ECLI:NL:RBGEL:2026:1600

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
05-880526-19
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 6:6:25 SvArt. 6:6:26 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt en deelname criminele organisatie

De rechtbank Gelderland heeft op 3 maart 2026 uitspraak gedaan in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt, diefstal van stroom, witwassen en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op basis van drie hennepkwekerijen in Silvolde, Nijmegen en Rotterdam.

De berekening van het voordeel is gebaseerd op rapporten van de politie en het Functioneel Parket, waarbij opbrengsten, kosten, oogsten en verkoopprijzen per kwekerij nauwkeurig zijn geanalyseerd. De rechtbank nam ook tapgesprekken, SMS-berichten en andere bewijsmiddelen mee in haar beoordeling. De opbrengsten werden verdeeld over meerdere veroordeelden, waarbij rekening werd gehouden met de rolverdeling binnen de criminele organisatie.

Van het totale geschatte voordeel van ruim €1,17 miljoen werd een bedrag van circa €504.733,00 afgetrokken wegens verbeurd verklaarde panden en contant geld. Na verdeling en aftrek resteerde voor de veroordeelde een bedrag van €157.847,75. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn werd dit bedrag met €5.000,00 gematigd tot €152.847,75. De veroordeelde werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen, met een maximale gijzelingstermijn van 1080 dagen bij niet-betaling.

Uitkomst: Veroordeelde wordt verplicht tot betaling van €152.847,75 aan wederrechtelijk verkregen voordeel met maximale gijzeling van 1080 dagen bij niet-betaling.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Tegenspraak
Parketnummer : 05/880526-19
Datum uitspraak : 3 maart 2026
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officieren van justitie
tegen
[veroordeelde] (hierna: veroordeelde of [veroordeelde] ),
geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] (voormalige Sovjet-Unie),
wonende aan de [adres] .
Raadsvrouw: mr. W.M. Shreki, advocaat in Rotterdam.

1.De inhoud van de vordering

De officieren van justitie vorderen dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officieren van justitie voorlopig is geschat op € 1.771.172,75.

2.De procedure

De vordering is op een openbare terechtzitting behandeld. Voorafgaand aan deze zitting hebben schriftelijke rondes plaatsgevonden, als volgt:
  • Conclusie van eis van het openbaar ministerie van 29 augustus 2025.
  • Een door de verdediging opgestelde tegenberekening met vijf bijlagen, ingekomen op 6 oktober 2025.
  • Conclusie van repliek van het openbaar ministerie van 6 november 2025, met als bijlage een reactie op de tegenberekening met vier bijlagen.
  • Conclusie van antwoord van de verdediging van 3 oktober 2025, ingekomen op
  • Aanvullende conclusie van repliek van het openbaar ministerie van 20 november 2025 (inzake onder meer de ontneming ten aanzien van veroordeelde), met vijf bijlagen.
  • Conclusie van dupliek van de verdediging van 12 december 2025.
De officieren van justitie hebben ter terechtzitting de vordering aangepast en gevorderd dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel (dat in totaal € 1.454.047,95 bedraagt) voor veroordeelde wordt vastgesteld op een bedrag van € 306.654,00 en dat de betalingsverplichting van veroordeelde wordt vastgesteld op een bedrag van € 244.714,00.

