Beoordeling door de rechtbank
17. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag terecht en zo ja, tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil:
- is sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt;
- zo ja, is sprake van gewekt vertrouwen door de inspecteur vanwege het verzoek om vooroverleg;
- is de hoogte van de stakingswinst op het juiste bedrag vastgesteld en is de stakingswinstlijfrente terecht gecorrigeerd;
- is de beschikking belastingrente juist vastgesteld;
- heeft belanghebbende recht op een integrale proceskostenvergoeding.
De rechtbank beoordeelt een en ander aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
18. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is sprake van een nieuw feit wat navordering rechtvaardigt?
19. Belanghebbende voert aan dat de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd, omdat geen sprake is van een nieuw feit. In 2018 heeft de vennootschap de per 1 januari 2018 ingebrachte assurantieportefeuille overgedragen aan [naam bedrijf]. De correctie die verband houdt met de inbrengwaarde is uitsluitend gebaseerd op de omzet over het jaar 2017. In het vooroverleg zijn afspraken gemaakt over de wijze van berekening van de waarde van de onderneming. Deze zou worden gebaseerd op de omzetcijfers van de jaren 2015 en 2016. Dat de omzet over 2017 vervolgens hoger is uitgekomen dan die van 2015 en 2016, heeft geen invloed op de in onderling overleg bepaalde waarde. De wijze van waardebepaling lag immers vast.
20. De primitieve aanslag IB/PVV 2017 is met dagtekening 29 september 2019 geautomatiseerd opgelegd conform de aangifte. Deze aangifte gaf de inspecteur geen aanleiding tot een nader onderzoek. Ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2017 was het de inspecteur niet bekend dat de samenwerking tussen belanghebbende en [naam bedrijf] eind 2017 was beëindigd. Het was toen de inspecteur ook niet bekend dat, ten opzichte van de voorgelegde waarde in het verzoek om vooroverleg, de onderliggende berekening van de overdrachtswaarde van de assurantieportefeuille op andere grondslagen berustte. De inspecteur kwam van deze informatie pas op de hoogte nadat de definitieve aanlag IB/PVV 2017 was opgelegd, namelijk door een in mei 2021 ontvangen signaal van de Afdeling vennootschapsbelasting over het door de vennootschap in haar jaarrekening 2018 opgenomen bedrag aan lijfrentekapitaal.
21. Uit het naar aanleiding van dit signaal ingestelde onderzoek is gebleken dat belanghebbende zijn onderneming niet in de vennootschap heeft voortgezet. De rechtbank baseert dit op het volgende:
- uit de mededeling van 16 januari 2023 van [naam bedrijf] volgt dat de samenwerking tussen belanghebbende en [naam bedrijf] einde 2017 is beëindigd;
- de overgelegde afrekening tussen [naam bedrijf] en belanghebbende is opgesteld per 1 januari 2018;
- de vennootschap heeft in 2018 geen activiteiten verricht in de vorm van een voortzetting van de ingebrachte onderneming;
- in de aangifte Vpb 2018 van de vennootschap is niets opgenomen over de overdracht/inbreng van de onderneming van belanghebbende in de loop van het jaar 2018;
- de assurantieportefeuille is ultimo 2018 niet op de balans van de vennootschap als immaterieel vast actief opgenomen.
22. De rechtbank constateert dat de in 2017 beëindigde samenwerking heeft geresulteerd in een eindafrekening per 31 december 2017/1 januari 2018 ten behoeve van de in 2017 gestaakte onderneming, waarin het vierde kwartaal van 2017 als laatste tijdvak is verrekend. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende zijn onderneming heeft gestaakt in 2017.
23. Belanghebbende heeft de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden niet weersproken. Zo heeft hij zijn stelling dat hij zijn onderneming heeft gestaakt op het moment van tekenen van de afrekening met [naam bedrijf] in maart 2018, op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank wijst er hierbij verder op dat belanghebbende zelf heeft opgemerkt dat hij in 2018 in de vennootschap geen activiteiten heeft verricht in het kader van voortzetting van zijn IB-onderneming en dat hij ter zitting heeft verklaard dat het bedrag van het lijfrentekapitaal van € 200.000 een nieuw feit voor de inspecteur is.
24. De in de vorige overweging genoemde punten, in samenhang met het signaal van de Afdeling vennootschapsbelasting over het hoogte van het lijfrentekapitaal, vormen tezamen het nieuwe feit op grond waarvan de inspecteur heeft kunnen besluiten in verband hiermee een navorderingsaanslag op te leggen.
Is sprake van door de inspecteur gewekt vertrouwen?
