ECLI:NL:RBGEL:2026:2045

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
317971-20
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 3a OpiumwetArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen hennepkwekerij en elektriciteitsdiefstal met ernstige termijnoverschrijding

Verdachte werd beschuldigd van het medeplegen van een hennepkwekerij met ongeveer 260 planten en het stelen van elektriciteit door illegale aansluitingen buiten de meter om. De politie trof bij een doorzoeking een operationele kwekerij aan, met bewijs van meerdere oogsten en illegale stroomvoorziening. Verdachte ontkende aanvankelijk betrokkenheid, maar de militaire kamer achtte op basis van verklaringen, technische bevindingen en gedragingen van verdachte bewezen dat hij medeverantwoordelijk was.

De verdediging voerde niet-ontvankelijkheid aan wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn, medische ongeschiktheid van verdachte en vormverzuimen in het onderzoek. De kamer verwierp deze gronden, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat verdachte in staat was het proces te volgen. De overschrijding van de redelijke termijn werd erkend, maar niet als grond voor niet-ontvankelijkheid.

De militaire kamer kwalificeerde het bewezenverklaarde als medeplegen van een strafbaar feit op grond van de Opiumwet en diefstal door verbreking. Gelet op de ernst van de feiten, de rol van verdachte als militair en de lange termijnoverschrijding, legde de kamer een taakstraf van 120 uur op, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De straf werd gematigd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 120 uur met een proeftijd van twee jaar wegens medeplegen van hennepkwekerij en elektriciteitsdiefstal.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/317971-20
Datum uitspraak : 2 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige militaire kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1967 in [geboorteplaats] (Suriname),
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats].
Raadsman: mr. H.J.G. Dudink, advocaat in Haarlem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 28 november 2019 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 260 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 260 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met
28 november 2019 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
telkens een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen elektriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (door een of meer
(ijk)zegel(s) en/of het deksel van de elektriciteitsmeter te verbreken en/of verwijderen en/of (vervolgens) een elektriciteitsaansluiting aan de boven- en/of buitenzijde, in elk geval buiten de meter om, te maken);
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
een of meer onbekend gebleven personen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 28 november 2019 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf], in elk geval aan een ander dan aan die die een of meer
onbekend gebleven personen en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die die een of meer onbekend gebleven personen en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (door een of meer (ijk)zegel(s) en/of het deksel van de elektriciteitsmeter te verbreken en/of verwijderen en/of
(vervolgens) een elektriciteitsaansluiting aan de boven- en/of buitenzijde, in elk geval buiten de meter om, te maken),
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 28 november 2019 te [woonplaats] opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die een of meer onbekend gebleven personen toegang te verschaffen tot het pand gelegen aan de [adres] en/of door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.

2.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging van verdachte, gelet op – kort gezegd – de overschrijding van de redelijke termijn, de medische toestand van verdachte, en vormverzuimen als gevolg van de gebrekkige kwaliteit van het onderzoek, uitgevoerd door de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar). Hierdoor is verdachte onherstelbaar geschaad in zijn recht op een eerlijk proces, zoals genoemd in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).
De beoordeling door de militaire kamer
De overschrijding van de redelijke termijn
Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan overschrijding van de redelijke termijn – zelfs als deze zeer ernstig is – , afgezien van uitzonderlijke bijkomende omstandigheden, niet zelfstandig leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging. Dat kan alleen als daarnaast wordt vastgesteld dat die overschrijding een zodanige ernstige inbreuk op de verdedigingsrechten heeft veroorzaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces (zie HR 17 juni 2008,
ECLI:NL:HR:2008:BD2578, HR 8 september 2015,
ECLI:NL:HR:2015:2465, HR 13 september 2016,
ECLI:NL:HR:2016:2059en HR 9 december 2025,
ECLI:NL:HR:2025:1875).
Van dergelijke uitzonderlijke bijkomende omstandigheden is de militaire kamer in dit geval niet gebleken. De termijnoverschrijding kan dan ook geen grond zijn om de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging aan te nemen.
‘Unfit to stand trial’
Voor zover de raadsman heeft beoogd aan te voeren dat verdachte ‘unfit to stand trial’ zou zijn, wordt dit met geen enkel objectief verifieerbaar (medisch) bescheid onderbouwd.
