ECLI:NL:RBGEL:2026:1397

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
ARN 24_5985 e.a.
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.45 bestemmingsplanArt. 1.46 bestemmingsplanArt. 1.47 bestemmingsplanArt. 4.23 Invoeringswet OmgevingswetArt. 2.1 lid 1 onder c Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Lasten onder dwangsom voor strijdig gebruik van bijgebouwen als hotelkamers zonder horecafunctie

De rechtbank Gelderland heeft op 26 februari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eisers bezwaar maakten tegen lasten onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede. De last onder dwangsom betrof het gebruik van bijgebouwen A en C als hotelkamers zonder dat dit gecombineerd was met een horecafunctie, wat in strijd is met het bestemmingsplan.

De rechtbank oordeelt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat de gebouwen A en C uitsluitend voor nachtverblijf werden gebruikt door werknemers van een uitzendbureau, zonder verband met het restaurant in gebouw D. Het gebruik valt niet onder het overgangsrecht omdat eisers dit niet aannemelijk hebben gemaakt. Ook is vastgesteld dat eisers als overtreder kunnen worden aangemerkt, zowel de rechtspersonen als de natuurlijke personen die beschikkingsmacht hebben over de panden.

De rechtbank wijst de beroepsgronden van eisers af, waaronder het betoog dat het college niet bevoegd was, dat sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden om af te zien van handhaving, en dat het college in strijd met het zorgvuldigheids-, motiverings-, fair play- en vertrouwensbeginsel zou hebben gehandeld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de lasten onder dwangsom wegens strijdig gebruik van bijgebouwen als hotelkamers zonder horecafunctie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/5953 en 24/5985

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

[naam bedrijf 1] , h.o.d.n. [naam hotel] , gevestigd te [plaats 1]

en
[persoon A], uit [plaats 2]
(gemachtigde: mr. G. Bosma),
en

[naam bedrijf 2] , gevestigd te [plaats 3]

en
[persoon B], uit [plaats 2]
(gemachtigde: mr. B.H.M. Karens),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede

(gemachtigden: mr. A. Boekhorst en mr. M. Grotenhuis).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de aan hen opgelegde lasten onder dwangsom. Eisers zijn het niet eens met de oplegging van de lasten onder dwangsom. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de opgelegde lasten onder dwangsom.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In de besluiten van 29 december 2023 zijn aan eisers lasten onder dwangsom opgelegd. In de beslissingen op bezwaar van 15 juli 2024 is het college bij deze besluiten gebleven met aanvulling van de motivering.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen deze beslissingen op bezwaar.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 november 2025 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Namens [naam bedrijf 2] : [persoon B] met gemachtigde. Namens [naam bedrijf 1] : [persoon A] , gemachtigde en mr. H.K.P. Yildiz. Namens het college de gemachtigden.

