ECLI:NL:RBGEL:2026:1713

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
ARN 25_934
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 PwArt. 32 PwArt. 53a Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling intrekking en beëindiging recht op bijstand wegens samenwonen met inkomen boven norm

Eiser ontving bijstand als alleenstaande en is per 2 september 2024 gaan samenwonen met zijn vriendin. De gemeente startte een onderzoek naar zijn recht op bijstand, mede vanwege onduidelijkheid over de relatie en het feit dat vijf personen op het adres stonden ingeschreven. Uit het onderzoek bleek dat de vriendin van eiser een uitkering ontvangt die ver boven de bijstandsnorm ligt.

De gemeente trok het recht op bijstand van eiser in voor de periode 2 september tot en met 29 oktober 2024 en beëindigde het per 30 oktober 2024. Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder onzorgvuldigheid, onvoldoende onderzoek naar de financiële situatie van zijn vriendin, schending van het vertrouwensbeginsel en het verbod op vooringenomenheid.

De rechtbank oordeelde dat het college terecht het recht op bijstand heeft ingetrokken en beëindigd. Het onderzoek was zorgvuldig, het college hoefde geen rekening te houden met het negatieve verzamelinkomen van de vriendin, en het gesprek met de fraudepreventiemedewerker was gerechtvaardigd. Klachten over de wijze van behandeling en informatievoorziening zijn niet relevant voor de rechtmatigheid van het besluit.

Het beroep is ongegrond verklaard, eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J.A. van Schagen op 19 februari 2026 te Arnhem.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en beëindiging van het recht op bijstand is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/934

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. Ö. Kenç),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, het college