De raadsman heeft dit pas tijdens zijn pleidooi ter sprake gebracht, waarbij overigens niet duidelijk werd of dit gebaseerd wordt op de fysieke of de psychische toestand van verdachte. Mocht de raadsman doelen op het hartinfarct dat verdachte heeft getroffen en de bypass-operatie waarvan verdachte heeft moeten herstellen, dan is de militaire kamer van oordeel dat hier passende gevolgen aan zijn verbonden door de behandeling van deze zaak op
24 februari 2025 en op 18 augustus 2025 aan te houden, omdat verdachte destijds fysiek niet in staat was om aan het strafproces deel te nemen om voornoemde redenen.
Verdachte zelf heeft tijdens de bespreking van zijn persoonlijke omstandigheden met geen woord gerept over fysieke dan wel mentale omstandigheden waardoor hij niet aan het strafproces zou kunnen deelnemen, en hij heeft tijdens zijn laatste woord slechts gesproken over ervaringen tijdens zijn uitzending naar Bosnië die een impact op hem hebben gehad. Bovendien leek verdachte ter terechtzitting, behoudens enkele geheugenproblemen, geen moeite te hebben om tegenover de militaire kamer zijn verhaal te doen. Ook uit het verhandelde ter terechtzitting is het de militaire kamer dus niet gebleken dat het voor verdachte onmogelijk was om op een effectieve wijze in het strafproces te participeren.
De militaire kamer concludeert dan ook dat nergens uit blijkt dat het voor verdachte onmogelijk was om op een effectieve wijze in het strafproces te participeren en dat hij dus ‘unfit to stand trial’ zou zijn geweest. Ook dit kan derhalve geen grond zijn om de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging aan te nemen.
De aangevoerde vormverzuimen
De raadsman heeft aangevoerd dat sprake zou zijn van vormverzuimen, enerzijds omdat het onderzoek van de KMar niet volledig zou zijn uitgevoerd, anderzijds omdat de KMar ongeoorloofde druk zou hebben uitgeoefend op verdachte tijdens zijn verhoren.
De militaire kamer constateert ten aanzien van de volledigheid van het onderzoek dat de KMar, in tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, op basis van de verklaringen van verdachte wel degelijk nader onderzoek heeft gedaan dat mogelijk ontlastend voor verdachte had kunnen zijn. Zo heeft de KMar niet alleen de buren van verdachte, te weten [getuige 1] en [getuige 2], gehoord, maar ook [getuige 3], die het huurcontract met verdachte zou hebben afgesloten. Verder heeft de KMar onderzoek gedaan naar de herkomst van het geld van verdachte uit Suriname.
Ten aanzien van de huurovereenkomst constateert de militaire kamer dat verdachte zich in eerste instantie heeft beroepen op zijn zwijgrecht op vragen over het bestaan daarvan. Tijdens zijn verhoor op 13 juli 2020 heeft verdachte laten weten dat het huurcontract bij zijn advocaat lag en deze het aan de rechter zou laten zien. De KMar heeft het huurcontract vervolgens opgevraagd bij de advocaat van verdachte. De advocaat is na enige tijd aangeschreven, omdat het huurcontract nog steeds niet boven water was. De stelling van de raadsman van verdachte dat er hierover door de KMar geen contact met hem is gezocht, klopt dus niet.
De militaire kamer is dan ook van oordeel dat de KMar een deugdelijk en volledig opsporingsonderzoek heeft uitgevoerd, waarbij alle ‘losse eindjes’ zijn uitgelopen. Dat de verdediging op de terechtzitting andersluidende verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], die kennelijk in een andere gerechtelijke procedure zijn gebruikt, heeft ingediend, doet daar niet aan af.
Ten aanzien van de eventueel op verdachte uitgeoefende druk constateert de militaire kamer dat verdachte tijdens zijn verhoren op 28 november 2019 en 13 juli 2020 gebruik maakte van verhoorbijstand van een advocaat. Tijdens zijn verhoor op 29 november 2019 werd verdachte niet bijgestaan door een advocaat, maar had hij wel de mogelijkheid om die te bellen, indien nodig. Ook bij de verhoren van verdachte op 14 juli 2020 was zijn advocaat niet aanwezig. Op verzoek van verdachte zijn deze auditief geregistreerd.