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
3.1.
Bij besluiten van 29 december 2023 heeft het college aan eisers lasten onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de beslissingen op bezwaar
4. [naam hotel] (verder: [naam hotel] ) is een handelsnaam van [naam bedrijf 1] De enige aandeelhouder van [naam bedrijf 1] is [naam bedrijf 3] . De enige aandeelhouder van [naam bedrijf 3] is [persoon A] . [naam bedrijf 1] huurt de gebouwen A, C en D aan de [locatie] in [plaats 2] van [naam bedrijf 2] en [persoon B] . In gebouw D bevinden zich een restaurant/eethuis en tien hotelkamers. In de gebouwen A en C bevinden zich ook hotelkamers.
[De in de uitspraak opgenomen afbeelding is niet opgenomen in verband met privacygevoelige informatie]
4.1.
Bij controles van toezichthouders van het college in maart 2023 is vastgesteld dat in de bijgebouwen A en C werknemers van het Poolse uitzendbureau [naam uitzendbureau], veelal afkomstig uit Oekraïne, gehuisvest worden. Dit gebruik is volgens het college in strijd met het bestemmingsplan omdat op het perceel geen ander gebruik mogelijk is dan horecabedrijven van categorie 1 en 2. Ter plaatse is volgens het college een horecabedrijf mogelijk in combinatie met een hotelfunctie. Het los van de horecafunctie verhuren van “hotelkamers” past volgens het college niet binnen het bestemmingsplan. Voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan is geen omgevingsvergunning verleend. [1] Daarom is volgens het college sprake van een overtreding. Eisers hebben op 8 december 2023 een vooraankondiging gekregen voorafgaand aan de oplegging van de lasten onder dwangsom. In de vooraankondigingen heeft het college aangegeven geen mogelijkheden te zien om de overtreding te legaliseren.
4.2.
In het besluit van 29 december 2023 dat is gericht is aan [naam hotel] , ter attentie van de heer [persoon A] , is een last onder dwangsom opgelegd voor het als huurder in strijd met het bestemmingsplan (laten) gebruiken van de (bij)gebouwen A en C aan de [locatie] in [plaats 2] .
In het besluit van 29 december 2023 dat is gericht is aan [persoon B] is een last onder dwangsom opgelegd voor het als verhuurder in strijd met het bestemmingsplan (laten) gebruiken van (bij)gebouw A aan de [locatie] in [plaats 2] .
In het besluit van 29 december 2023 dat is gericht is aan [naam bedrijf 2] is een last onder dwangsom opgelegd voor het als verhuurder in strijd met het bestemmingsplan (laten) gebruiken van (bij)gebouw C aan de [locatie] in [plaats 2] .
Het college heeft alle eisers een begunstigingstermijn gegeven tot 1 maart 2024 om de strijdige activiteiten te (laten) beëindigen. Daarnaast is aangegeven dat eisers ook niet opnieuw mogen beginnen met de overtreding. Als eisers niet stoppen, niet op tijd of niet helemaal stoppen met de overtreding dan verbeuren zij:
  • een dwangsom van € 40.000,- per maand met een maximum van € 120.000,- ([naam hotel] / [persoon A] ),
  • een dwangsom van € 15.000,- per maand met een maximum van € 45.000,- ( [persoon B] ),
  • een dwangsom van € 25.000,- per maand met een maximum van € 75.000,- ( [naam bedrijf 2] ).
4.3.
In de beslissingen op bezwaar van 15 juli 2024 heeft het college de adviezen van de commissie bezwaarschriften overgenomen en de bezwaarschriften van eisers tegen de opgelegde lasten onder dwangsom ongegrond verklaard met een aanvullende motivering over de hoogte van de opgelegde last onder dwangsom en de strijdigheid met het bestemmingsplan.
5. Tijdens de controle van 4 maart 2024 hebben toezichthouders vastgesteld dat de (bij)gebouwen A en C leeg stonden.
Was er ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom sprake van een overtreding?
