perceel zelf te verwerven. Het gaat dan om kansschade. In dat geval blijft alleen schadevergoeding in geld over. Uit het Didam II-arrest kan, anders dan Becedo c.s. veronderstelt, in ieder geval niet worden afgeleid dat Becedo c.s. (ook) aanspraak zou kunnen maken op een soort schadevergoeding in natura die eruit zou bestaan dat zij een recht op levering van de bouwgrond verkrijgt in het geval (in hoger beroep of in de bodemprocedure) zou worden geoordeeld dat de gemeente in strijd met de Didam-regels heeft gehandeld en de bouwgrond nog niet is verkocht en geleverd aan Ekoma. Ook het beroep op artikel 6:162 BW Pro kan handhaving van het beslag op de bouwgrond dan ook niet rechtvaardigen.
Effectieve remedie
5.13.
Becedo c.s. heeft ter zitting nog aangevoerd dat ook het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (het EVRM) een grondslag vormt voor afwijzing van de vorderingen van de gemeente. Dit legt Becedo c.s. ook ten grondslag aan haar voorwaardelijk ingestelde vorderingen in reconventie. Volgens Becedo c.s. is het beslag de enige effectieve remedie in de zin van de artikelen 6 en 13 EVRM om een selectieprocedure of levering van de bouwgrond af te dwingen of in elk geval te voorkomen dat de bouwgrond in strijd met de Didam-regels wordt geleverd aan een partij die onrechtmatig wordt bevoordeeld.
Ook dit verweer faalt. De gemeente heeft het voornemen om de bouwgrond aan Ekoma te verkopen tijdig gepubliceerd en Becedo c.s. heeft zich daartegen kunnen richten. Dat heeft zij middels het vorige kort geding ook gedaan. Er is geen rechtsregel die meebrengt dat er voor de gemeente een zogenaamde
stand still-verplichting geldt op het moment dat tegen een afwijzend vonnis (in kort geding) hoger beroep is ingesteld, om zo te voorkomen dat de bouwgrond wordt vervreemd voordat de planologische maatregel onherroepelijk is geworden, dan wel in hoger beroep eindarrest is gewezen. De effectieve remedie in voornoemde zin strekt dan ook niet verder dan het vorige kort geding. Indien in hoger beroep en/of de bodemprocedure wordt geoordeeld dat de gemeente niet in lijn met de Didam-regels heeft gehandeld en de bouwgrond inmiddels door de gemeente is verkocht aan Ekoma, kan Becedo c.s. zoals eerder al overwogen eventueel aanspraak maken op schadevergoeding. De gemeente hoeft dan ook niet te wachten op de uitkomst van het hoger beroep of het definitief worden van de planologische maatregel voor zij verder gaat en de grond aan Ekoma verkoopt (en levert). Op het voorgaande stuiten ook de vorderingen in voorwaardelijke reconventie af, die strekken tot het - bij wijze van ordemaatregel - verkrijgen van een verbod om (een deel van) de bouwgrond aan Ekoma of een derde te verkopen voordat de planologische maatregel onherroepelijk is geworden, dan wel tot en met vier weken nadat het hof Arnhem-Leeuwarden einduitspraak heeft gedaan in de hoger beroepsprocedure.
Belangenafweging
5.14.
Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat Becedo c.s. een (toekomstige) aanspraak op levering van de bouwgrond op de gemeente heeft. Bij gebreke van voldoende aannemelijkheid daarvan is summierlijk van de ondeugdelijkheid van het vorderingsrecht van Becedo c.s. gebleken. In zoverre bestaat aanleiding voor de opheffing van het beslag op de bouwgrond. Een beslissing daarover kan niet worden genomen zonder tevens een afweging van belangen in de beoordeling te betrekken. Ook een afweging van de belangen van de gemeente enerzijds en Becedo c.s. anderzijds brengt niet met zich dat op dit moment voldoende grond bestaat voor handhaving van het beslag. Hiertoe is het volgende redengevend.
5.15.