Aan het einde van zijn verhoor op 28 november 2019 heeft verdachte de verbalisanten bedankt, omdat zij hem menselijk hebben behandeld. Na zijn verhoren op 29 november 2019, 13 juli 2020 en 14 juli 2020 zei hij desgevraagd dat de verbalisanten hem netjes hadden behandeld. De militaire kamer ziet geen enkele reden om aan te nemen dat verdachte zich hierin slechts sociaal wenselijk op heeft gesteld, zoals hij ter terechtzitting heeft aangevoerd.
De processen-verbaal bieden gegeven de verslaglegging van de vragen, de wijze waarop die zijn gesteld en door verdachte zijn beantwoord, op zichzelf geen indicatie van enige druk die op verdachte is gelegd, waarbij van belang is dat geen twijfel bestaat aan de juistheid van die verslaglegging, nu verdachte na ieder verhoor zijn verklaringen heeft doorgelezen en deze heeft ondertekend.
In het licht van deze omstandigheden ziet de militaire kamer in de processen-verbaal van verhoor van verdachte geen enkele aanwijzing dat verdachte onheus zou zijn bejegend, dan wel dat de verbalisanten van de KMar ongeoorloofde druk hebben uitgeoefend op verdachte. Ook deze grond kan niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging van verdachte.
Conclusie
De militaire kamer gaat uit van de deugdelijkheid en volledigheid van het opsporingsonderzoek dat de KMar heeft uitgevoerd en van de juistheid van het aan de hand daarvan opgestelde procesdossier. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte. Daarmee is ook geen sprake van schending van artikel 6 van Pro het EVRM, voor zover de raadsman heeft beoogd dit verweer te voeren.
3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit, omdat het procesdossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte enige betrokkenheid had bij de hennepkwekerij en ook niet bij de illegale stroomvoorziening van de kwekerij.
Beoordeling door de militaire kamer
De verklaring van verdachte uit de verhoren
Zoals hierboven overwogen, gaat de militaire kamer uit van de deugdelijkheid van het opsporingsonderzoek dat de KMar heeft uitgevoerd en van de juistheid van het aan de hand daarvan opgestelde procesdossier. Hieruit vloeit voort dat de militaire kamer van oordeel is dat de verklaringen die verdachte bij de KMar heeft afgelegd als bewijs kunnen dienen.
De bewijsmiddelen
Op 2 oktober 2019 ontving de politie een melding van [bedrijf] vanwege een afwijkend belastingpatroon in het elektriciteitskabelnet aan de [adres] in [woonplaats], te weten een dagelijks verhoogd stroomverbruik met een 12-uurspatroon, wat volgens de politie typisch is bij het kweken van hennep. Op deze kabel is onder andere [adres] aangesloten. Volgens gegevens van [bedrijf] bleek er eind juni 2019 een operationele hennepkwekerij aan te zijn gesloten op het 10 kV-station [adres] in [woonplaats]. Op 9 september 2019 was er wederom een 12-uurspatroon zichtbaar.
Op 3 oktober 2019 is daarom een thermische luchtopname aangevraagd van alle adressen die op deze kabel waren aangesloten. Op 23 oktober 2019 ontving de politie het beeldmateriaal, waarop een warmtebron zichtbaar was achter de woning aan de [adres], aan de achterzijde van de schuur (door verdachte ter terechtzitting aangeduid als het guest house) en de voorzijde van de kas. [2]
Op 28 november 2019 was de politie ter plaatse op voornoemd adres. In het bijgebouw (het guest house) bevond zich aan de achterzijde van de garage een deur, die was afgesloten met een slot. Achter die deur bevond zich een ruimte die was ingericht voor het knippen en drogen van hennep. Hier trof de politie droogrekken, volle vuilniszakken met hennepresten, meerdere laarzen, een vervuilde (aangesloten) koolstoffilter, een vervuilde koolstoffilter op de grond, ventilatoren, een kachel en een waterreservoir aan. Er hing een groot schakelbord, waarvan de politie, gelet op de staat van het schakelbord en de hoeveelheid stof, vermoedde dat die er al langere tijd hing.