(gemachtigden: G. Albers, D. Hannink en mr. A. Klok).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van het recht op bijstand van eiser over de periode van 2 september 2024 tot en met 29 oktober 2024 en over de beëindiging van het recht op bijstand van eiser per 30 oktober 2024 op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking en beëindiging van het recht op bijstand van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het recht op bijstand van eiser terecht heeft ingetrokken en beëindigd. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De uitspraak is als volgt opgebouwd. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 30 oktober 2024 het recht op bijstand van eiser ingetrokken van 2 september 2024 tot en met 29 oktober 2024 en het recht op bijstand beëindigd per 30 oktober 2024. Met het bestreden besluit van 9 januari 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dit besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Eiser heeft daarna nog aanvullende stukken overgelegd. Het college heeft daarop gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, de vriendin van eiser en de gemachtigden van het college deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontving sinds 26 oktober 2021 bijstand naar de norm van een alleenstaande op grond van de Pw. Hij woonde begeleid via het Leger des Heils.
3.1.
Op 4 september 2024 heeft eiser contact gezocht met een consulent van de gemeente en laten weten dat hij per 2 september 2024 is gaan samenwonen met zijn vriendin en dat hij wil bespreken welke financiële gevolgen dit heeft.
3.2.
Omdat de invulling van de relatie tussen eiser en zijn vriendin niet duidelijk was, is de gemeente een onderzoek gestart naar het recht op en de hoogte van de bijstand van eiser. Bij dit onderzoek is een fraudepreventiemedewerker betrokken, omdat uit onderzoek bleek dat op het adres van eiser vijf personen stonden ingeschreven. Bij brief van 3 oktober is eiser medegedeeld dat de uitbetaling van de bijstand met ingang van 2 september 2024 wordt gestaakt, omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. In afwachting van het onderzoek is een voorschot van € 200 verstrekt. Ook is eiser in deze brief uitgenodigd voor een gesprek. Dit gesprek met een consulent van de gemeente en de fraudepreventiemedewerker vond plaats op 16 oktober 2024. Hierbij waren zowel eiser als zijn vriendin aanwezig. Tijdens dit gesprek is doorgevraagd naar de relatie en woonsituatie van eiser en zijn vriendin. Naar aanleiding van dit gesprek is geconcludeerd dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Omdat de vriendin van eiser hierdoor een betrokkene is geworden van het recht op bijstand is Suwinet geraadpleegd. Hieruit volgt dat de vriendin van eiseres een uitkering ontvangt op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) of een particuliere verzekering ziekte, invaliditeit en ongeval, en dat haar inkomsten ver boven de bijstandsnorm voor gehuwden uitkomen. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport van 16 oktober 2024.
3.3.
Hierna heeft het college de besluiten genomen zoals vermeld onder 2. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd, dat eiser een gezamenlijke huishouding voert met zijn vriendin, waardoor hij geen recht meer op bijstand als alleenstaande heeft. Eiser en zijn vriendin hebben volgens het college ook geen gezamenlijk recht op bijstand, omdat uit gegevens van de Belastingdienst blijkt dat de vriendin van eiser meer inkomsten heeft dan de bijstandsnorm die geldt voor gehuwden en samenwonenden.
De te beoordelen periode
4. De te beoordelen periode loopt van 2 september 2024 tot en met 30 oktober 2024.
Zorgvuldigheid van het bestreden besluit
5. Eiser vindt dat het college het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid.
Hoorzitting
5.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat het college het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid, omdat de hoorzitting in bezwaar niet is verplaatst. Eiser kon namelijk niet aanwezig zijn, vanwege een onverwachtse chirurgische behandeling. Hierdoor is hem de mogelijkheid ontnomen om tijdens de hoorzitting opnieuw zijn standpunten over de financiën van zijn vriendin toe te lichten. Hij wist ook niet dat hij om uitstel had kunnen verzoeken. Het college had hem op deze mogelijkheid moeten wijzen. Ter onderbouwing van zijn medische behandeling heeft eiser facturen van de behandeling overgelegd.
5.2.
Dit betoog slaagt niet. Eiser heeft zich vanwege zijn chirurgische behandeling afgemeld voor de hoorzitting en daarbij nog een nadere schriftelijke uiteenzetting meegezonden. Eiser heeft echter niet verzocht om uitstel. Dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het college eiser niet heeft gewezen op de mogelijkheid om uitstel te vragen, volgt de rechtbank niet.
Financiële consequenties
5.3.
Eiser stelt zich verder op het standpunt dat het college hem ten onrechte niet heeft geïnformeerd over de financiële consequenties die samenwonen voor hem zouden hebben. Hij is daar zowel tijdens het MDO-overleg van 13 augustus 2024 als door het Leger des Heils niet op gewezen.
5.4.
Dit betoog slaagt niet. Het MDO-overleg dat plaatsvond op 13 augustus 2024 was een gesprek tussen eiser, een WMO-consulent en persoonlijk begeleider. Het college heeft tijdens de zitting laten weten dat hierbij geen medewerker van de afdeling Inkomen aanwezig was. Dat in dit gesprek zou zijn gesproken over het samenwonen van eiser en zijn vriendin, volgt bovendien ook niet uit het dossier. De eerste melding van het samenwonen kwam van eiser zelf op 4 september 2024 en naar aanleiding daarvan is een onderzoek ingesteld naar het recht op bijstand van eiser. Dat het Leger des Heils eiser niet heeft geïnformeerd over de financiële consequenties van samenwonen, betekent ook niet dat het college het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. Het Leger des Heils is namelijk een organisatie die niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente valt.
Inkomen boven de bijstandsnorm
6. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat het college onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de financiële situatie van zijn vriendin en onvoldoende heeft gemotiveerd dat het gezamenlijk inkomen van hem en zijn vriendin boven de bijstandsnorm uitkomt. Het college is bij het vaststellen van het inkomen enkel uitgegaan van de uitkering die de vriendin van eiser ontvangt, terwijl het college had moeten kijken naar wat eiser en zijn vriendin onder de streep overhouden. In het gesprek van 16 oktober 2024 heeft de vriendin van eiser namelijk aangegeven dat haar financiën veel lager (zullen) liggen, omdat haar huisartsenpraktijk zal worden overgenomen en omdat ze in scheiding ligt met haar ex-man. Ze zal hier ook schulden aan overhouden. Het college heeft tijdens dit gesprek ten onrechte niet doorgevraagd naar haar (verslechterde) financiële situatie of hier een onderzoek naar ingesteld. In beroep heeft eiser verschillende stukken overgelegd die de financiële situatie van hem en zijn vriendin onderbouwen. [1] Uit deze stukken volgt onder andere dat het negatief verzamelinkomen van de vriendin van eiser in het jaar 2024
€ 52.274 is. Als het college hiermee rekening zou hebben gehouden, dan zou het recht op bijstand niet zijn beëindigd en ingetrokken.