3.De beoordeling van de vordering

3.1
Het vonnis in de hoofdzaak
De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 12 mei 2025 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde is veroordeeld ter zake van het medeplegen van hennepteelt (meermalen gepleegd in de periode van 7 mei 2019 tot en met 23 juli 2019), het medeplegen van diefstal van stroom (meermalen gepleegd in de periode van 23 december 2018 tot en met 23 juli 2019), het medeplegen van gewoontewitwassen en eenvoudig witwassen (in de periode van 8 maart 2013 tot en met 23 juli 2019) en de deelname aan een organisatie die tot oogmerk had gewoontewitwassen, de diefstal van stroom (in de periode van 8 maart 2013 tot en met 23 juli 2019) en het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van hennep (in de periode van 17 november 2018 tot en met 23 juli 2019). De rechtbank heeft aan veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd 28 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast heeft de rechtbank verschillende panden en een contant geldbedrag van € 203.060,- verbeurd verklaard.
Uit het vonnis kan worden afgeleid dat de veroordeling ter zake van het telen, verkopen en het afleveren van hennep en de diefstal van stroom (al dan niet via de deelname aan de criminele organisatie) betrekking had op de hennepteelt in de panden gelegen aan de [adres] te Silvolde, de [adres] te Nijmegen en de [adres] te Rotterdam.
3.2
Het kader voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank zal het geschatte voordeel van veroordeelde berekenen op basis van artikel 36e, leden 1 en 2, Sr. Het voordeel zal worden berekend over de bewezenverklaarde strafbare feiten en over andere strafbare feiten ten aanzien waarvan de rechtbank van oordeel is dat zonder redelijke twijfel vaststaat dat veroordeelde die strafbare feiten heeft begaan.
3.3
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
3.3.1
Vooraf ten aanzien van de drie kwekerijen
Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten behoeve van de ontnemingsvordering heeft de politie ten aanzien van ieder van de voornoemde locaties waar zich kwekerijen bevonden een ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Sr’ (hierna te noemen: het rapport) opgesteld. De rechtbank zal deze rapporten bij haar beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel als uitgangspunt nemen, tenzij daarvan moet worden afgeweken op grond van de verklaring van veroordeelde dan wel concrete aanwijzingen in het dossier dat sprake is van minder oogsten en dat ook anderszins van andere getallen moeten worden uitgegaan (bijvoorbeeld wat betreft de prijs van stekken).
De rechtbank komt in het navolgende tot het oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit de drie kwekerijen en baseert zich daarbij op de hierna in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen. [1] De rechtbank zal hierna per kwekerij bespreken welke opbrengst met de teelt en verkoop van hennep is behaald en daarbij tevens ingaan op de uitgangspunten die de verdediging in een overgelegde tegenberekening heeft gehanteerd.
Wat betreft de tapgesprekken en SMS-berichten die hierna worden aangehaald, geldt dat de rechtbank in het vonnis van 12 mei 2025 heeft vastgesteld dat [medeveroordeelde 1] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] , dat [medeveroordeelde 2] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] , dat [veroordeelde] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] en dat [medeveroordeelde 3] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] .
3.3.2
Ten aanzien van de kwekerij aan de [adres] te Silvolde
In het rapport heeft de politie, mede op basis van het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel van hennepkwekerijen bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Functioneel Parket Afpakken van 1 juni 2016 (hierna te noemen: de normen van het FP), het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op een bedrag van € 543.130,44, uitgaande van twee eerdere oogsten in vier kweekruimtes. Het openbaar ministerie heeft zich bij deze berekening aangesloten en ziet in de tegenberekening van de verdediging geen aanleiding om uit te gaan van een lager bedrag.
3.3.2.1
Het standpunt van de verdediging ten aanzien van deze kwekerij
De verdediging heeft onder verwijzing naar de tegenberekening, kort samengevat, het volgende aangevoerd.
In de kwekerij stonden, rekening houdend met ruimte die werd ingenomen door onder meer looppaden en geplaatste koolstoffilters, in totaal 2257 potten met hennepplanten. Denkbaar is ook dat aangetroffen plantenresten of herplante stekjes die niet goed genoeg waren, nog aanwezig waren in het pand en zodoende bij de ontmanteling zijn meegeteld in het aantal aangetroffen planten. Verder zouden de hennepplanten in ruimte 4 bijna klaar zijn voor een tweede oogst, maar deze zijn in beslag genomen bij de ontmanteling van de kwekerij. In ruimte 4 is daarom één keer geoogst.
De opbrengst per hennepplant was minder dan waarvan in het rapport wordt uitgegaan, waartoe wordt gewezen op een viertal tapgesprekken, waarin onder meer wordt gesproken over meeldauw, “hij hoopt 20 te kunnen krijgen” en “ [veroordeelde] zegt dat het 21 en nog wat wordt”. Ook is op foto’s in het dossier duidelijk zichtbaar dat de hennepplanten in eenzelfde ruimte niet allemaal even groot zijn. Niet elke hennepplant leverde evenveel hennep op en voor de berekening moet dan ook worden uitgegaan van een opbrengst per plant van gemiddeld 20 gram.
Wat betreft de verkoopprijs moet worden uitgegaan van € 3.800,00 per kilogram hennep. Hiertoe wordt gewezen op vier tapgesprekken waarin onder meer wordt gesproken over
“6 auto’s voor 3,9” en “auto’s voor 3,8”. Zoals te doen gebruikelijk bij marktwerking varieerden de koopprijzen voor hennep, afhankelijk van de kwaliteit. Dikwijls werd een bedrag gevraagd, maar werd de hennep uiteindelijk voor minder verkocht.
Aan kosten moet een hoger bedrag in aftrek komen dan het in het rapport becijferde bedrag. Het betreft kosten van voeding ten behoeve van zeven oogsten en vier maal een niet geoogste teelt, in totaal een bedrag van € 11.593,80. Verder kostten de stekjes € 4,50 per stuk, wat blijkt uit een aantal SMS-berichten. Uitgaande van 6950 stekjes, inclusief 1100 stekjes van de geruimde oogst in kweekruimte 4, bedragen de kosten € 31.275,00. Bovendien dient de naheffing van Liander ten bedrage van € 19.848,17 in mindering te komen op het voordeel. Hetzelfde geldt voor de kosten van apparatuur ten bedrage van € 52.245,00.
3.3.2.2
De beoordeling door de rechtbank
Het aantal hennepplanten en het aantal gerealiseerde oogsten
De rechtbank constateert dat niet in discussie is dat in de kweekruimtes 1 (B), 2 (C) en 3 (D), tweemaal is geoogst. Gelet hierop, en gezien de bevindingen in het rapport [2] , zal de rechtbank daarvan uitgaan.
Wat betreft het aantal hennepplanten in de kwekerij in Silvolde en het aantal oogsten in kweekruimte 4 (G) ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de conclusies in het rapport.
Er is vastgesteld dat er op 23 juli 2019 minimaal 2598 hennepplanten in de kwekerij stonden, verdeeld over vier ruimtes. Dit is vastgesteld door de hennepplanten te tellen. Concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat de uitkomst hiervan niet juist zou zijn, ontbreken in het dossier, terwijl ook het betoog van de verdediging daarvoor geen aanleiding geeft.
Verder is het aantal gerealiseerde oogsten in de kweekruimte 4(G) herleid aan de hand van, kort gezegd, waarnemingen die zijn gedaan bij het betreden van het pand op 2 december 2018 (er stonden kleine hennepplanten), data waarop blijkens SMS-berichten dan wel tapgesprekken stekken zijn besteld (29 november 2018 en 1 februari 2019) die qua aantal (650) nagenoeg overeenkomen met het aantal in deze ruimte getelde hennepplanten (645), en tot slot een gemiddelde kweekcyclus van 10 weken (beginnende op 29 november 2018 en
16 februari 2019). [3]
De rechtbank gaat uit van twee gerealiseerde oogsten in iedere kweekruimte van in totaal 2598 hennepplanten.
De opbrengst hennep per plant en de (bruto) opbrengst per kilogram hennep
In de door de verdediging aangehaalde tapgesprekken lijkt inderdaad te worden gesproken over een (verwachte) opbrengst van 20 of 21 gram hennep per plant en een verkoopprijs van € 3.800,00 of € 3.900,00 per kilogram hennep. De rechtbank wil ook wel aannemen dat het is voorgekomen dat planten rond de 20 gram hennep opbrachten en dat voor een kilogram hennep (een
‘auto’, zie het vonnis van 12 mei 2025) de genoemde bedragen werden betaald. In de beperkte informatie die uit de tapgesprekken in kwestie naar voren komt ziet de rechtbank echter geen aanleiding om de verdediging in haar standpunt te volgen dat dit de gehele periode het geval was. De rechtbank zal uitgaan van de in de normen van het FP genoemde, op uitgebreid onderzoek gebaseerde, uitgangspunten, ook nu mag worden aangenomen dat de opbrengst hennep en de verkoopprijs fluctueerden en dus ook hoger zullen zijn geweest dan de volgens de normen van het FP te hanteren opbrengst hennep/verkoopprijs. Wat betreft de verkoopprijs vindt de rechtbank hiervoor bevestiging in een gesprek van 22 februari 2019 tussen [medeveroordeelde 1] en een onbekend gebleven derde persoon, waarin [medeveroordeelde 1] tegen die persoon zegt dat iemand de laatste keer “42” voor “goede” heeft gerekend en “als ze gaan zeggen goeie kost 42 dan kan ik voor 40 of 41 weg doen maar nee doe maar 38 dan is hij snel weg” [4] . De rechtbank maakt uit dit gesprek op dat [medeveroordeelde 1] goede hennep voor bedragen tussen de € 4.000,00 en € 4.200,00 heeft verkocht. De rechtbank wijst verder op een gesprek tussen [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 3] van 26 maart 2019 [5] , waaruit kan worden opgemaakt dat hennep is verkocht voor “4,3” (de rechtbank begrijpt: € 4.300,00 per kilogram hennep).
Dat meeldauw in de kwekerij in Silvolde heeft geleid tot minder opbrengst hennep en een lagere verkoopprijs blijkt tot slot uit de tapgesprekken niet. De rechtbank wijst in dit verband bovendien op het tapgesprek van 13 mei 2019 [6] , waarin [medeveroordeelde 1] zegt “dat die uit Uden echt goed waren en er zat wel meeldauw op, maar dat was te behandelen”.
De rechtbank gaat conform het rapport uit van een opbrengst van 27,7 gram hennep per plant
en een verkoopprijs van € 4.070,00 per kilogram hennep. [7]
Bruto opbrengst van twee oogsten van 2598 hennepplanten in vier kweekruimtes
De bruto opbrengst per oogst bedraagt in totaal € 292.895,92, dat is voor twee oogsten in totaal € 585.791,84.
De kosten