6. Eisers betogen dat het college niet bevoegd was lasten onder dwangsom op te leggen omdat geen sprake was van een overtreding van het bestemmingsplan. Zij voeren daartoe aan dat sprake is van een afwijkende hotelvorm, waarbij gasten zelf mogen koken, zodat zij geen gebruik hoeven te maken van de aanwezige horecafunctie. In het belang van de dienstverlening kan worden geregeld dat gasten een paar maanden verblijven, maar niet zes maanden of langer. Omdat in het bestemmingsplan niet is gedefinieerd wat onder een hotel moet worden verstaan moet volgens eisers worden gekeken naar de toelichting bij het bestemmingsplan of naar het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal (Van Dale). In de toelichting bij het bestemmingsplan is geen verduidelijking opgenomen. De Van Dale omschrijft “hotel” als een gebouw waarin reizigers tegen betaling op een kamer kunnen overnachten. Hieruit kan volgens eisers worden afgeleid dat de tijdelijkheid van iemands verblijf belangrijk is voor de beoordeling of sprake is van een hotel. Dat er geen etenswaren werden verstrekt maakt dit volgens eisers niet anders omdat de begripsomschrijving uit de Van Dale geen verstrekking van eten vereist. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft volgens eisers ook al vaker geoordeeld dat niet alleen de verblijfsduur van belang is, omdat er ook sprake kan zijn van een afwijkende hotelvorm waarbij verblijf van een paar maanden mogelijk is. De Afdeling overweegt vaak dat bij “wonen” sprake moet zijn van een duurzaam verblijf. [2]
Planologisch kader
6.1.
In het geldende bestemmingsplan “Bezemronde 3, kernen” heeft het perceel de bestemming “Horeca” (artikel 22) met de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 2” en een nadere functieaanduiding “horeca tot en met categorie 2”.
In artikel 22.1, onder b van de voorschriften is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding “horeca tot en met categorie 2” uitsluitend horecabedrijven van categorie 1 en 2 zijn toegestaan.
De definitie van “horeca” is in artikel 1.45 van de voorschriften opgenomen.
Horeca is een bedrijf waar bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor consumptie ter plaatse worden verstrekt (uitgezonderd een maaltijdafhaalcentrum) en/of waar bedrijfsmatig logies wordt verstrekt.
Ingevolge artikel 1.46 van de voorschriften is horeca categorie 1: “Een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide snacks, ijs en kleine maaltijden voor consumptie zowel ter plaatse als elders, met daaraan ondergeschikt het verstrekken van overwegend niet-alcoholhoudende dranken, zoals een snackbar, cafetaria, lunchroom, broodjeszaak, ijssalon en koffiehuis”.
Ingevolge artikel 1.47 van de voorschriften is horeca categorie 2: “Een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren ten behoeve van consumptie ter plaatse, alsmede het daaraan ondergeschikt verstrekken van alcoholhoudende en niet-alcoholhoudende dranken, al dan niet in combinatie met het verstrekken van nachtverblijf en/of van zaalverhuur, zoals een hotel, een restaurant, pannenkoekhuis, eetcafé en pizzeria”.
Beoordeling door de rechtbank
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom sprake was van het verhuren van hotelkamers aan buitenlandse werknemers van het Poolse uitzendbureau [naam uitzendbureau] (hierna: de werknemers van [naam uitzendbureau]), veelal afkomstig uit Oekraïne. Dit is in strijd met het bestemmingsplan. De werknemers van [naam uitzendbureau] verbleven voor een langere periode in de gebouwen A en C zonder dat daarbij een binding bestond met het restaurant/eethuis op een manier zoals artikel 1.47 van het bestemmingsplan dat voorschrijft. Gelet op dat artikel is het verstrekken van alleen nachtverblijf (logies) niet toegestaan. Nachtverblijf is alleen toegestaan als dat in combinatie gebeurt met een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren ten behoeve van consumptie ter plaatse, alsmede het daaraan ondergeschikt verstrekken van alcoholhoudende en niet-alcoholhoudende dranken. Dit volgt uit artikel 1.47 van het bestemmingsplan gelet op de zinsnede “al dan niet in combinatie met het verstrekken van nachtverblijf (...), zoals een hotel, (...)”. De rechtbank oordeelt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat de gebouwen A en C alleen voor nachtverblijf (logies) werden gebruikt en dat er geen verband was met het restaurant/eethuis in gebouw D. Uit de constateringen van de toezichthouders van het college volgt dat de gebouwen A en C zo waren ingericht, dat het verblijf van de werknemers van [naam uitzendbureau] niet combineerde met de faciliteiten van het restaurant/eethuis. Dit blijkt, zoals het college terecht stelt, uit het volgende. In gebouw C bevindt zich een centrale keuken die ter beschikking stond aan de werknemers van [naam uitzendbureau]. [3] Er werd door werknemers van [naam uitzendbureau] ook gebruikgemaakt van diepvriezers die in de centrale