De achterzijde van deze droogruimte verschafte toegang tot een tussenruimte met een ondergrondse doorgang naar een (eveneens ondergrondse) ruimte onder een lege kas. Hier vond de politie een in werking zijnde hennepkwekerij met 260 hennepplanten van tien tot vijftien centimeter hoog. [3]
Volgens de politie is het aannemelijk dat er meerdere keren is geoogst. De politie zag op de vloer van de hennepkwekerij namelijk restanten van oudere hennepplanten.
Ook zat er een op kalk gelijkende afzetting op het zeil en op de onderzijde van de plantenpotten en er was ruime kalkafzetting te zien op het waterreservoir.
Er lag ook stof op de kappen van de armaturen van de assimilatielampen, het stoffilter van de koolstofcilinder en de aanwezige elektra. Verder trof de politie knipschaartjes met hennepresten aan.
Op de bodem van eerder genoemde kas lag bovendien een grote hoeveelheid gebruikte potgrond, waarin diverse stekblokjes/-rondjes en wortelresten werden aangetroffen. Diverse stukken samengeperste potgrond hadden dezelfde vorm en inhoud als de lege potten uit de kweekruimte.
Daarnaast lagen op de zolder van het schuurtje (het guest house) vier gebruikte koolstoffilters zonder filterdoek.
Tot slot werd in het schuurtje een notitieblaadje gevonden met diverse aantekeningen, waaronder diverse data. De KMar heeft het vermoeden dat deze aantekeningen voortkomen uit eerdere oogsten, omdat de data nagenoeg exact overeenkomen met de kweekcycli van een hennepkwekerij. Daarbij staat ‘binnen’ volgens de KMar voor het opbouwen van de kwekerij, wat ongeveer een week duurt, de ‘B’ voor het in bedrijf zijn van de kwekerij, wat acht tot negen weken duurt, en de ‘K’ voor het knippen van de hennep. [4]
De militaire kamer constateert op basis hiervan, in samenhang met de eerdergenoemde bevindingen van [bedrijf] aangaande het stroomverbruik, en de diverse aangetroffen en gebruikte materialen, dat er minstens drie eerdere oogsten zijn geweest.
In de meterkast bleek verder een illegale aansluiting te zijn gemaakt. Er was namelijk een illegale elektriciteitskabel aangelegd die buiten de elektriciteitsmeter om liep, waardoor stroom kon worden gestolen. Hiervoor moet de verzegeling van de aansluitkast zijn verbroken. [5] Verder waren de shunts van de kWh-meter, die zich normaal gesproken achter een verzegelde aansluitdeksel bevinden, open, los of beschadigd, waardoor de meter geen of een onvolledige hoeveelheid afgenomen energie registreert. Om het deksel van de elektriciteitsmeter te kunnen verwijderen, moeten de zegels worden verwijderd, vervangen of gemanipuleerd. Verdachte was op 28 november 2019 contractant op voornoemd perceel. [6]
Anders dan door de verdediging is betoogd, heeft de KMar [getuige 1], de buurman van verdachte, wel degelijk gehoord. [getuige 1] heeft op 16 juli 2020 een verklaring afgelegd bij de KMar, waarin hij heeft verklaard dat hij in september of oktober 2018 in de kelder van de schuur van de verdachte is geweest. Hij zag toen alleen vliegtuigstoelen en een laag water. Voorts heeft hij verklaard dat hij twee of drie maanden later voor het laatst nog een keer in de schuur is geweest. [7]
De militaire kamer leidt hieruit af dat de getuige stelt voor het laatst in december 2018 in de schuur van verdachte te zijn geweest.
Door de verdediging is als bijlage aan zijn pleitnota een verklaring van [getuige 1], gedateerd 23 maart 2020, gevoegd, waarin deze verklaart dat hij begin juni 2019 samen met verdachte de nieuwe huurder van het gebouw op perceel 4037 heeft geholpen met het sjouwen van diens spullen. [8]
De militaire kamer neemt in haar overweging mee dat onduidelijk is gebleven in het kader waarvan de getuige deze schriftelijke verklaring heeft opgesteld, dat ook de getuige zelf, slechts vier maanden na het opstellen van deze verklaring is gehoord door de KMar, en daarin andersluidend heeft verklaard en dat eerder nimmer door verdachte melding is gemaakt van het bestaan van deze verklaring.