De rechtbank stelt voorop dat alleen kosten die zijn gemaakt ten behoeve van delicten die tot opbrengst hebben geleid, aftrekbaar zijn (zie in deze zin HR 8 juli 1998, ECLI:NL:1998:ZD1199). De kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de geruimde teelt komen daarom niet voor aftrek in aanmerking. Dat geldt ook voor de kwekerijen in Nijmegen en Rotterdam en zal hierna niet worden herhaald.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdediging niet aannemelijk gemaakt dat de kosten van voeding hoger waren dan het in de normen van het FP genoemde bedrag van
€ 2,22 per hennepplant per cyclus, welk bedrag deel uitmaakt van het totaalbedrag aan variabele kosten van € 3,88 per hennepplant. Opmerking verdient overigens nog dat het bedrag van € 3,88 de (hogere) kosten van het kweekmedium ‘mapito’ omvat, terwijl in de kwekerij in Silvolde gebruik is gemaakt van het (goedkopere) kweekmedium potgrond. Niettemin gaat de rechtbank in het voordeel van veroordeelde uit van variabele kosten ten bedrage van € 3,88 per hennepplant. [8] Dat is in totaal € 10.080,24 per oogst van 2598 hennepplanten, wat voor twee oogsten een totaalbedrag oplevert van € 20.160,48.
Ten aanzien van de kosten van stekken overweegt de rechtbank als volgt.
Op 13 maart 2019 laat [medeveroordeelde 1] aan een onbekend gebleven andere persoon weten dat hij “kleine onderdelen” moet regelen en vraagt aan deze persoon of deze dat kan regelen. [medeveroordeelde 1] bedoelt “kleintjes”, “750. Vandaag als het kan. De leverancier van [medeveroordeelde 1] heeft problemen gekregen vandaag en daarom wil hij het graag weten. [9] De rechtbank maakt uit deze berichten op dat [medeveroordeelde 1] vraagt of hij 750 stekken kan afnemen.
Op 14 maart 2019 laat de andere persoon aan [medeveroordeelde 1] weten: “hij komt van 2 uur rijden van hier vandaag, hij is duurder dan normaal, ik moet 5 euro rekenen. Misschien als we leuk zaken met hem doe, dan kan hij ook wat met de prijs doen.” [10] Op 15 maart 2019 wordt voor levering van 750 stekken “morgenochtend”, die [medeveroordeelde 1] zegt te willen hebben, een prijs van “4.75” genoemd door de andere persoon. [11] De rechtbank maakt uit deze berichten op dat op 16 maart 2019 aan [medeveroordeelde 1] 750 stekken zijn geleverd à € 4,75 per stek.
Op 30 maart 2019 laat [medeveroordeelde 1] opnieuw aan de andere persoon weten dat hij 750 “kleine onderdelen” wil. Op 31 maart 2019 laat de andere persoon aan [medeveroordeelde 1] weten dat hij deze keer “4.5” rekent. Op 1 april 2019 laat [medeveroordeelde 1] aan de andere persoon weten dat ze “net zo goed zijn als de vorige keer” en dat hij er voor 15 april nog 750 wil. [12] De rechtbank maakt uit deze berichten op dat [medeveroordeelde 1] op 1 april 2019 750 stekken heeft ontvangen à € 4,50 per stek.
Op 13 april 2019 laat de andere persoon aan [medeveroordeelde 1] weten: “maandag 750 stuks, dezelfde tijd en zelfde plek”. Op 15 april 2019 laat [medeveroordeelde 1] aan de andere persoon weten dat de “onderdelen” ziek zijn en dat er meeldauw op zit. [13] De rechtbank maakt hieruit dat [medeveroordeelde 1] op 15 april 2019 750 stekken heeft ontvangen.
Gelet op de hoeveelheid stekken, die bovendien driemaal worden geleverd met een tussenpoos van ongeveer twee weken, kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de stekken (in ieder geval grotendeels) bedoeld waren voor de kwekerij in Silvolde en niet voor de kwekerijen in Nijmegen en Rotterdam. In aanmerking genomen dat volgens het rapport in kweekruimte 4 (G) vanaf 16 februari 2019 een kweek gaande was (oogstrijp omstreeks 27 april 2019), kan voorts, gelet op de voormelde leverdata, worden aangenomen dat de stekken bedoeld waren voor de kweekruimtes 1, 2 en 3 (B, C en
D).
Verder is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat voor de op 16 maart 2019 geleverde stekken € 4,75 per stek is betaald en dat voor de op 1 en 15 april 2019 geleverde stekken € 4,50 per stek is betaald. Uit de berichten wordt niet duidelijk welke prijs is betaald voor de op 15 april 2019 geleverde stekken. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat deze prijs gelijk is gebleven aan de prijs van de op 1 april 2019 geleverde stekken.
Hoewel het aantal geleverde stekken het aantal aangetroffen hennepplanten in de kweekruimtes 1, 2 en 3 (B, C en D) te boven gaat, gaat de rechtbank in het voordeel van [medeveroordeelde 1] voor een van de twee oogsten in de kweekruimtes 1, 2 en 3 (B, C en D) wat betreft 750 stekken uit van kosten van € 4,75 per stek en wat betreft 1500 stekken van kosten van € 4,50 per stek.
Wat betreft de overige 2946 stekken (dat is 348 (2598 minus 2250) plus 2598 stekken) gaat de rechtbank uit van € 3,81 per stek. [14] Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de voormelde berichten naar voren komt dat de prijs van de geleverde stekken “duurder is dan normaal”. De oorzaak hiervan was, zo blijkt verder, dat de stekken afkomstig waren van een andere leverancier die in verband met reiskosten meer in rekening bracht bij de persoon met wie [medeveroordeelde 1] contact had. Naar kan worden aangenomen was die “duurder dan normale” prijs die die persoon uiteindelijk bij [medeveroordeelde 1] in rekening bracht aanvankelijk € 4,75 en later € 4,50 per stek. Dat deze hogere prijzen ook voor andere (dan de 2250) geleverde stekken zijn gerekend blijkt uit het dossier niet.
Het voorgaande brengt mee dat aan kosten voor stekken ten behoeve van twee oogsten in vier kweekruimtes in aftrek komt een bedrag van in totaal € 21.536,76.
De rechtbank ziet in het betoog van de verdediging geen aanleiding om de genoemde kosten van apparatuur (en bouwmateriaal en inbouwkosten) in aanmerking te nemen. Volstaan is met een opsomming van beweerdelijk aangeschafte apparatuur tegen nader genoemde prijzen. Enig inzicht in de werkelijk gemaakte kosten (onderbouwd met administratie) is niet gegeven. Bovendien is de apparatuur te gebruiken voor meer oogsten en zien deze kosten ook op de geruimde oogst. De rechtbank gaat daarom uit van de afschrijvingskosten per oogst die volgen uit de door de FP ontwikkelde normbedragen.
In afwijking van het rapport (en overeenkomstig de wijze van berekening van de afschrijvingskosten van de kwekerijen in Nijmegen en Rotterdam – waarover hierna meer –), zal de rechtbank de afschrijvingskosten per kweekruimte berekenen. In ieder van de vier kweekruimtes stonden tussen de 600 en 699 hennepplanten. Dat betekent dat volgens de normbedragen van het FP per kweekruimte een bedrag van € 400,00 aan afschrijvingskosten in aftrek komt, zijnde voor twee oogsten in vier kweekruimtes een bedrag van in totaal
€ 3.200,00.
Tot slot staat vast dat de energienota van Liander inmiddels is voldaan. Dat de nota op naam staat van [naam] en dat niet duidelijk is wie de nota heeft voldaan, zoals het openbaar ministerie heeft benadrukt, vormt naar het oordeel van de rechtbank geen reden om de energiekosten niet in aftrek te brengen op de opbrengst. In aftrek komt een bedrag van € 18.446,51. [15] De resterende kosten voor “Planning en vooronderzoek” et cetera komen niet voor aftrek in aanmerking, aangezien deze kosten niet zijn gemaakt ten behoeve van de hennepteelt die heeft geleid tot het wederrechtelijk voordeel.
Totaalbedrag aan kosten van twee oogsten van 2598 hennepplanten in vier kweekruimtes
Aan kosten komt in aftrek een bedrag van in totaal € 63.343,75 (€ 20.160,48 +
€ 21.536,76 + € 3.200,00 + € 18.446,51).
3.3.2.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande bedraagt de netto opbrengst van twee oogsten in vier kweekruimtes in totaal (afgerond) € 522.448,00 (bruto opbrengst van € 585.791,84 minus kosten van € 63.343,75). De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel op dit bedrag.
3.3.3
Ten aanzien van de kwekerij aan de [adres] te Nijmegen
In het rapport heeft de politie, mede op basis van de normen van het FP, het wederrechtelijk verkregen voordeel becijferd op een bedrag van € 60.002,45, uitgaande van één eerdere oogst in drie kweekruimtes.
3.3.3.1
Het standpunt van het openbaar ministerie ten aanzien van deze kwekerij
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat bij het schatten van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de kwekerij moet worden uitgegaan van zes eerdere oogsten, met een opbrengst per oogst zoals deze in het rapport is becijferd. Ter onderbouwing hiervan hebben zij, kort gezegd, aangevoerd dat de uit het onderzoek gebleken modus operandi ten aanzien van deze kwekerij naadloos aansluit bij de werkwijze die deze dadergroep ook hanteerde bij de (andere) panden waarin de groep hennepkwekerijen heeft opgezet. Het is dan ook aannemelijk dat na de uitschrijving van [medeveroordeelde 2] op dit adres, in januari 2018, en meer specifiek per 22 februari 2018, de datum waarop het energiecontract is afgesloten op naam van de niet in Nederland verblijvende [naam] , is gestart met het telen van hennep in het pand. Vanaf deze datum was het mogelijk om zes keer te oogsten en het is zeer aannemelijk dat dit ook is gebeurd.
3.3.3.2
Het standpunt van de verdediging ten aanzien van deze kwekerij
De verdediging heeft onder verwijzing naar de tegenberekening, kort samengevat, het volgende aangevoerd.
Uit de tapgesprekken komt duidelijk naar voren dat er slechts één oogst is geweest in iedere kweekruimte. Daarbij moet worden uitgegaan van in totaal 391 planten. Ook blijkt uit de tapgesprekken duidelijk dat het een zeer slechte oogst betrof en dat de opbrengst per hennepplant veel minder was. Er moet worden uitgegaan van gemiddeld negen gram per hennepplant. Verder heeft de hennep in dit geval een opbrengst opgeleverd van ongeveer
€ 3.150,00 per kilogram, omdat de kwaliteit te wensen overliet. Op de opbrengst moeten in mindering komen kosten voor [naam] (hierna te noemen: [naam] ), die vier maanden in het pand woonde bij de kwekerij, kosten van stekken à € 4,50 per stek, kosten van voeding (€ 1.251,19), kosten van apparatuur (€ 9.743,85) en de naheffing van Liander
(€ 3.916,79).
3.3.3.3
De beoordeling door de rechtbank
Het aantal hennepplanten en het aantal gerealiseerde oogsten
Ten aanzien van het aantal hennepplanten in kweekruimte 2 overweegt de rechtbank het volgende. Weliswaar is het aantal hennepplantjes in kweekruimte 2 vastgesteld door deze te tellen (uitkomst: 211 stuks), maar duidelijk is dat daarbij ongeveer 100 hennepplantjes zijn meegeteld die (naar kan worden aangenomen tijdelijk) op andere hennepplantjes waren geplaatst en zo de groei van de onderste hennepplantjes belemmerden. Dit blijkt uit de foto’s van deze kweekruimte. De rechtbank gaat aan de hand van deze foto’s, waarop te zien is dat de hennepplantjes in tien rijen van tien zijn geplaatst, uit van 100 hennepplanten in kweekruimte 2. [16]
De hennepplanten in de kweekruimtes 1 en 3 bevonden zich in een verder gevorderd groeistadium en in die ruimtes waren dan ook geen hennepplanten op elkaar geplaatst. De rechtbank ziet geen aanleiding om de uitkomst van het tellen van de hennepplanten in deze kweekruimtes in twijfel te trekken en gaat uit van 190 hennepplanten in kweekruimte 1 en 164 hennepplanten in kweekruimte 3. [17]