keuken zijn opgesteld. Uit de inhoud van de vriezers is gebleken dat de werknemers van [naam uitzendbureau] eigen maaltijden bereidden. Ook was het mogelijk om op hotelkamers in de gebouwen A en/of C te koken. [4] Dat de werknemers van [naam uitzendbureau] gebruik mochten maken van het restaurant/eethuis maakt niet dat het verblijf in de gebouwen A en C daardoor nog altijd combineerde met het restaurant/eethuis. Ook personen die niet in het hotel verblijven kunnen daar immers gebruik van maken, het gaat erom dat het verblijf in de gebouwen A en C hiermee zo was verzelfstandigd dat niet meer werd voldaan aan artikel 1.47 van het bestemmingsplan.
6.3.
Voor zover eisers aan de hand van jurisprudentie van de Afdeling betogen dat tot een andere conclusie zou moeten worden gekomen volgt de rechtbank dat betoog niet. Eisers hebben geen uitspraken aangevoerd waarin sprake is van vergelijkbare situaties gelet op de bewoordingen in de daar van toepassing zijnde planvoorschriften dan wel de voorschriften bij een verleende omgevingsvergunning. In de voorliggende procedure is sprake van een situatie waarin het college niet wil afwijken van het bestemmingsplan. Dit blijkt ook uit het feit dat het college de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het tijdelijk (vijf jaar) mogen huisvesten van arbeidsmigranten op 28 september 2023 heeft afgewezen [5] .
6.4.
Het voorgaande betekent dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom sprake was van gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Er was dus sprake van een overtreding op grond waarvan het college bevoegd is om handhavend op te treden.
Valt het gebruik onder het overgangsrecht?
7. Eisers ([naam bedrijf 2]/ [persoon B] ) betogen dat voor zover sprake zou zijn van strijdigheid met het vigerend bestemmingsplan, heeft te gelden dat het huidige gebruik wel was toegestaan onder de vigeur van eerdere bestemmingsplannen en dat het destijds toegestane gebruik sindsdien is gecontinueerd.
7.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) rust de bewijslast dat bepaald gebruik wordt beschermd door het gebruiksovergangsrecht op degene die zich daarop beroept. [6] Hiertoe dient diegene te bewijzen dat het gebruik plaatsvond op de gebruikspeildatum, wat de omvang was van dat gebruik en dat dit gebruik nadien ononderbroken is voortgezet. [7] Dit betekent dat eisers ([naam bedrijf 2]/ [persoon B] ) aannemelijk moeten maken dat de gebouwen op en nabij de gebruikspeildatum reeds werden bewoond, wat de omvang is geweest van dit gebruik en dat dit gebruik in deze omvang onafgebroken is voortgezet. Eisers ([naam bedrijf 2]/ [persoon B] ) hebben hun stelling dat het gebruiksovergangsrecht van toepassing is echter niet onderbouwd. Reeds om die reden slaagt de beroepsgrond niet.
Kan eiser [persoon A] in privé als overtreder worden aangemerkt?
8. Eisers ([naam bedrijf 1]/ [persoon A] ) betogen dat de heer [persoon A] in privé niet als overtreder kan worden aangemerkt. In het verweerschrift in de bezwaarfase is door het college erkend dat [persoon A] geen overtreder is. De commissie bezwaarschriften heeft dit ook benoemd. Volgens eisers heeft het college deze fout in de beslissing op bezwaar ten onrechte niet hersteld.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat in de beslissing op bezwaar gericht aan eisers ([naam bedrijf 1]/ [persoon A] ) staat dat het college het eens is met het advies van de commissie bezwaarschriften en dat overneemt. In het advies van de commissie bezwaarschriften staat dat de last onder dwangsom onjuist is geadresseerd aan [persoon A] in privé en dat dit in de beslissing op bezwaar hersteld kan worden. Ook is geconstateerd dat gemachtigde van eisers ([naam bedrijf 1]/ [persoon A] ) in de bezwaarfase heeft aangegeven dat hij ervan uit is gegaan dat de last onder dwangsom ook aan [naam bedrijf 1] is gericht omdat [naam hotel] een handelsnaam van [naam bedrijf 1] is. De commissie bezwaarschriften heeft aangegeven dat [naam bedrijf 1] als aangeschreven partij en bezwaarmaker moet worden beschouwd. Omdat het advies van de commissie bezwaarschriften ten grondslag ligt aan de beslissing op bezwaar, die gericht is aan de gemachtigde van eisers ([naam bedrijf 1]/ [persoon A] ), oordeelt de rechtbank dat de foutieve adressering van de last onder dwangsom hiermee is hersteld. Dit betekent dat de last onder dwangsom uitsluitend tot [naam bedrijf 1] is gericht. De beroepsgrond slaagt niet.