Verdachte heeft verklaard dat hij sinds ongeveer driekwart jaar met zijn partner had afgesproken dat zij niet in de garage/schuur (het guest house) mocht komen en dat zij daar voor die tijd ook nooit kwam. Hoewel verdachte pas sinds oktober 2019 officieel aan de [adres] in [woonplaats] woont, verbleef hij daarvoor al regelmatig op dat adres.
Verdachte vond op internet een manier om zijn stroomgebruik te verminderen, maar dit ging fout. Daarom zocht hij op Marktplaats naar zegeltjes en zo is hij met de ‘huurder’ in contact gekomen. Gevraagd naar wie die huurder dan is, beroept verdachte zich in eerste instantie op zijn zwijgrecht, omdat hij er door geld in is gerold en het hem was verteld dat hij in de problemen zou komen als hij iets zou vertellen.
Verdachte heeft die persoon, die verdachte ‘[naam]’ noemt, geholpen door zand naar binnen te sjouwen. Eén van de afspraken was dat verdachte hem zou helpen als die persoon alleen was. Die persoon was wel eens met meerdere mensen. Die persoon had laatst nieuwe stekken gezet. ‘[naam]’ nam deze planten zelf mee en hij verzorgde ze ook zelf. Verdachte hoefde alleen soms mee te helpen met sjouwen. Meestal was dat zand, maar soms ook een filter.
Toen de KMar verdachte vroeg wat hij er van vond, antwoordde hij dat hij zijn toekomst had vergooid voor niets. Verdachte vindt het een zwak punt van zichzelf dat hij makkelijk over te halen is, maar aan de andere kant heeft verdachte er ook geld voor gekregen, waarvan hij heeft geleefd.
Toen zijn partner hem belde dat hij naar huis moest komen, zei verdachte dat hij wist dat het uit zou komen.
‘[naam]’ bood hem geld aan en verdachte vond dit wel heel makkelijk verdienen. Hij had geen schulden bij iemand. Achteraf had verdachte er veel spijt van. Hij heeft zijn gezin en kinderen in gevaar gebracht. Over zichzelf verklaart verdachte: wie met vuur speelt, moet op de blaren zitten. Hij baalde ook heel erg van zijn baan, want hij heeft het naar zijn zin bij Defensie. Volgens verdachte is dit de eerste keer dat hij de fout in gaat. [9]
Tot slot heeft verdachte verklaard dat het handschrift op de aangetroffen notitie van hem is. [10]
De beoordeling door de militaire kamer
De verdediging heeft ter terechtzitting een alternatief scenario aangedragen. Verdachte heeft namelijk verklaard dat niet hij, maar de huurder van het guest house, verantwoordelijk is voor de hennepkwekerij en dat verdachte hier niets van afwist. Verdachte heeft enkel kennis gekregen van de hennepkwekerij doordat hij aanwezig was bij de doorzoeking van de politie.
De militaire kamer merkt op dat er op basis van het procesdossier een en ander op dit alternatieve scenario valt af te dingen.
Volgens verdachte heeft hij een huurovereenkomst afgesloten met ene ‘[naam]’. De verdediging heeft uiteindelijk een huurovereenkomst overgelegd, waarin [getuige 3] als huurder van het guest house wordt genoemd. [getuige 3] heeft echter verklaard dat hij nog nooit iets heeft gehuurd en dat hij in september 2019 zijn identiteitskaart kwijt is geraakt. Het is dan ook moeilijk te verklaren hoe een kopie van zijn identiteitskaart, die op 30 mei 2019 is aangemaakt, bij de op 17 mei 2019 ondertekende huurovereenkomst kan zijn gevoegd. Daarbij komt dat verdachte een signalement heeft opgegeven van ‘[naam]’ dat in het geheel niet overeenkomt met het signalement van [getuige 3] en ook niet met het signalement dat zijn partner van de huurder heeft opgegeven, te weten een kale, blanke man van boven de 40 jaar. Dit alles maakt dat de militaire kamer de authenticiteit van de huurovereenkomst in twijfel trekt.