De rechtbank gaat uit van in totaal 454 hennepplanten.
Ten aanzien van het aantal gerealiseerde oogsten overweegt de rechtbank als volgt.
Aan de officieren van justitie kan worden toegegeven dat ten aanzien van het pand aan de [adres] in Nijmegen uit het dossier blijkt van een handelwijze (het sluiten van contracten op naam van katvangers), die zich ook heeft voorgedaan ten aanzien van de panden in Silvolde en Rotterdam en die erop was gericht hennepteelt in die twee panden te verhullen. Niettemin ontbreken in het dossier concrete (aanvullende) aanwijzingen dat in het pand in Nijmegen al in februari 2018 daadwerkelijk is gestart met het telen van hennep. De rechtbank gaat daarom niet uit van zes eerdere oogsten in de drie kweekruimtes. Er is echter evenmin sprake geweest van slechts één eerdere oogst in de drie kweekruimtes. De rechtbank gaat uit van drie eerdere oogsten in de kweekruimtes 2 en 3 en twee eerdere oogsten in kweekruimte 1, alle rond de door de verdediging genoemde data. Dat rond deze data is geoogst, na de start van de hennepteelt in oktober 2018, is aannemelijk op basis van een gesprek tussen [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] van 19 april 2019 (“Binnen 1 jaar is maar 2 keer geknipt. Nu zou het de 3 de keer worden.” [18] ), en meerdere tapgesprekken en SMS-berichten [19] die zien op bestellingen van hennepplanten die [medeveroordeelde 1] op diverse data doet en die qua aantallen (nagenoeg) passen bij het aantal hennepplanten in de drie kweekruimtes (als hiervóór vermeld – 190, 100 en 164). Wat betreft het niet plaatsvinden van de derde oogst in kweekruimte 1 neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat de gemiddelde hoogte van de hennepplanten in deze kweekruimte op 3 juni 2019 ongeveer 80 centimeter was [20] en dat de aangetroffen teelt, naar mag worden aangenomen in kweekruimte 1 – gelet op de nog geringe hoogte van de hennepplanten in de andere kweekruimtes – ten minste zes weken oud was [21] . Dat maakt aannemelijk dat de in april 2019 in deze ruimte geplaatste hennepplanten op 3 juni 2019 zijn geruimd en het dus niet tot een derde oogst is gekomen.
De opbrengst hennep per plant en de (bruto) opbrengst per kilogram hennep
De rechtbank ziet in het betoog van de verdediging geen aanleiding om
ten aanzien van de twee oogsten in de drie kweekruimtes(in december 2018 en februari en maart 2019) andere uitgangspunten te hanteren dan zijn geformuleerd in de normen van het FP. Dat in de kwekerij van aanvang af, en dus structureel, sprake was van problemen met de aarde en de groei van de hennepplanten, waardoor de opbrengst hennep per plant en de kwaliteit van de hennep minder (goed) was, blijkt uit het dossier niet. De rechtbank gaat daarom wat betreft de opbrengst hennep per plant in de kweekruimtes 1 en 3 uit van 28,2 gram. En hoewel 100 hennepplanten, afgezet tegen het aantal vierkante meters van kweekruimte 2, een hogere opbrengst hennep per plant opleveren (dan 211 hennepplanten), gaat de rechtbank in het voordeel van veroordeelde ook wat betreft deze kweekruimte uit van een opbrengst hennep per plant van 28,2 gram. Verder gaat de rechtbank uit van een verkoopprijs van € 4.070,00 per kilogram hennep. [22] De rechtbank volstaat hiertoe met een verwijzing naar wat zij hiervóór onder 3.3.2.2 heeft overwogen over de opbrengst hennep per plant en de verkoopprijs van een kilogram hennep wat betreft de kwekerij in Silvolde. Dat gaat in gelijke zin op voor de kwekerij in Nijmegen.
Waar het gaat om de derde oogst in de kweekruimtes 2 en 3 (in mei 2019) is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat zich zodanige problemen voordeden bij de teelt van de hennepplanten dat deze uiteindelijk minder hennep hebben opgebracht en dat de (kwalitatief minder goede) hennep ook tegen een lagere prijs is verkocht.
De problemen komen naar voren uit diverse tapgesprekken [23] , waaronder een gesprek tussen [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] van 19 april 2019 [24] , waarin [medeveroordeelde 1] zegt dat hij in Nijmegen is geweest, dat er problemen met de grond zijn en dat ze de grond en de stekken misschien moeten vervangen. Verder zegt hij dat in het derde gedeelte de stekken heel klein zijn, dat hij andere stekken naast de slechte heeft geplant en dat de stekken zes weken oud zijn en het tot niet meer dan tien gram komt (de rechtbank begrijpt: tien gram hennep per plant).
Voormeld tapgesprek van 19 april 2019 vormt een concrete aanwijzing dat de hennepplanten (ongeveer) tien gram hennep per plant hebben opgeleverd. De precieze opbrengst hennep per plant kan echter in het midden blijven, aangezien uit diverse tapgesprekken concrete aanwijzingen volgen voor de feitelijke verkoopopbrengst.
Op 17 mei 2019 zegt [medeveroordeelde 1] , die in de kwekerij in Nijmegen is, tegen [veroordeelde] dat hij klaar is (de rechtbank begrijpt: met knippen) en dat het “2800” is geworden, maar dat het nog nat is en dat hij denkt dat het “2500” zal worden (de rechtbank begrijpt: 2500 gram droge hennep). Ook zegt [medeveroordeelde 1] dat hij niet weet hoe ze het moeten verkopen en dat het goed is “als ze het voor 3 weggeven” (de rechtbank begrijpt: € 3.000,00 per kilogram hennep). Morgen zal de hennep klaar zijn, aldus [veroordeelde] . [25] Naar het oordeel van de rechtbank is het op grond van dit tapgesprek, gelezen in samenhang met diverse andere tapgesprekken [26] , aannemelijk dat kwalitatief redelijk goede hennep uiteindelijk voor in totaal € 7.000,00 is verkocht en dat “het slechte spul uit Nijmegen” dat “apart wordt berekend” nog € 1.000,00 heeft opgebracht.
De rechtbank gaat wat betreft de derde oogst in de kweekruimtes 2 en 3 uit van een verkoopopbrengst van in totaal € 8.000,00.
Bruto opbrengst van twee oogsten van 190 hennepplanten in kweekruimte 1 en drie oogsten van 100 en 164 hennepplanten in de kweekruimtes 2 en 3
De bruto opbrengst van de teelt in de drie kweekruimtes bedraagt in totaal € 112.214,80
(€ 52.107,40 x 2 + € 8.000,00).
De kosten
De rechtbank gaat conform de normen van het FP, zoals ook vermeld in het rapport [27] , uit van de volgende kosten. De afschrijvingskosten bedragen voor ieder van de kweekruimtes (ook kweekruimte 2 met 100 hennepplanten) € 150,00 per oogst, dat is in totaal voor acht oogsten € 1.200,00. De kosten van hennepstekken, à € 3,81 per stek, bedragen voor de kweekruimtes 2 en 3 per oogst in totaal € 1.005,84, dat is in totaal € 3.017,52 voor drie oogsten, en voor kweekruimte 1 per oogst € 723,90, dat is in totaal € 1.447,80 voor twee oogsten. De variabele kosten, à € 3,88 per hennepplant, bedragen voor de kweekruimtes 2 en 3 per oogst in totaal € 1.024,32, dat is in totaal € 3.072,96 voor drie oogsten, en voor kweekruimte 1
€ 737,20, dat is in totaal € 1.474,40 voor twee oogsten. In totaal komt in aftrek een bedrag van € 10.212,68.
De rechtbank ziet wat betreft deze kosten geen aanleiding om uit te gaan van hogere bedragen en volstaat daartoe met een verwijzing naar wat zij hiervóór onder 3.3.2.2 heeft overwogen over de kosten van de kweek in Silvolde. Dat gaat in gelijke zin op voor de kweek in Nijmegen. Meer specifiek merkt de rechtbank nog op dat uit het dossier niet blijkt van concrete aanwijzingen dat voor stekken meer is betaald dan € 3,81 per stek.
Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat personeelskosten zijn gemaakt. Aan [naam] zijn een drietal vergoedingen betaald ten bedrage van in totaal € 1.860,00 [28] . Zij heeft deze ontvangen voor haar verblijf in het pand, het knippen van hennepplanten en diverse andere werkzaamheden in de kwekerij. Het genoemde totaalbedrag is nagenoeg gelijk aan het bedrag dat [medeveroordeelde 1] in een op 28 juni 2019 met [medeveroordeelde 2] gevoerd gesprek zegt aan [naam] te hebben gegeven (€ 1.900,00). Verder zegt [medeveroordeelde 1] in dat gesprek dat [naam] dus € 3.000,00 mee naar huis zal nemen. [29] De rechtbank leidt hieruit af dat [medeveroordeelde 1] aan [naam] aanvullend nog een bedrag heeft gegeven van ongeveer
€ 1.200,00. De rechtbank gaat uit van een vergoeding van in totaal € 3.000,00.
In het dossier bevindt zich een nota van Liander (pagina A935), waaruit blijkt dat elektriciteitskosten in rekening zijn gebracht ten bedrage van in totaal € 2.590,66. Deze kosten komen niet in aftrek op de opbrengst, nu niet is gebleken dat ze zijn voldaan.
Totaalbedrag aan kosten van de teelt in de drie kweekruimtes
Aan kosten komt in aftrek een bedrag van in totaal € 13.212,68 (€ 10.212,68 + € 3.000,00).
3.3.3.4
Conclusie
Gelet op het voorgaande bedraagt de netto opbrengst van deze kwekerij in totaal (afgerond) € 99.002,00 (bruto opbrengst van € 112.214,80 minus kosten van € 13.212,68). De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel op dit bedrag.
3.3.4
Ten aanzien van de kwekerij aan de [adres] te Rotterdam
In een proces-verbaal van bevindingen van 12 november 2019 (hierna: het PVB), betreffende een aanvulling op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 30 juli 2019 (hierna: het rapport), heeft de politie, mede op basis van de normen van het FP en uitgaande van in totaal 23 oogsten in twee kweekruimtes, het wederrechtelijk verkregen voordeel becijferd op een bedrag van € 555.479,04. Het openbaar ministerie heeft zich bij deze berekening aangesloten en ziet in de tegenberekening van de verdediging geen aanleiding om uit te gaan van een lager bedrag
3.3.4.1
Het standpunt van de verdediging ten aanzien van deze kwekerij
De verdediging heeft onder verwijzing naar de tegenberekening, kort samengevat, het volgende aangevoerd.
Gelet op de bewezenverklaarde periode van 17 november 2018 tot 23 juli 2019, moet worden uitgegaan van drie oogsten in iedere van de beide kweekruimtes. Subsidiair geldt dat moet worden uitgegaan van vier oogsten. Dat vanaf 11 december 2014 hennep is geteeld, is in het geheel niet aannemelijk gemaakt. In het dossier zijn meerdere aanwijzingen te vinden voor het tegendeel, waaronder de aangifte van Stedin en de omstandigheid dat de onderbuurvrouw heeft verklaard dat haar Armeense bovenbuurman er sinds ongeveer een jaar of twee woont, wat de bevindingen van de politie in het rapport en de bevindingen van Stedin onderschrijft. Ook blijkt uit een tapgesprek tussen [medeveroordeelde 2] en [naam] van 17 juni 2019 dat niet continue is gekweekt.
Uit diverse tapgesprekken blijkt dat de kwekerij niet liep. Er was sprake van slechte stekken/hennepplanten en meeldauw, met als gevolg een slechte kwaliteit hennep. Daarom moet worden uitgegaan van een gemiddelde opbrengst per hennepplant van 15 gram en een gemiddelde verkoopprijs van € 3.400,00 per kilogram hennep.