Is [naam bedrijf 1] overtreder?
9. Eisers ([naam bedrijf 1]/ [persoon A] ) betogen dat [naam bedrijf 1] niet kan worden aangemerkt als overtreder.
9.1.
De Afdeling is in haar uitspraken van 31 mei 2023 [8] , ingegaan op de vereisten voor functioneel daderschap. Uit deze uitspraken valt af te leiden dat als overtreder kan worden aangemerkt degene in wiens machtssfeer de fysieke handelingen liggen waardoor de overtreding is begaan en die voorts die handelingen heeft aanvaard of in het algemeen placht te aanvaarden. Van dit laatste is in beginsel al sprake als de overtreder is tekortgeschoten in dat wat redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden om wederrechtelijke handelingen te voorkomen.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat [naam bedrijf 1] huurder is van de (bij)gebouwen A en C aan de [locatie] in [plaats 2] . Namens [naam bedrijf 1] heeft [persoon A] met het uitzendbureau gecommuniceerd over de langdurige verhuur van de kamers alsook het vastleggen van de daarover gemaakte afspraken. [persoon A] is bestuurder en enig aandeelhouder van [naam bedrijf 1] ; hij bekleedt de functie van algemeen directeur. Daarmee kan het handelen en/of nalaten van [persoon A] aan [naam bedrijf 1] worden toegerekend. Voor zover [naam bedrijf 1] heeft aangevoerd geen wetenschap te hebben van de strijdigheid met het bestemmingsplan wijst de rechtbank erop dat er al eerder handhavend is opgetreden ten aanzien van dit gebruik. Zie ook de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 augustus 2024. Daarom is niet gebleken van het betrachten van redelijke zorg ter voorkoming van de in het bestemmingsplan verboden gedraging terwijl dit wel in redelijkheid van [naam bedrijf 1] mocht worden verwacht. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de (verboden) gedraging in redelijkheid aan [naam bedrijf 1] kan worden toegerekend en het college [naam bedrijf 1] als overtreder heeft kunnen aanmerken.
Zijn eisers [naam bedrijf 2] en [persoon B] overtreder?
10. Eisers ([naam bedrijf 2]/ [persoon B] ) betogen dat zij niet kunnen worden aangemerkt als overtreder.
10.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 31 mei 2023 zoals deze in rechtsoverweging 7.1 zijn aangehaald. De rechtbank stelt vast dat de heer [persoon B] in persoon eigenaar is van bijgebouw A en daarmee beschikkingsmacht heeft over het gebruik van dit bijgebouw. Dit geldt ook als hij deze heeft verhuurd. [persoon B] had in de huurovereenkomst bepalingen kunnen opnemen met betrekking tot het gebruik van het pand en dat dit in overeenstemming dient te zijn met de bepalingen van het bestemmingsplan. [persoon B] had ook de huurder kunnen aanspreken op het strijdige gebruik. [9] Bij een natuurlijk persoon wordt onder het aanvaardingsvereiste mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van hem kon worden gevraagd met het oog op het voorkomen van de overtreding. Niet gebleken is dat [persoon B] een zekere mate van toezicht heeft gehouden op het gebruik van bijgebouw A, terwijl eerder in 2021 ook een last onder dwangsom is opgelegd voor dezelfde overtreding en dus sprake is van een herhaalde overtreding.
Ook bij een rechtspersoon, [naam bedrijf 2] als eigenaar van bijgebouw C, wordt onder het
aanvaardingsvereiste mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevraagd met het oog op het voorkomen van de overtreding [10] . Van deze zorg is niet gebleken. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het college eisers [naam bedrijf 2] en [persoon B] heeft kunnen aanmerken als overtreder.
Is sprake van bijzondere omstandigheden om af te zien van handhaving?
11. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Daarnaast kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
Strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel?