Verdachte heeft verder verklaard dat hij ‘[naam]’ heeft leren kennen via Marktplaats toen verdachte ‘[naam]’ vroeg om in de meterkast te kijken naar het elektriciteitsverbruik in de woning van verdachte. Op dat moment was verdachte zelf niet thuis, maar de partner van verdachte wel. Verdachte heeft verklaard dat hij niet meer heeft gekeken naar de werkzaamheden die ‘[naam]’ heeft verricht, omdat hij dat is vergeten. De militaire kamer acht het volstrekt onaannemelijk dat verdachte in een dergelijke situatie niet op zijn minst zou controleren wat ‘[naam]’, op dat moment een volslagen vreemde voor verdachte, in zijn meterkast had gedaan, temeer nu zijn vrouw naar zijn zeggen geen verstand van elektra heeft. Dit past veel beter bij het scenario dat verdachte en ‘[naam]’ samen een hennepkwekerij wilden opzetten.
Bovendien heeft verdachte na zijn verhoor op 29 november 2019 tegen de KMar gezegd dat zij konden zoeken wat ze wilden, maar dat ze ‘[naam]’ niet gingen vinden, omdat verdachte deze naam had verzonnen. Verdachte kon verder geen informatie over hem geven, omdat hij dat had afgesproken. Als hij dat wel zou doen, zou hij flink in de problemen kunnen komen.
Toen de politie ter plaatse kwam bij de woning van verdachte, hebben zij de partner van verdachte gevraagd of er een hennepkwekerij aanwezig was in de schuur. De partner van verdachte heeft vervolgens om 9:34 uur verdachte gebeld. Zes minuten na dit telefoontje, om 9:40 uur, maakte verdachte € 4.000,- over naar zijn zwager. Om 9:49 uur maakte hij € 3.500,- over naar zijn dochter. Van 9:58 uur tot 10:01 uur nam hij € 12.000,- aan contant geld op in vijf opnames. Pas daarna is verdachte naar de woning gegaan. Als verdachte, volgens zijn eigen verklaring, inderdaad geen enkele betrokkenheid of wetenschap had van de hennepkwekerij, vindt de militaire kamer dat een onbegrijpelijke handelswijze.
Ter plaatse heeft verdachte in eerste instantie verklaard dat hij geen sleutel had van de kweekruimte en dat de politie de deur maar moest openbreken. De sleutel bleek echter gewoon aan een sleutelbos in de sleutelkast in de keuken van de woning van verdachte te hangen. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat de sleutel daar hing. De militaire kamer acht dit onaannemelijk, omdat er nog allerlei goederen van verdachte in het guest house lagen en verdachte, volgens zijn eigen verklaring, nog regelmatig in het guest house was, zo ook in de week voorafgaand aan 28 november 2019.
Bij de doorzoeking is in het guest house een notitieblaadje aangetroffen met aantekeningen in het handschrift van verdachte, zoals blijkt uit het onderzoek van de KMar en de eigen verklaring van verdachte. De militaire kamer acht, gelet op de data die precies bij cycli van het kweken van hennep passen, niet aannemelijk dat dit kweekschema ziet op andere planten dan hennepplanten.
Toen de KMar een dag later bij verdachte thuis kwam om zijn telefoon in beslag te nemen, zei verdachte dat hij niet kon zeggen of zijn telefoon ook daadwerkelijk in zijn woning of in de auto aanwezig zou zijn. Uiteindelijk heeft de KMar de telefoon van verdachte gebeld, waarna er een geluid uit de brievenbus leek te komen. De telefoon van verdachte werd vervolgens aangetroffen op het plateau in zijn brievenbus. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn telefoon heeft gereset, omdat er gevoelige informatie van collega’s op zou staan. Ook deze gang van zaken bevreemdt de militaire kamer ten zeerste.
Tijdens zijn verhoor op 28 november 2019 heeft verdachte verklaard, dat hij wist dat het uit zou komen toen zijn partner hem belde dat hij naar huis moest komen. Verder heeft hij verklaard dat wie met vuur speelt op de blaren moet zitten, dat hij heel erg baalt van zijn baan bij Defensie en dat dit de eerste keer is dat hij de fout in gaat.