Aan kosten moet rekening worden gehouden met een bedrag van € 4,50 per stek (inclusief onder meer de kosten van bestelde extra stekken in verband met doodgaan van stekken, ziekte en slechte kwaliteit). Verder dient rekening te worden gehouden met kosten van voeding (€ 2.374,90) en de kosten van apparatuur (€ 5.985,36). Tot slot heeft Stedin een calculatie gemaakt van de energiekosten. Deze kosten (€ 5.348,61) dienen eveneens in mindering te komen op de opbrengst.
3.3.4.2
De beoordeling door de rechtbank
Het aantal hennepplanten en het aantal gerealiseerde oogsten
De rechtbank constateert dat niet in discussie is dat in de beide kweekruimtes in totaal 240 hennepplanten stonden. Gelet hierop, en gezien wat hierover is opgemerkt in het PVB [30] , zal de rechtbank daarvan uitgaan.
Ten aanzien van het aantal in deze kwekerij gerealiseerde oogsten ziet de rechtbank geen aanleiding om de conclusie in het PVB in twijfel te trekken. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Zoals ook in het vonnis van 12 mei 2025 is vastgesteld, is het pand aan de [adres] op 11 december 2014 aangekocht op naam van de moeder van [veroordeelde] . Sindsdien, tot aan 23 juli 2019, heeft niemand ingeschreven gestaan op het adres. Het pand werd in tapgesprekken aangeduid als “Schiedam” of “04”. In een met [medeveroordeelde 2] op 19 april 2019 gevoerd gesprek zegt [medeveroordeelde 1] onder andere dat hij de grond in Schiedam pas na drieënhalf jaar had vervangen. Ook zegt hij in dat gesprek dat hij (naar de rechtbank begrijpt: in de kwekerij in Nijmegen) “alles doet wat hij eerder 140 keer had gedaan, 140 keer ging het goed (…)”. [31] In een gesprek van 17 juni 2019 zegt [medeveroordeelde 1] tegen [medeveroordeelde 2] , die in de kwekerij in Rotterdam is geweest, dat hij “daar 4,5j werkt, het is een juiste plek daarvoor”. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze tapgesprekken worden opgemaakt dat [medeveroordeelde 1] al lange tijd hennep teelt (140 keer al heeft hij het op een bepaalde manier gedaan) en ook dat hij kort na de aankoop van het (onbewoonde) pand aan de [adres] hennep is gaan telen in dat pand. Dat ging kennelijk goed, want “het is de juiste plek daarvoor”.
Uitgaande van een kweekcyclus van tien weken en een kweekperiode van 240 weken, en rekening houdend met het ruimen van de aangetroffen oogst, gaat de rechtbank uit van
23 eerdere oogsten in de beide kweekruimtes. [32] De rechtbank ziet in het betoog van de verdediging geen aanleiding om uit te gaan van een kortere kweekperiode en minder oogsten. Geen van de genoemde omstandigheden wegen op tegen de voormelde uitlatingen van [medeveroordeelde 1] die niet voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn. Daarbij komt nog dat als de kwekerij tijdelijk gesloten is geweest, het op de weg van veroordeelde had gelegen daarover nader te verklaren (wanneer en hoelang). Een dergelijke verklaring is echter uitgebleven.
De opbrengst hennep per plant en de (bruto) opbrengst per kilogram hennep
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er weliswaar enkele tapgesprekken waarin in relatie tot de kwekerij in Rotterdam wordt gesproken over een (te verwachten) opbrengst hennep per plant van 10 tot 15 gram, maar de hierover in het dossier naar voren komende informatie is te beperkt om aan te nemen dat in 2019 daadwerkelijk een lagere opbrengst hennep per plant is behaald (dan de opbrengst, berekend op basis van het aantal hennepplanten per vierkante meter). Wat betreft de voorgaande jaren (2015-2018) ontbreekt iedere aanwijzing hiervoor, ook nu veroordeelde over de opbrengst in deze jaren niet heeft verklaard. Overigens zijn er wat betreft 2019 ook aanwijzingen dat de teelt goed verliep. Zo zegt [medeveroordeelde 1] op 20 mei 2019 vanuit de kwekerij in Rotterdam tegen [veroordeelde] dat de hennepplanten in de grote kweekruimte heel goed groeien. [33]
Bij gebreke van concrete aanknopingspunten in het dossier (dan wel een verklaring van veroordeelde) om aan te nemen dat andere uitgangspunten dienen te gelden, gaat de rechtbank uit van de berekening die de politie heeft gemaakt, waarbij onderscheid is gemaakt tussen de zeven oogsten die hebben plaatsgevonden tot 1 juni 2016 en de zestien oogsten die daarna hebben plaatsgevonden. Dat betekent het volgende: de opbrengst hennep per plant is voor kweekruimte 1 (140 hennepplanten) over de gehele periode 27,7 gram en 29,6 gram voor kweekruimte 2 (100 hennepplanten). De verkoopprijs bedraagt tot 1 juni 2016
€ 3.280,00 per kilogram hennep en vanaf 1 juni 2016 € 4.070,00. [34]
De rechtbank verwijst in dit verband nog naar wat zij hiervóór onder 3.3.2.2 heeft overwogen over de fluctuerende opbrengst hennep per plant en verkoopprijzen en over meeldauw. Dat gaat in gelijke zin op voor de kwekerij in Rotterdam.
De kosten
De rechtbank gaat uit van de kostenberekening die de politie heeft gemaakt, waarbij onderscheid is gemaakt tussen de periode tot 1 juni 2016 en de periode vanaf 1 juni 2016. Dat betekent dat op de opbrengst in aftrek moeten komen: kosten van hennepstekken ten bedrage van respectievelijk € 2,85 en € 3,81 per stek, variabele kosten ten bedrage van respectievelijk € 3,33 en 3,88 per hennepplant. Verder moeten over de gehele periode in aftrek komen de afschrijvingskosten ten bedrage van € 150,00 per oogst in ieder van de beide kweekruimtes. [35]
De rechtbank ziet wat betreft de genoemde kosten geen aanleiding om uit te gaan van hogere bedragen en volstaat daartoe met een verwijzing naar wat zij hiervóór onder 3.3.2.2 heeft overwogen over de kosten van de kweek in Silvolde. Dat gaat in gelijke zin op voor de kweek in Rotterdam. Meer specifiek merkt de rechtbank nog op dat uit het dossier niet blijkt van concrete aanwijzingen dat voor stekken meer is betaald dan € 2,85 respectievelijk 3,81 per stek. Kosten van bestelde extra stekken komen tot slot niet voor aftrek in aanmerking.
In het dossier bevindt zich een berekening van de kosten van elektriciteit over het jaar 2019 ten bedrage van € 3.805,05. [36] Nu [veroordeelde] deze kosten heeft voldaan [37] , moeten deze op de opbrengst in mindering komen. De resterende kosten voor “kosten onrechtmatig handelen” et cetera komen niet voor aftrek in aanmerking, aangezien deze kosten niet zijn gemaakt ten behoeve van de hennepteelt die heeft geleid tot het wederrechtelijk voordeel.
3.3.4.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande bedraagt de netto opbrengst van deze kwekerij in totaal (afgerond)
€ 551.674,00 (de in het rapport becijferde netto opbrengst van € 555.479,04 minus de kosten van elektriciteit van € 3.805,05). De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel op dit bedrag.
3.3.5
Conclusie ten aanzien van het totaal verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel uit de kwekerijen in Silvolde, Nijmegen en Rotterdam
Het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepteelt in de drie kwekerijen bedraagt
in totaal € 1.173.124,00.
3.3.6
De verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
3.3.6.1
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de opbrengst uit de drie kwekerijen pondspondsgewijs over de deelnemers aan de criminele organisatie moet worden verdeeld, waarbij moet worden aangesloten bij de duur van de deelneming aan de criminele organisatie gericht op het witwassen. Het is immers aannemelijk dat allen volwaardig lid zijn geweest van deze organisatie, terwijl niet is gebleken van een verdeling van het voordeel over de deelnemers. Er moet verder van worden uitgegaan dat iedere deelnemer een gelijk percentage van de opbrengst heeft gehad.
[medeveroordeelde 2] heeft een beperkter aandeel gehad in de kwekerij in Rotterdam. Het is aannemelijk dat de opbrengst van de geoogste hennep voorafgaand aan 10 juli 2017 werd verdeeld over vier deelnemers en daarna over vijf deelnemers.
3.3.6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, kort samengevat, het volgende aangevoerd.
De opbrengst van de kwekerij in Silvolde is geen onderdeel van het vermogen van veroordeelde geworden, nu hij daarvan niet een deel heeft ontvangen. Zoals is verklaard tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen veroordeelde, maakt de opbrengst van de hennepkwekerij in Silvolde deel uit van het contant aangetroffen geldbedrag van
€ 203.060,00. Dit bedrag dient op het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te worden gebracht, waarna er niets meer te verdelen is. Voor zover er wel voordeel uit de kwekerij in Silvolde te verdelen valt, geldt (subsidiair) dat dit in gelijke delen over de veroordeelden moet worden verdeeld.
Uit het dossier blijkt op geen enkele wijze dat veroordeelde enig voordeel heeft genoten uit de kwekerijen in Nijmegen en Rotterdam. Het is ook tegenstrijdig en onrechtvaardig dat het openbaar ministerie, anders dan in de toelichting op de strafeis in de hoofdzaak, geen rekening houdt met een verschil in rol en betrokkenheid tussen [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 3] en veroordeelde. Het is onaannemelijk dat een veroordeelde die een grotere betrokkenheid heeft gehad bij een specifieke kwekerij eenzelfde deel in het wederrechtelijk verkregen voordeel zou toekomen als iemand, zoals veroordeelde, die daarbij een beperktere rol heeft gespeeld. Veroordeelde is nauwelijks bij de kwekerijen in Nijmegen en Rotterdam betrokken geweest. Het openbaar ministerie onderbouwt niet op grond van welke feiten en omstandigheden een pondspondsgewijze verdeling aannemelijk is.
Bij veroordeelde is geen enkele vorm van vermogen aangetroffen. In bepaalde tapgesprekken benoemt hij ook dat hij geen geld heeft. Ook het kosteloos kunnen wonen, gaat voor veroordeelde niet zonder meer op. Verder was hij niet de gehele periode (waarvan het openbaar ministerie uitgaat) in Nederland.
3.3.6.3
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat, in het geval er verscheidene daders zijn, niet altijd de omvang van het voordeel van elk van die daders aanstonds kan worden vastgesteld. In dat geval zal op basis van alle de rechtbank bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen, moeten worden bepaald welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend. Dat betekent niet dat de rechtbank, in het geval er verscheidene daders zijn, verplicht is tot een verdeling te komen en evenmin dat pondspondsgewijze toerekening, ingeval de rechtbank wel tot een verdeling komt, dan op zichzelf het uitgangspunt dient te vormen. De omstandigheden van het geval zijn in deze beslissend. Voor het antwoord op de vraag in hoeverre de rechtbank tot een nadere motivering van zijn oordeel is gehouden, komt bovendien gewicht toe aan de procesopstelling van de betrokkene (vgl. HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1667).
In het vonnis in de hoofdzaak heeft de rechtbank over de rolverdeling van de leden van de criminele organisatie het volgende vastgesteld. [38]
“Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het hiervóór onder C overwogene dat ook in de jaren voorafgaand aan 23 juli 2019, vanaf 8 maart 2013, sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, een criminele organisatie. Het oogmerk was het plegen van misdrijven, te weten het telen van hennep en de diefstal van stroom in op naam
van familieleden ( [naam] , [naam] , [naam] , [naam]
en [naam] ) en [naam] aangekochte panden. Met de hennepteelt werd
een constante geldstroom gegenereerd, die (grotendeels) is gebruikt voor de aankoop van de
panden, en die op die manier werd witgewassen. [medeveroordeelde 1] , [veroordeelde] en [medeveroordeelde 3] vormden het centrale drietal in de organisatie, wat ondersteuning vindt in de samenwerking en handelwijze die ook te zien was in de maanden voorafgaand aan 23 juli 2019, zoals hiervóór onder B in de tussenconclusie is weergegeven. De rechtbank zal hierna ten aanzien van de strafmaat nog nader ingaan op de weging van de rollen van het drietal.
Ook [naam] was gedurende de hele periode vanaf 8 maart 2013 onderdeel van de criminele
organisatie. Zij leverde een belangrijke bijdrage door haar ouders en andere familieleden bij
de aankoop van panden te betrekken. Dat deed zij door panden op naam van deze
familieleden te laten stellen en door hen betalingen te laten doen via bankrekeningen op hun
naam. Ook heeft ze zelf met crimineel geld een pand aangekocht. Verder heeft ze vaste lasten van de panden betaald, contant geld meegenomen naar het buitenland en de ‘kas’ van de criminele organisatie beheerd.
[medeveroordeelde 2] komt vanaf 10 juli 2017 (duidelijk) in beeld, wanneer zij een betaling doet ten
behoeve van de [adres] , inmiddels wetende dat [medeveroordeelde 1] zich bezig houdt het
plegen van misdrijven, namelijk hennepteelt. Zij ondersteunde de organisatie door vaste
lasten van de panden te betalen, actief mee te zoeken naar voor aankoop en hennepteelt
geschikte panden, door het optuigen van schijnconstructies na het aantreffen van
hennepkwekerijen en door behulpzaam te zijn bij het ‘oplossen’ van problemen rond een
lekkage in het pand aan de [adres] .”
Zoals de rechtbank heeft vastgesteld in het vonnis in de hoofdzaak vormden [medeveroordeelde 1] , [veroordeelde] en [medeveroordeelde 3] het centrale drietal in de organisatie. . Hoewel dit van hem verwacht had mogen worden, heeft veroordeelde over de hoogte van het bedrag of het aandeel in de winst dat een ieder van dit centrale drietal ontving niets verklaard. Bij gebreke van een zodanige verklaring en van overige concrete aanwijzingen voor een specifieke verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel tussen [medeveroordeelde 1] , [veroordeelde] en [medeveroordeelde 3] zal de rechtbank hen het voordeel in gelijke mate toerekenen.Dat [medeveroordeelde 1] een voortrekkersrol vervulde, zoals uit de strafmaatmotivering van het vonnis in de hoofdzaak volgt, maakt dat niet anders. Er zijn geen aanwijzingen dat hem door deze voortrekkersrol een groter aandeel in de criminele opbrengsten toekwam.
Hoewel van directe betrokkenheid van [medeveroordeelde 4] bij de hennepteelt niet is gebleken, kan zij wel worden gezien als een deelnemer aan de criminele organisatie die zich bezig hield met de hennepteelt, waaronder de teelt in de panden aan de [adres] te Silvolde, de [adres] te Nijmegen en de [adres] te Rotterdam. De rechtbank wijst daarbij in het bijzonder op het feit dat zij de kas met daarin de opbrengst van de hennepteelt beheerde en dat zij met hennepteelt gegenereerd geld meenam naar het buitenland. Ook betrok zij haar ouders en een ander familielid bij de aankoop van panden waarin in latere instantie hennepkwekerijen werden aangetroffen en liet zij hen betalingen doen via bankrekeningen op hun naam. Verder had zij zelf een pand op naam, waarin op 5 februari 2017 een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. [39] Tot slot betaalde ze vaste lasten van de verschillende panden in gebruik bij de criminele organisatie. Gelet op deze substantiële rol in het geheel, acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat [medeveroordeelde 4] niets zou hebben ontvangen van de criminele opbrengsten van de kwekerijen in de panden aan de [adres] te Silvolde, de [adres] te Nijmegen en de [adres] te Rotterdam. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat ook zij daarvan heeft geprofiteerd. Het dossier bevat geen aanwijzingen voor concrete bedragen die of de grootte van het aandeel in de opbrengsten dat [medeveroordeelde 4] heeft ontvangen. Dat haar rol anders was dan die van [medeveroordeelde 1] , [veroordeelde] en [medeveroordeelde 3] is onvoldoende om aan te nemen dat zij een kleiner aandeel heeft gehad in de opbrengsten. Gelet hierop zal de rechtbank aan [medeveroordeelde 4] het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel in gelijke mate toerekenen als aan [medeveroordeelde 1] , [veroordeelde] en [medeveroordeelde 3] .
Dat is anders voor [medeveroordeelde 2] . Naast haar voornoemde aandeel in de criminele organisatie vanaf 10 juli 2017, was zij nauw betrokken bij de hennepteelt in het pand gelegen aan de [adres] te Nijmegen. [40] Dat zij vanaf genoemde datum een gelijk aandeel had in de criminele opbrengsten als [medeveroordeelde 1] , [veroordeelde] , [medeveroordeelde 3] en [medeveroordeelde 4] acht de rechtbank echter niet aannemelijk. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
In het geval van [medeveroordeelde 2] bevinden zich (wel) concrete aanwijzingen in het dossier ten aanzien van het bedragen die zij heeft ontvangen. Op 25 mei 2019 hebben [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] drie gesprekken gevoerd, waarin wordt gezegd dat [medeveroordeelde 1] aan [medeveroordeelde 2] 2400 en 3000 in twee maanden had gegeven, waarvan 600 voor [naam] [41] , dat [medeveroordeelde 1] aan [medeveroordeelde 2] vorige maand
€ 5000 had gegeven, dat ze een keer 10.000 en een andere keer 12.000 kreeg [42] en dat hij haar 5000 gaf, maar dat ze nu geen geld heeft. [43] De rechtbank leidt hieruit af dat [medeveroordeelde 2] in ieder geval € 27.000,00 heeft ontvangen. Waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de genoemde € 2.400,00 en € 3.000,00, hetzelfde bedrag betreft als de in het laatste gesprek genoemde € 5.000,00. Nu deze gesprekken plaatsvonden op 25 mei 2019, op welk moment al een aantal maanden hennep werd geteeld in het pand aan de [adres] te Nijmegen, kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de bedragen die in deze gesprekken worden genoemd voor het overgrote deel zien op het aandeel van [medeveroordeelde 2] in de opbrengst van die kwekerij en voor het overige op haar andere ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de criminele organisatie in deze maanden. Dat zij op deze wijze heeft meegedeeld in de opbrengst van de kwekerij past ook bij de substantiële rol die [medeveroordeelde 2] in die kwekerij heeft vervuld en bij het feit dat zij het (op het bij haar moeder in eigendom zijnde) pand voor de hennepteelt ter beschikking heeft gesteld.
De rechtbank acht het voorts aannemelijk dat [medeveroordeelde 2] ook voor de vanaf 10 juli 2017 door haar verrichte ondersteunende werkzaamheden binnen de criminele organisatie een vergoeding ontving. Bij gebreke van concrete aanwijzingen voor de hoogte van die vergoeding schat de rechtbank dat bedrag op € 10.000,00.
Dat betekent dat de rechtbank het voordeel dat [medeveroordeelde 2] ontving vanwege haar deelname aan de criminele organisatie schat op een totaalbedrag van € 37.000,00. De rechtbank zal dit bedrag in mindering brengen op de opbrengst van de criminele organisatie die [medeveroordeelde 1] , [veroordeelde] , [medeveroordeelde 3] en [medeveroordeelde 4] gezamenlijk ontvingen.
3.3.7
De aftrek van de verbeurd verklaarde goederen
3.3.7.1
Vooraf
In de vonnissen in de hoofdzaak van [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] heeft de rechtbank een aantal panden en een contant geldbedrag verbeurd verklaard. Het betreft:
  • het pand aan de [adres] te Silvolde, aangekocht op 1 juni 2018;
  • het pand aan [adres] te Rotterdam, aangekocht op 11 december 2014;
  • het pand aan de [adres] te Rotterdam, aangekocht op 18 maart 2013;
  • het pand aan de [adres] te Rotterdam, aangekocht op 11 maart 2013;
  • het pand aan de [adres] te Rotterdam, aangekocht op 30 juli 2015;
  • het pand aan de [adres] te Zoetermeer, aangekocht op 10 februari 2017;
  • een geldbedrag van € 203.060,00, aangetroffen op de [adres] te Rotterdam op 23 juli 2019.
In de vonnissen in de hoofdzaak van [medeveroordeelde 3] en [medeveroordeelde 4] is naast het geldbedrag slechts een deel van deze panden verbeurd verklaard.
De rechtbank merkt deze panden en het geldbedrag aan als goederen van de criminele organisatie, meer specifiek goederen van niet alleen [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] , maar ook van [medeveroordeelde 3] en [medeveroordeelde 4] . De rechtbank zal het aftrekken van de verbeurd verklaarde goederen daarom bespreken, alvorens het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel per veroordeelde te berekenen.
3.3.7.2
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officieren van justitie hebben zich primair op het standpunt gesteld dat met de voornoemde verbeurdverklaringen geen rekening kan worden gehouden bij de vaststelling van de hoogte van de betalingsverplichting, omdat het vonnis van 12 mei 2025 nog niet onherroepelijk is. Volgens vaste jurisprudentie moet sprake zijn van een onherroepelijke verbeurdverklaring voordat daarmee rekening kan worden gehouden bij de vaststelling van de hoogte van de betalingsverplichting.
Subsidiair hebben de officieren van justitie, samengevat, het volgende betoogd.
De verbeurd verklaarde panden kunnen niet worden aangemerkt als opbrengst van de hennepteelt en ook niet als kostenpost die in directe relatie stond tot de voltooiing van de hennepteelt waarmee het voordeel is behaald. Het is zeer aannemelijk dat bij de aankoop van de panden geld is gebruikt dat afkomstig is uit de hennepteelt. Het uit de hennepteelt behaalde voordeel kan echter, gelet op de aankoopdata van de panden aan de [adres] en het pand aan de [adres] , die zijn gelegen vóór 11 december 2014, niet zijn gebruikt voor de aanschaf van deze panden. Verder was het op 30 juli 2015 behaalde voordeel uit de hennepteelt in de kwekerij aan de [adres] onvoldoende voor de aanschaf op die datum van het pand aan de [adres] . Ook ten aanzien van het bedrag waarmee het pand aan de [adres] is aangekocht, te weten € 113.482,00, is niet gebleken waarvan het afkomstig is. Daarbij is van belang dat het zeer aannemelijk is dat veroordeelde en de medeveroordeelden meer hennepkwekerijen (dan de aan de orde zijnde drie kwekerijen) hebben geëxploiteerd. Voor het alternatieve scenario dat dit pand is aangekocht van de opbrengst van de hennepteelt in de kwekerij aan de [adres] , die hiervoor op 10 februari 2017 op zichzelf voldoende was, bevindt zich geen enkel bewijsmiddel in het dossier.