12. De beroepsgrond van eisers dat het college heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel slaagt niet. Eisers hebben aangegeven dat er onduidelijkheid zou zijn over de verblijfsduur van de werknemers. Uit de gedingstukken blijkt dat het college met het benoemen dat er twee tot vier maanden of langer wordt verbleven, wordt bedoeld dat er ook personen zijn die vijf tot zes maanden gebruik maken van de een kamer. Het college heeft ook aangegeven dat dit blijkt uit de nachtregistraties die zijn opgevraagd. Uit de nachtregistraties volgt dat het niet slechts gaat om een enkel geval: uit de registraties blijkt dat er meerdere personen voor een termijn van vijf tot zes maanden verblijven. Dat het college niet telkens specifiek aangeeft hoeveel maanden er wordt verbleven, maakt de besluiten niet onzorgvuldig.
Het college heeft aangegeven dat de feiten door de toezichthouders zijn vastgelegd in een inspectierapport. Hiervoor zijn zowel bewoordingen als foto’s gebruikt. Op grond van deze rapporten zijn de feiten opnieuw beoordeeld en tegen het licht van de wettelijke regelgeving gehouden. Het is de rechtbank niet gebleken dat de beoordeling niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
Strijd met het motiveringsbeginsel?
13. De beroepsgrond van eisers dat het college heeft gehandeld in strijd met het motiveringsbeginsel met betrekking tot de hoogte van de opgelegde dwangsommen slaagt niet. In de beslissingen op bezwaar heeft het college een nadere motivering gegeven over de bepaling van de hoogte van de opgelegde last onder dwangsom. Ook in de aan de beslissing op bezwaar ten grondslag gelegde adviezen van de commissie bezwaarschriften is hier op in gegaan. Eisers hebben in hun betoog niet onderbouwd waarom deze motivering niet gevolgd kan worden.
13.1.
Voor zover eisers ([naam bedrijf 2]/ [persoon B] ) betogen dat sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel omdat het college weigert om BRP-inschrijvingen over te leggen volgt de rechtbank dat niet. Het college is gelet op de privacyregelgeving niet bevoegd om deze gegevens over derden aan eisers te overleggen. Het niet overleggen van de gegevens kan dan ook niet worden aangemerkt als een schending van het motiveringsbeginsel.
Strijd met het fair play-beginsel?
14. De beroepsgrond van eisers dat het college heeft gehandeld in strijd met het fair play-beginsel omdat het college vooringenomen zou zijn, slaagt niet. Uit de stukken blijkt dat het college betreurt dat eisers de procedure als onprettig hebben ervaren. Eisers stellen dat er sprake was van ontoelaatbare dwang en dreigen, maar onderbouwen dit standpunt niet. In een eerdere procedure heeft het college handhavend opgetreden tegen identiek strijdig gebruik op dezelfde locatie. Door middel van inspecties van de toezichthouders is een herhaling van dat strijdige gebruik bevestigd. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het handelen van het college in strijd zou zijn met het fair play-beginsel.
Strijd met het vertrouwensbeginsel?
15. Eisers ([naam bedrijf 2]/ [persoon B] ) betogen dat de portefeuillehouder, wethouder P. de Pater, een toezegging zou hebben gedaan over het stopzetten van het handhavingstraject in verband met de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. Het college stelt terecht dat eisers ([naam bedrijf 2]/ [persoon B] ) met dit enkele betoog niet aannemelijk heeft gemaakt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Eisers ([naam bedrijf 2]/ [persoon B] ) hebben hun betoog op dit punt niet onderbouwd en op de zitting ook toegelicht dat niet verder te kunnen onderbouwen.
16. Gelet op het voorgaande heeft het college tot de conclusie kunnen komen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Er is sprake van strijd met artikel 2.1, lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).
2.Eisers verwijzen ter ondersteuning van hun betoog onder andere naar de uitspraken van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2206 en 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:884.
3.Zie het inspectieformulier van 12 juli 2023.
4.Zie het inspectieformulier van 12 juli 2023.
5.Dit volgt ook uit de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 augustus 2024, in de procedure ARN 22/981, ECLI:NL:RBGEL:2024:5191, niet gepubliceerd.
6.Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM6440.
7.Zie hiervoor onder meer de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV0934 .
8.Uitspraken van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067 en ECLI:NL:RVS:2023:2071.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2071.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067.