6.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in de te beoordelen periode sprake was van samenwoning en eiser daarom geen recht had op bijstand naar de norm van een alleenstaande. Ook is niet in geschil dat de vriendin van eiser inkomen ontvangt uit haar particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering en dat dit meer is dan de voor hen geldende bijstandsnorm. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of het college bij het vaststellen van het inkomen, als bedoeld in artikel 31 en Pro 32 van de Pw, ook rekening had moeten houden met de (verslechterde) financiële situatie van de vriendin van eiser.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college is bij de vaststelling van het inkomen terecht uitgegaan van de uitkering die de vriendin van eiseres ontvangt uit haar particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Dat het college bij het vaststellen van het inkomen rekening had moeten houden met de (toekomstige) verslechterde financiële situatie van de vriendin van eiser en dus haar negatief verzamelinkomen als uitgangspunt had moeten nemen, volgt de rechtbank niet. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraak van 6 augustus 2019 namelijk geoordeeld, dat de artikelen 31 en 32 van de Pw geen ruimte bieden om negatief inkomen uit onderneming te verrekenen met positief inkomen. [2] Dat de Belastingdienst over het jaar 2024 dus een negatief verzamelinkomen heeft vastgesteld, is niet van belang bij de uitleg van het begrip middelen en inkomen in de zin van artikel 31 en Pro 32 van de Pw, omdat het om een ander wettelijk inkomensbegrip gaat.
6.3.
Dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de financiële situatie van eiser en zijn vriendin, volgt de rechtbank daarom niet. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om in te gaan op het aanbod van eiser om, door middel van een deskundigenverklaring, de financiële situatie van de vriendin van eiser te bewijzen.
Verbod van vooringenomenheid
7. Eiser stelt verder dat het college in strijd heeft gehandeld met het verbod op vooringenomenheid. Het gesprek van 16 oktober 2024 had voor het college namelijk enkel tot doel om een aantal vragen te stellen ter onderbouwing van het al voorgenomen besluit tot beëindiging en intrekking van het recht op bijstand. Dit blijkt uit het feit dat tijdens dit gesprek een fraudepreventiemedewerker aanwezig was en dat er geen financieel relevante vragen zijn gesteld aan eiser en zijn vriendin.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 53a van de Pw is het college bevoegd om een onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening van bijstand. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB kan deze algemene onderzoeksbevoegdheid steeds en spontaan worden uitgeoefend. Daartoe is geen daaraan voorafgaand redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist. [3] Gelet hierop heeft het college daarom een fraudepreventiemedewerker kunnen uitnodigen voor het gesprek. Bovendien heeft het college toegelicht dat deze fraudepreventiemedewerker aan de ene kant was uitgenodigd, omdat op het nieuwe adres van eiser en zijn vriendin vijf mensen stonden ingeschreven, en aan de andere kant omdat de invulling van de relatie tussen eiser en zijn vriendin nog onbekend was.
Vertrouwensbeginsel en het beginsel van fair play
8. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat het college het vertrouwensbeginsel en het beginsel van fair play heeft geschonden. Het college heeft eiser er op geen enkel moment op gewezen dat met de beëindiging van zijn recht op bijstand ook zijn registratie in het doelgroepenregister van het UWV zou vervallen. Het college had hem moeten adviseren om deze registratie bij het UWV zo snel mogelijk zelf aan te vragen. Daarnaast volgde eiser een re-integratietraject via Werkkracht. Dit had het college uit coulance door kunnen laten lopen. Ook is er geen enkele nazorg geweest toen eiser vanuit een beschermd wonen indicatie is gaan samenwonen. Tot slot stelt eiser dat het college hem had moeten informeren over de mogelijkheid tot het samenwonen op proef. Dit had namelijk kunnen leiden tot behoud van zijn recht op bijstand gedurende (in ieder geval) de eerste zes maanden.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In deze procedure ligt de vraag voor of het college het recht op bijstand heeft mogen intrekken en beëindigen. De punten die eiser naar voren brengt, houden echter geen verband met de intrekking en beëindiging van de bijstand, maar zijn klachten over de manier waarop het college heeft gehandeld. Als eiser vindt dat hij door het college onjuist is behandeld, dan kan hij bijvoorbeeld een gesprek aanvragen bij de gemeente of een klacht indienen.
8.2.
In zoverre eiser stelt dat het college hem ten onrechte geen informatie heeft verstrekt over de mogelijkheid om samen te wonen op proef met behoud van uitkering, volgt de rechtbank dit niet. Zoals het college in het verweerschrift heeft aangegeven is samenwonen op proef slechts onder voorwaarden mogelijk. Eiser en zijn vriendin voldoen niet aan twee van deze voorwaarden. Ze hebben namelijk vooraf geen toestemming gevraagd en hebben ook niet beiden een woning aangehouden, waarvoor alle lasten worden betaald. Gelet op deze laatste voorwaarde kwamen eiser en zijn vriendin sowieso niet in aanmerking voor samenwonen op proef, omdat eiser geen eigen woning had.
Schending zorgplicht
9. Tijdens de zitting heeft eiser zich nog beroepen op de zorgplicht van de overheid ten aanzien van kwetsbare personen zoals hijzelf. De rechtbank merkt daarover op dat, los van de juridische afdwingbaarheid van de zorgplicht, niet gebleken is dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld ten aanzien van eiser. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college hem op enig moment verkeerd heeft voorgelicht, dan wel heeft nagelaten hem pro-actief te informeren naar aanleiding van signalen dat hij wilde gaan samenwonen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het recht op bijstand van eiser heeft kunnen intrekken en beëindigen . Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Bouman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het gaat om de volgende stukken: een zelf ingevuld formulier van het inkomen van eiser en zijn vriendin over 2024, de jaaropgave over 2024 van eiser van de gemeente Ede, de aangifte inkomstenbelasting over 2024 van eiser, het jaaroverzicht uitkering over 2024 van de vriendin van eiser en de wijziging van de voorlopige aanslag over 2024 van de vriendin van eiser. In de aanvullende beroepsgronden heeft eiser verder nog overgelegd: een overzicht gezamenlijk inkomen 2024 en 2025 (met toelichting), de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2024 van de vriendin van eiser, brief over peiljaarverlegging 2025 door de Raad voor Rechtsbijstand, aanmaning aanslag loonheffing december 2024, definitieve aanslag zorgverzekeringswet 2024, KvK-uittreksel eenmanszaak van de vriendin van eiser, diverse stukken van schulden van de eenmanszaak van de vriendin van eiser, en facturen van een advocatenkantoor.
3.Zie bv. 23 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:792 en 28 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2645, r.o. 4.7