Het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel dient daarom volledig in rekening te worden gebracht aan veroordeelde.
Meest subsidiair hebben de officieren van justitie opgemerkt dat bij aftrek van de verbeurd verklaarde panden rekening moet worden gehouden met de aanzienlijke overwaarde van die panden, nu dit vervolgprofijt betreft.
Wat betreft het aangetroffen contante geldbedrag geldt dat, naast het feit dat het vonnis van 12 mei 2025 niet onherroepelijk is, niet kan worden geduid van welke kwekerij dit geldbedrag de opbrengst is, zodat het niet in mindering kan komen op de betalingsverplichting. Mocht de rechtbank hierover anders oordelen, dan moet op de betalingsverplichting van veroordeelde, afhankelijk van de vraag of het bedrag ook op de betalingsverplichting van [medeveroordeelde 2] in aanmerking komt, een vierde deel van het geldbedrag in mindering komen, te weten een bedrag van € 50.760,00, dan wel een vijfde deel van het geldbedrag, te weten een bedrag van € 40.608,00.
3.3.7.3
Het standpunt van de verdediging
Het verbeurdverklaarde geldbedrag van € 203.060,00 dient in mindering gebracht te worden op de betalingsverplichting. Dit geldt in beginsel ook voor de waarde van de verbeurdverklaarde panden nu de verbeurdverklaring bij vonnis als bijkomende straf is uitgesproken en derhalve een punitief karakter heeft.
3.3.7.4
De beoordeling door de rechtbank
3.3.7.4.1 Het juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan worden bereikt dat aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. Wordt in zo’n geval ook de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd, dan dient, in verband met het reparatoire karakter van die maatregel, de waarde van het onder de veroordeelde inbeslaggenomen en in zijn strafzaak verbeurd verklaarde voorwerp in mindering te worden gebracht op de aan de veroordeelde op te leggen betalingsverplichting (vgl. Hoge Raad
17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874). Ook als de hiervoor bedoelde verbeurdverklaring ten tijde van de uitspraak van de ontnemingsrechter nog niet onherroepelijk is, kan de ontnemingsrechter de waarde van de verbeurd verklaarde voorwerpen in mindering brengen op de aan de veroordeelde op te leggen betalingsverplichting. De ontnemingsrechter is daartoe echter niet verplicht. In het geval dat de rechter de waarde van de verbeurd verklaarde voorwerpen niet in mindering brengt omdat de verbeurdverklaring nog niet onherroepelijk is, kan de veroordeelde nadien – als de uitspraak waarin die verbeurdverklaring is uitgesproken, wel onherroepelijk is geworden – een verzoek doen als bedoeld in artikel 6:6:26 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Hoge Raad 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:808).
Het feit dat de vonnissen in de hoofdzaak niet onherroepelijk zijn, staat dus niet reeds in de weg aan het in mindering brengen van (de waarde van) de panden en het contante geldbedrag.
De rechtbank is van oordeel dat het aftrekken van (de waarde van) de verbeurd verklaarde goederen in de ontnemingsbeslissing, indien (zoals in het onderhavige geval) sprake is van een rechtstreeks verband tussen de verbeurd verklaarde goederen en het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, de meest geëigende weg is. Dit voorkomt dat een rechtbank mogelijk op een (veel) later moment nog een beslissing moet nemen in een geschil over de vraag of verbeurd verklaarde goederen voor aftrek in aanmerking komen. Waar het gaat om de verbeurd verklaarde panden geldt bovendien, dat zo wordt voorkomen dat een veroordeelde zou profiteren van (crimineel) vervolgprofijt door de waardevermeerdering van het onroerend goed op het moment van de vervreemding daarvan of dat een veroordeelde zou worden benadeeld door een waardevermindering daarvan. Doel van de ontnemingsmaatregel is immers dat een veroordeelde wordt teruggebracht in de financiële situatie waarin hij of zij zich bevond voor het plegen van de strafbare feiten (het reparatoire karakter van de maatregel).
3.3.7.4.2 De voor aftrek in aanmerking komende goederen
Het geldbedrag van € 203.060,00 aangetroffen op de [adres] te Rotterdam
In het vonnis in de hoofdzaak heeft de rechtbank vastgesteld dat het op 23 juli 2019 in het pand aan de [adres] te Rotterdam aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit de hennepteelt. [44] De rechtbank acht het aannemelijk dat het geld afkomstig is van de op dat moment in bedrijf zijnde kwekerijen in Silvolde en Rotterdam en de op 3 juni 2019 ontmantelde kwekerij in Nijmegen, waarover het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend. De rechtbank zal het geldbedrag van € 203.060,00 daarom aftrekken van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel.
De verbeurd verklaarde panden
De eerste oogst in de kwekerijen in Silvolde en Nijmegen vond telkens plaats na aankoop van de verbeurd verklaarde panden. Er is daarmee geen rechtstreeks verband tussen het wederrechtelijk voordeel uit de kwekerijen in Silvolde en Nijmegen en de aankoop van de verbeurd verklaarde panden.
De eerste oogst in de kwekerij in aan de [adres] te Rotterdam vond op zijn vroegst plaats op 19 februari 2015 (10 weken na de aankoop van het pand). Omdat de panden gelegen aan de [adres] te Rotterdam, [adres] te Rotterdam en de [adres] zijn aangekocht voor die datum is er geen rechtstreeks verband tussen het wederrechtelijk verkregen voordeel en die panden. De verbeurdverklaring van die panden komt daarmee niet voor aftrek in aanmerking.
Het pand aan de [adres] te Rotterdam is op 30 juli 2015 aangekocht voor een bedrag (inclusief kosten) van € 103.231,28, waarvan € 54.000,00 op 2 juli 2015 en
€ 27.797,00 op 23 juli 2015 afkomstig zijn vanaf een buitenlandse rekening. [45] Op 30 juli 2015 konden maximaal 3 oogsten (uitgaande van 10 weken per oogst) hebben plaatsgevonden in de kwekerij aan de [adres] met een geschat voordeel van € 61.933,92 (€ 20.644,64 per oogst [46] ), waarvan de laatste oogst pas na 3 juli 2015 kan zijn geweest. Gelet hierop is het naar het oordeel van de rechtbank onaannemelijk dat het geldbedrag waarmee het pand aan de [adres] te Rotterdam is aangekocht rechtstreeks afkomstig is van de opbrengst van de kwekerij aan de [adres] . De waarde van dit pand komt daarom niet voor aftrek in aanmerking.
Het pand aan de [adres] te Zoetermeer is op 10 februari 2017 aangekocht voor een bedrag van € 113.482,72 (inclusief kosten). [47] Op dat moment konden er maximaal 7 oogsten (uitgaande van 10 weken per oogst) hebben plaatsgevonden in de kwekerij aan de [adres] met een geschat voordeel van € 20.644,64 per oogst [48] en 3 oogsten met een geschat voordeel van € 25.685,06 per oogst. Het maximale voordeel uit de kwekerij aan de [adres] op 10 februari 2017 komt daarmee op een bedrag van € 221.567,66. Van dit bedrag kan het pand aan de [adres] te Zoetermeer (grotendeels) zijn aangekocht. De rechtbank acht het daarom, gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, redelijk het aankoopbedrag van het pand aan de [adres] (inclusief kosten) in aftrek te brengen op het geschatte totale wederrechtelijk verkregen voordeel.
Op 6 december 2017 is het pand aan het [adres] te Rotterdam verkocht. [49] De opbrengst van de verkoop van dit pand (€ 143.673,25) is gebruikt om een deel van de aankoopsom van het pand aan de [adres] te Silvolde te voldoen. [50] Dat pand is op 1 juni 2018 aangekocht voor een bedrag (inclusief kosten) van € 216.863,63. [51] Het pand aan het [adres] te Rotterdam is vanwege de eerdere verkoop niet verbeurd verklaard. De vraag is of het deel van de aankoopsom voor het pand aan de [adres] , dat afkomstig is van de verkoopopbrengst van het pand aan het [adres] , rechtstreeks afkomstig kan zijn uit de opbrengst van de kwekerij aan de [adres] . Bij de beantwoording van deze vraag zal de rechtbank eerst ingaan op de vraag of de aankoopsom van het pand aan het [adres] rechtstreeks afkomstig kan zijn van de opbrengst van de kwekerij aan de [adres] .
Het pand aan het [adres] is op 8 maart 2016 aangekocht voor een bedrag van € 115.000,00. [52] Op dat moment konden er maximaal 6 oogsten (uitgaande van 10 weken per oogst) met een geschat voordeel van € 123.867,84 (€ 20.644,64 per oogst [53] ) hebben plaatsgevonden in de kwekerij aan de [adres] . Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank het aankoopbedrag van het pand aan het [adres] rechtstreeks afkomstig zijn van de opbrengst van de hennepteelt in de kwekerij aan de [adres] . Omdat het pand aan het [adres] zelf niet verbeurd is verklaard, komt dit bedrag echter niet in aanmerking voor aftrek.
De rechtbank constateert op grond van het voorgaande dat op het moment van de aankoop van het pand aan de [adres] ruim voldoende voordeel was behaald met de hennepteelt in de kwekerij aan de [adres] om ook het restant van de koopsom van het pand aan de [adres] te voldoen. Nu het gehele aankoopbedrag voor het pand aan de [adres] rechtstreeks afkomstig kan zijn uit de opbrengst van de kwekerij aan de [adres] acht de rechtbank het, gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, redelijk om dat aankoopbedrag (inclusief kosten) in aftrek te brengen op het geschatte totale wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank zal op die aftrek wel een bedrag van € 28.673,25 (€ 143.673,25 - € 115.000,00) in mindering brengen, zijnde het verschil tussen het aankoopbedrag en het verkoopbedrag van het pand aan het [adres] . Deze gerealiseerde winst door de waardevermeerdering van het pand betreft immers vervolgprofijt, dat niet is meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en dus ook geen rechtstreeks verband heeft met dat voordeel. De verbeurdverklaring van het pand aan de [adres] leidt daarmee tot een aftrek van € 188.190,38.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een bedrag van afgerond € 504.733,00 (€ 203.060,00 + € 113.482,72 + € 188.190,38) aftrekken van het totale geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
3.3.8
Het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde
Het totaal geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van [medeveroordeelde 1] , [veroordeelde] , [medeveroordeelde 3] en [medeveroordeelde 4] komt daarmee op een bedrag van € 602.178,00, als volgt:
WVV uit de kwekerijen in Silvolde, Nijmegen en Rotterdam € 1.173.124,00
WVV [medeveroordeelde 2] € 37.000,00 -/-
Aftrek verbeurd verklaarde goederen
€ 504.733,00 -/-
Totaal geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel € 631.391,00
Gelet op het overwogene onder 3.3.6.3 bedraagt het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde
€ 157.847,75.