Het belang bij handhaving van beslag is er volgens Becedo c.s. in gelegen dat het hoger beroep tegen het kort gedingvonnis en de inmiddels gestarte bodemprocedure anders geen zin meer hebben; als de bouwgrond ondertussen aan Ekoma wordt verkocht en geleverd staat Becedo c.s. immers met lege handen. Binnen het bestek van dit kort geding is echter niet aannemelijk geworden dat Becedo c.s. aanspraak zal kunnen maken op de levering van de bouwgrond, zelfs in het geval in de hoger beroepsprocedure en in de bodemprocedure zou worden geoordeeld dat de gemeente in strijd handelt c.q. heeft gehandeld met de Didam-regels. Van een aanspraak op levering die ‘zinledig’ zou kunnen worden door opheffing van het beslag is dan ook geen sprake. Daartegenover staat het evidente belang van de gemeente (en Ekoma) bij opheffing van het beslag. De gemeente heeft ter zitting toegelicht dat zij als volgende stap in de herontwikkeling een aanbesteding zal houden om een gebiedsontwikkelaar te selecteren. In die procedure kan niet de beste prijs/kwaliteitverhouding worden behaald op het moment dat er (mogelijk nog vele jaren) beslag ligt op een groot deel van het te ontwikkelen gebied en onzeker is aan wie de grond verkocht en geleverd zal worden. In dat geval is het immers onzeker of de bouwgrond aan Ekoma zal worden verkocht en geleverd zodat het ook onzeker is of de gemeente de beschikking zal kunnen krijgen over de huidige grondpositie van Ekoma. Dat betekent dat de gemeente ook geen afspraken met een projectontwikkelaar zal kunnen maken over de herontwikkeling van de huidige grondpositie van Ekoma. Een en ander heeft als gevolg dat de herontwikkeling op de lange baan zou worden geschoven.
5.16.
Bij voornoemde stand van zaken kan van de gemeente niet worden gevergd om eerst het hoger beroep van het kort geding, de uitkomst van de bodemprocedure en/of het definitief worden van de planologische maatregel af te wachten, alvorens zij de voorgenomen koopovereenkomst ter zake de bouwgrond met Ekoma formaliseert. Aan het voorgaande doet niet af dat de gemeente en Ekoma conform de concept-koopovereenkomst met (ver)koop en levering kunnen wachten totdat de planologische maatregel definitief is. Zoals reeds is overwogen is het belang bij opheffing van het beslag niet zozeer gelegen in de spoedige verkoop en levering van de bouwgrond aan Ekoma en bovendien volgt uit artikel 7 lid 2 van Pro diezelfde concept-koopovereenkomst dat Ekoma reeds verkoop en levering van de bouwgrond kan verlangen op het moment dat het planologische traject nog niet definitief is afgerond.
De slotsom
5.17.
In conventie betekent het voorgaande dat de primaire vordering onder i. tot opheffing van het conservatoire beslag tot levering op de bouwgrond op de hierna te noemen wijze zal worden toegewezen. Voor het opleggen van een dwangsom, zoals onder iii. gevorderd, bestaat geen aanleiding nu de voorzieningenrechter het beslag zelf zal opheffen. Nu de primaire vordering tot opheffing zal worden toegewezen en het beslag wordt opgeheven, behoeft het subsidiair onder iv. gevorderde gebod geen bespreking meer. De primaire en subsidiaire vorderingen tot oplegging van een beslagverbod (vorderingen ii. en v.) zullen worden afgewezen. Hoewel summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het vorderingsrecht van Becedo c.s., bestaat op dit moment geen grond voor toewijzing van het door de gemeente gevorderde gebod tot onthouding van verdere conservatoire beslaglegging op de bouwgrond (en de overige percelen in het plangebied). Voor het leggen van een hernieuwd beslag is immers steeds voorafgaand verlof van de voorzieningenrechter nodig. Dat verlof zal bij gelijkblijvende feiten en omstandigheden niet worden verkregen. De voorzieningenrechter wijst Becedo c.s. erop dat zij gehouden is om in dat geval melding te maken van dit vonnis.
De vorderingen in reconventie zullen gelet op het voorgaande worden afgewezen.
Proceskosten in conventie en reconventie
5.18.
Becedo c.s. is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden in conventie begroot op:
- dagvaardingen
311,02 (€ 155,51 x 2)
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.412,02
5.19.
De proceskosten van Ekoma worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
5.20.
De door Ekoma gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.21.
Becedo c.s. is ook in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in reconventie betalen. Vanwege de nauwe samenhang met de procedure in conventie worden die kosten op nihil gesteld.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in het incident
6.1.
staat Ekoma toe zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van de gemeente,
6.2.
compenseert de proceskosten in het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.3.
wijst het meer of anders gevorderde in het incident af,
in de hoofdzaak in conventie
6.4.
heft op het op 9 december 2025 door Becedo c.s. gelegde conservatoire beslag ten laste van de gemeente op de percelen kadastraal bekend als Gemeente Doesburg, sectie E
nummers 3276 en 3277,
6.5.
veroordeelt Becedo c.s. in de proceskosten van de gemeente van € 2.412,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Becedo c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
veroordeelt Becedo c.s. in de proceskosten van Ekoma van € 2.101,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Becedo c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling,
6.7.
verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde in conventie af,
in de hoofdzaak in reconventie
6.9.
wijst de vorderingen af,
6.10.
veroordeelt Becedo c.s. in de proceskosten in reconventie, aan de zijde van de gemeente begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.
1328

Voetnoten

1.HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105.
2.HR 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661.