25. Belanghebbende voert aan dat hij zich kan beroepen op het door de inspecteur gewekte vertrouwen dat de waarde van de in te brengen onderneming/assurantieportefeuille € 195.000 bedroeg. Het vooroverleg met de inspecteur was juist en volledig en daarmee heeft de inspecteur het vertrouwen opgewekt dat belanghebbende ervan uit kon gaan dat hij zijn stakingswinst in het jaar 2017 mocht berekenen op basis van een waarde van de onderneming/assurantieportefeuille eenmanszaak van € 195.000. Toen belanghebbende zich committeerde om zijn onderneming in te brengen in een besloten vennootschap was van een eventuele overdracht van de assurantieportefeuille nog geen sprake. Toen zich een gelegenheid voortdeed om op gunstige voorwaarden de assurantieportefeuille over te dragen is daarvan gebruik gemaakt. De vennootschap was niet verplicht de ingebrachte onderneming voort te zetten. De aftrek van de stakingslijfrente kan niet daarom worden geweigerd. De stakingswinst moet worden vastgesteld op € 195.000, met een stakingslijfrente van € 165.000, aldus nog steeds belanghebbende.
26. Uit de hiervoor onder 3. aangehaalde tekst van het verzoek van 15 december 2017 volgt dat dit verzoek uitsluitend ziet op de waarde van de onderneming van belanghebbende. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat belanghebbende de onderneming in het jaar 2018 niet heeft voortgezet. Met de akkoordverklaring d.d. 22 februari 2018 heeft de Belastingdienst geen vertrouwen gewekt dat in geval van staking van een onderneming belanghebbende in aanmerking komt voor enige lijfrentepremieaftrek.
Stakingswinst en stakingswinstlijfrente
27. Belanghebbende voert aan dat de aftrek van de stakingslijfrente ten onrechte is geweigerd. Volgens hem bedraagt de stakingswinst € 195.000 en moet een stakingslijfrente van € 165.000 in aanmerking worden genomen.
28. Met wat hij heeft aangevoerd, heeft belanghebbende niet aangetoond dat het bedrag van de navorderingsaanslag onjuist is vastgesteld. Een ondernemer die in het kalenderjaar een onderneming waaruit hij als ondernemer winst geniet, staakt, kan vanwege de omzetting van de stakingswinst in een lijfrente, in beginsel tot een bepaald maximum premies voor lijfrenten in aanmerking nemen. Een van de voorwaarden hiervoor is dat de lijfrente is bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van die onderneming aan en de lijfrentepremie is verschuldigd aan een in Nederland gevestigd lichaam.Omdat de onderneming van belanghebbende in 2017 is gestaakt, kan deze onderneming niet in 2018 in de vennootschap worden ingebracht. Belanghebbende voldoet daarmee niet aan de voorwaarden voor lijfrentepremieaftrek. De lijfrente is immers niet bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van de onderneming.
Conclusie over de navorderingsaanslag
29. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank zal daarom om proceseconomische redenen zich niet uitlaten over de vraag of wegens het niet doen van de vereiste aangifte door belanghebbende in deze zaak de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.
30. Belanghebbende verzoekt de rechtbank de beschikking belastingrente te vernietigen dan wel de in rekening gebrachte belastingrente te matigen vanwege het tijdsverloop tussen de eerste correspondentie en de uiteindelijke uitspraak op bezwaar.
31. De belastingrente is in overeenstemming met de wettelijke bepalingen over de periode van 1 juli 2018 tot en met 23 januari 2024, de dag voorafgaand aan de dag waarop de navorderingsaanslag invorderbaar is, tot het juiste bedrag vastgesteld. Over de bezwaarfase is geen belastingrente berekend. De in rekening gebrachte belastingrente is het gevolg van een onderzoek naar aanleiding van een signaal van een andere eenheid van de Belastingdienst over de onjuist ingediende aangifte IB/PVV 2017 van belanghebbende. Gelet op de uitvoering van dit onderzoek heeft de inspecteur niet te lang gewacht met het opleggen van de navorderingsaanslag en is deze navorderingsaanslag binnen de daarvoor geldende termijn opgelegd.
Verzoek vergoeding immateriële schade
32. De rechtbank leidt uit wat belanghebbende ter zitting heeft opgemerkt over de lange duur van de procedure, af dat hij verzoekt om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.
33. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.
34. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn vast te stellen op langer dan twee jaar. De inspecteur heeft het bezwaarschrift tegen de aanslag ontvangen op 16 januari 2024. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) twee jaar en een maand. Op het moment van doen van uitspraak door de rechtbank is de redelijke termijn met één maand overschreden, afgerond een half jaar. Dit betekent een vergoeding van € 500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 20 juni 2024. De overschrijding van de redelijke termijn is volledig toerekenbaar aan de beroepsfase. De rechtbank zal de Staat veroordelen om € 500 aan belanghebbende te betalen.