4.De betalingsverplichting

4.1
Het standpunt van het openbaar ministerie
Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn hebben de officieren van justitie zich op het standpunt gesteld dat een korting van maximaal 20% op de betalingsverplichting redelijk is. Een halvering zou disproportioneel zijn, waarbij niet moet worden vergeten dat veroordeelde niet alleen jarenlang heeft genoten van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar ook nagenoeg gratis heeft gewoond, toeslagen heeft ontvangen en bovendien zijn inkomsten en daaruit voortvloeiende vermogen niet heeft opgegeven bij de belastingdienst.
4.2
Het standpunt van de verdediging
Op grond van de forse overschrijding van de redelijke termijn is een ruimere korting dan 20% mogelijk. Aanknopingspunten hiervoor zijn te vinden in (nader genoemde) jurisprudentie.
4.3
De beoordeling door de rechtbank
4.3.1
Redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de veroordeelde een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de ontnemingsvordering moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Op 23 juli 2019 hebben op verschillende locaties doorzoekingen plaatsgevonden, waarbij onder andere conservatoir beslag ex artikel 94a van het Wetboek van Stafvordering is gelegd op goederen. De rechtbank zal deze datum daarom aanmerken als aanvangsdatum van de redelijke termijn. Zoals ook in het vonnis in de hoofdzaak is overwogen, maakt de zaak van veroordeelde onderdeel uit van het onderzoek Babydraak. Dit is een zeer omvangrijk en complex onderzoek, waarin via vele rechtshulpverzoeken uit diverse landen informatie moest worden verkregen, en waarin, na ontvangst van het omvangrijke procesdossier door de verdediging van diverse verdachten onderzoekswensen zijn gedaan en ook gehonoreerd. De rechter-commissaris heeft de verzochte getuigen gehoord in de periode van 19 augustus 2020 tot en met 1 december 2020, deels via een videoverbinding met het buitenland. Net als in de hoofdzaak zal de rechtbank daarom uitgaan van een redelijke termijn van drie jaren, wat betekent dat sprake is van een forse overschrijding met meerdere jaren, die op geen enkele wijze aan veroordeelde valt toe te rekenen. Zowel het Openbaar Ministerie als de rechtbank hebben onvoldoende voortvarendheid betracht.
In de hoofdzaak is veroordeelde gecompenseerd voor de overschrijding van de redelijke termijn, in die zin dat aan hem in plaats van een gevangenisstraf van 3 jaren een gevangenisstraf van 28 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk is opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat als de uitspraken in de hoofdzaak en de ontnemingszaak gelijktijdig hadden plaatsgevonden veroordeelde met die strafvermindering ook in de ontnemingszaak voldoende zou zijn gecompenseerd. De uitspraak in de ontnemingszaak is echter ruim 9 maanden later dan de uitspraak in de hoofdzaak. De rechtbank ziet daarin aanleiding het bedrag waarop de betalingsverplichting ziet te matigen en zoekt aansluiting bij de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten in zijn overzichtsarrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) ingeval sprake is van een termijnoverschrijding tussen de 6 en 12 maanden. Die uitgangspunten houden in dat het ontnemingsbedrag met 10% wordt verminderd, maar dat die vermindering in beginsel niet meer bedraagt dan € 5.000,00. Gelet hierop zal de rechtbank het bedrag dat veroordeelde moet betalen matigen met € 5.000,00. Zij ziet geen reden voor een verdergaande matiging.
4.3.2
Draagkracht
De verdediging heeft geen draagkrachtverweer gevoerd.
4.3.3
Conclusie betalingsverplichting
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting voor veroordeelde vast op een bedrag van
€ 152.847,75(€ 157.847,75 - € 5.000,00). De rechtbank zal veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

5.Gijzeling

Volgens de LOVS-oriëntatiepunten geldt bij het bepalen van de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd, dat voor elke volle € 100,00 één dag gijzeling kan worden opgelegd, met een maximum van 1080 dagen. De rechtbank ziet geen reden hiervan af te wijken. De rechtbank zal de duur van de gijzeling daarom bepalen op het maximum van 1080 dagen.

6.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 157.847,75;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 152.847,75;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering op
1080 dagen.
Aldus gegeven door mr. M.J. Wasmann (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en mr. R.P.W. van de Meerakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 maart 2026.
Mr. Van Hoof is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, districtsrecherche Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal,
2.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Sr,
3.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Sr,
4.Tapgesprek, sessie 1938, pag. A2649.
5.Tapgesprek, sessie 2246, pag. A1032.
6.Sessienummer 7412, pag. A1820.
7.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Sr,
8.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Sr,
9.SMS-berichten, sessies 1042, 1056, 1059 en 1062, pag. A1793, A1794 en A1795.
10.SMS-bericht, sessie 1224, pag. A1797.
11.SMS-berichten, sessies 1288, 1289 en 1292, pag. A1798 en A1799.
12.SMS-berichten, sessies 2701, 2704, 2759, 2895, 2898, 3023, pag. A1801-A1804.
13.SMS-berichten, sessies 4301 en 4497, pag. A1807 en A1809.
14.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Sr,
15.Factuur van Liander, pag. A1384.
16.Proces-verbaal van bevindingen, pag. A570, en foto’s 13-16, pag. A575 en A576.
17.Proces-verbaal van bevindingen, pag. A570, en foto’s 9, 10,19 en 20, pag. A573, A576 en A577; Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Sr, pag. A698 en A702.
18.Tapgesprek, sessie 4983, pag. A1006.
19.Tapgesprekken / SMS-berichten, sessies 751, 779, 1857, 1938, 2045, 2046, 2048, 1109, 7349, 882, 1924, 1938, 7516, 1001, 1036, 1199, 1204, 1690, 995, 2923 en 3055, pag. A988, A1000, A1009, A1010, A1871, A2186, A2192, A2561, A2562, A2581, A2582, A2596, A2643, A2648, A2649, A2654 en A2655.
20.Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, pag. A694.
21.Aangifte Liander, pag. A920.
22.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Sr,
23.Tapgesprekken, sessies 1102, 4476, 4983 en 5051, pag. A859, A988, A1006 en A1007.
24.Tapgesprek, sessie 5063, pag. 1119.
25.Tapgesprek, sessie 4454, pag. A1705.
26.Tapgesprekken, sessies 7973, 8244, 4070, 4072, pag. A1707-A1710.
27.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e, lid 2 Sr, pag. A700-A703.
28.Tapgesprekken, sessies 3521, 6305 en 4399, pag. A1693, A1701 en A1705.
29.Tapgesprek, sessie 12220, pag. A2712.
30.Proces-verbaal van bevindingen, gedateerd 12 november 2019, pag. A2827 en A2928.
31.Tapgesprek, sessie 4983, pag. A1006.
32.Proces-verbaal van bevindingen, gedateerd 12 november 2019, pag. A2926.
33.Tapgesprek, sessie 8216, pag. 1122.
34.Proces-verbaal van bevindingen, gedateerd 12 november 2019, pag. A2927 en A2928.
35.Proces-verbaal van bevindingen, gedateerd 12 november 2019, pag. A2927 en A2928.
36.Aangifte van Stedin Netbeheer B.V., pag. A2974.
37.E-mailbericht van Flanderijn d.d. 30 juli 2020, gevoegd bij een e-mailbericht van mr. W.M. Shreki
38.Vonnis [veroordeelde] , pag. 55-56.
39.Proces-verbaal financieel zaakdsdossier, pag E46.
40.Vonnis [veroordeelde] , pag. 11.
41.Tapgesprek, sessie 8924, pag. A1710.
42.Tapgesprek, sessie 8910, pag. A1711.
43.Tapgesprek, sessie 7599, pag. A1712.
44.Vonnis [veroordeelde] , pag. 55.
45.Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, pag. A2347; afrekening R&W notarisbureau, pag.
46.Proces-verbaal van bevindingen, gedateerd 12 november 2019, pag. A2927-A2928.
47.Afrekening R&W notariskantoor, pag. A2414.
48.Proces-verbaal van bevindingen, gedateerd 12 november 2019, pag. A2927-A2928.
49.Uittreksel kadaster, pag. Al81.
50.Vonnis [veroordeelde] , pag. 41.
51.Proces-verbaal van bevindingen, pag. A88.
52.Akte van levering, pag. A173-A175.
53.Proces-verbaal van bevindingen, gedateerd 12 november 2019, pag. A2927-A2928.