Dit alles past zeer slecht bij de verklaring van verdachte dat hij pas wetenschap had van de hennepkwekerij uit hetgeen hij tijdens de doorzoeking van de politie toevallig heeft meegekregen. Volgens de militaire kamer laat al het bovenstaande zich dan ook enkel uitleggen door de conclusie dat verdachte niet alleen wist van de hennepkwekerij, maar daar ook (mede) verantwoordelijk voor was. De militaire kamer schuift het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario – dat het enkel de huurder zou zijn geweest die betrokken was bij de hennepkwekerij en dat verdachte van niets zou hebben geweten – geheel terzijde. Voor de militaire kamer staat vast dat ‘[naam]’ niet de persoon is wiens gegevens op het (valselijk opgemaakte) huurcontract staan, maar dat dit contract enkel en alleen is opgemaakt, mogelijk naderhand, om te verhullen wie de compagnon(s) van verdachte was of waren.
Het procesdossier bevat meerdere aanwijzingen dat verdachte de hennepkwekerij niet in zijn eentje runde. Zo verklaart verdachte dat hij ‘[naam]’ heeft geholpen met het sjouwen van zand en soms ook een filter. Getuige [getuige 1] verklaart ook dat hij samen met verdachte een persoon, waarvan [getuige 1] dacht dat het de huurder van het gebouw was, heeft geholpen met het sjouwen van diens spullen. Verder zijn er meerdere gebruikte knipschaartjes voor hennep aangetroffen. Tot slot heeft de partner van verdachte ook een signalement van ‘[naam]’ opgegeven, dat niet overeenkomt met het signalement dat verdachte van ‘[naam]’ heeft gegeven, maar ook niet met het signalement van [getuige 3]. Kennelijk is er dus wel degelijk minstens één persoon geweest met wie verdachte heeft samengewerkt. De militaire kamer gaat er dan ook van uit dat verdachte tezamen en in vereniging heeft gehandeld.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en hetgeen de militaire kamer hiervoor heeft overwogen, is de militaire kamer van oordeel dat verdachte 260 hennepplanten, dus een grote hoeveelheid, heeft geteeld en opzettelijk aanwezig heeft gehad. Aangezien er volgens het kweekschema minstens drie eerdere oogsten hebben plaatsgevonden, acht de militaire kamer eveneens bewezen dat verdachte dit beroeps- of bedrijfsmatig heeft gedaan.
Verder stelt de militaire kamer vast dat verdachte illegaal stroom heeft afgenomen in de tenlastegelegde periode door de zegels en het deksel van de elektriciteitsmeter te verbreken en/of te verwijderen.
Daarmee komt de militaire kamer tot een bewezenverklaring van het onder 1 en het onder 2 primair tenlastegelegde, inclusief het tenlastegelegde medeplegen.

4.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 28 november 2019 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met een of meer anderen
, althans alleen, al dan nietin de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk
heeft geteeld
en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad
(in een pand aan de [adres]
)een hoeveelheid van
(in totaal
)ongeveer 260 hennepplanten,
althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend,terwijl dit gepleegde feit
(mede)betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel
(te weten 260 hennepplanten
, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);
2. primair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met
28 november 2019 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen,telkens een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat
/diegeheel
of ten deleaan [bedrijf],
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en
/ofzijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf
heeft/hebben verschaft en
/of dat/die weg te nemen elektriciteit onder
zijn/hun bereik
heeft/hebben gebracht door middel van
braak,verbreking
en/of inklimming(door een of meer
(ijk)zegel(s) en
/ofhet deksel van de elektriciteitsmeter te verbreken en
/of verwijderen en/of(vervolgens) een elektriciteitsaansluiting aan de boven- en/of buitenzijde, in elk geval buiten de meter om, te maken).
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod en met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;
feit 2 primair:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

6.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

7.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen specifieke verweren gevoerd ten aanzien van de strafoplegging.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft, samen met één of meerdere onbekend gebleven persoon of personen, in een ondergrondse ruimte in een bijgebouw op zijn perceel een hennepkwekerij opgezet. Er is minstens drie keer eerder geoogst.
Hennep bevat de stof THC die schadelijk is voor de volksgezondheid en daarom door de wetgever op lijst II van de Opiumwet is geplaatst. In het algemeen geldt voor verdovende middelen dat zij verslavend zijn, met alle nadelige gevolgen van dien voor de gebruikers.
