De rechtbank Gelderland heeft op 26 februari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eisers bezwaar maakten tegen lasten onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede. De last onder dwangsom betrof het gebruik van bijgebouwen A en C als hotelkamers zonder dat dit gecombineerd was met een horecafunctie, wat in strijd is met het bestemmingsplan.
De rechtbank oordeelt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat de gebouwen A en C uitsluitend voor nachtverblijf werden gebruikt door werknemers van een uitzendbureau, zonder verband met het restaurant in gebouw D. Het gebruik valt niet onder het overgangsrecht omdat eisers dit niet aannemelijk hebben gemaakt. Ook is vastgesteld dat eisers als overtreder kunnen worden aangemerkt, zowel de rechtspersonen als de natuurlijke personen die beschikkingsmacht hebben over de panden.
De rechtbank wijst de beroepsgronden van eisers af, waaronder het betoog dat het college niet bevoegd was, dat sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden om af te zien van handhaving, en dat het college in strijd met het zorgvuldigheids-, motiverings-, fair play- en vertrouwensbeginsel zou hebben gehandeld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.