Het is verder een feit van algemene bekendheid dat de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van ondermijnende criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt toegebracht en waarvan door de maatschappij overlast wordt ervaren. Met het telen van hennep heeft verdachte, nota bene een actief dienend militair, een actieve bijdrage geleverd aan de instandhouding van verslavingen en het criminele drugscircuit en de daarmee gepaard gaande randcriminaliteit. De militaire kamer rekent dit verdachte in ernstige mate aan.
Daarnaast zijn hennepkwekerijen gevaarlijk, omdat de stroomvoorziening vaak illegaal wordt geregeld, waardoor gevaar ontstaat voor personen en goederen. Ook in dit geval is de hennepkwekerij van elektriciteit voorzien door diefstal van die elektriciteit. Daarmee hebben verdachte en zijn mededader(s) niet alleen zichzelf, maar het gezin van verdachte in gevaar gebracht.
Verder lijkt verdachte redelijk makkelijk tot het besluit te zijn gekomen om de hennepkwekerij op te zetten. De militaire kamer rekent het hem ook in ernstige mate aan dat hij over is gegaan tot strafbaar handelen, kennelijk enkel met het oog op financieel gewin.
Tot slot heeft verdachte na de ontdekking van de hennepkwekerij op geen enkel moment openheid van zaken gegeven. Sterker nog, verdachte heeft enkel rookgordijnen opgeworpen om het onderzoek van de KMar te bemoeilijken en te voorkomen dat zij erachter zouden komen dat hij verantwoordelijk was voor de hennepkwekerij. Dit gedrag is een militair onwaardig, helemaal aangezien verdachte een adjudant-onderofficier is met een enorm lange staat van dienst. De militaire kamer neemt hem dit ten zeerste kwalijk.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het strafblad van verdachte d.d. 3 juli 2025 blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaar niet in aanraking is gekomen met politie of justitie.
Verdachte heeft als gevolg van onderhavige zaak in totaal vier dagen doorgebracht in verzekering.
Verdachte woont samen met zijn partner, met wie hij drie kinderen heeft. Hij werkt bij de Koninklijke Luchtmacht en verdient genoeg om van rond te kunnen komen. Zijn gezin en hij hebben veel te kampen gehad als gevolg van onderhavige verdenking, in het bijzonder gelet op het zeer lange tijdsverloop tussen zijn eerste aanhouding en deze uitspraak.
De strafoplegging
De militaire kamer is, gelet op de ernst van de feiten en de houding van verdachte, van oordeel dat een onvoorwaardelijke straf in beginsel gerechtvaardigd is. Daarbij zoekt de militaire kamer aansluiting bij de LOVS-oriëntatiepunten, die uitgaan van een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis.
De militaire kamer constateert echter ook dat de redelijke termijn in ernstige mate is overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak namelijk te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Verdachte is op 28 november 2019 voor het eerst in verzekering gesteld. Dit is een handeling waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De militaire kamer wijst echter pas op 2 februari 2026 vonnis. Hoewel een deel van de lange duur voor rekening en risico van verdachte en diens raadsman dienen te komen, is de redelijke termijn in ernstige mate overschreden.
De militaire kamer is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben. Daarom zal de militaire kamer de hiervoor genoemde straf in geheel voorwaardelijke vorm opleggen.
De militaire kamer veroordeelt verdachte tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, met een proeftijd van 2 jaar.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht;
- 3 en 11 van de Opiumwet.

10.De beslissing

De militaire kamer:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;
 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
 bepaalt dat deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.H. Pennings (voorzitter) en mr. Y.H.M. Marijs, rechters, en Kapitein-ter-Zee (LD) mr. J.L. Wesstra in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 februari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de Koninklijke Marechaussee, Brigade Brabant Noord/Limburg Noord, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2021070800.4716, onderzoek 27Anembo, gesloten op 28 augustus 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 162.
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 172-174 en proces-verbaal sporenonderzoek, p. 177.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 315-320 en proces-verbaal van bevindingen, p. 371.
5.Een geschrift, te weten een aangifteformulier diefstal energie van [aangever] namens [bedrijf] , p. 230.
6.Een geschrift, te weten een aangifteformulier diefstal energie van [aangever] namens [bedrijf] , p. 259.
7.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], p. 309-311.
8.Een geschrift, te weten de verklaring van [getuige 1] van 23 maart 2020, als bijlage toegevoegd bij het pleidooi van de raadsman.
9.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 46-51.
10.Verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 januari 2026.