ECLI:NL:RBGEL:2025:9913

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
ARN 25/483
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.D.Z.R. Mohamed Hoesein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 ParticipatiewetArt. 4 Wet WIAArt. 3:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 7:12 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:72 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing permanente ontheffing arbeidsverplichtingen Participatiewet

Eiser, een bijstandsgerechtigde, verzocht het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede om een permanente ontheffing van de arbeidsverplichtingen uit artikel 9, eerste lid, aanhef, onder b, van de Participatiewet (Pw). Het college verleende slechts tijdelijke ontheffing voor andere verplichtingen en wees de ontheffing voor onder b af. Eiser stelde dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens de Wet WIA en dat hem daarom een permanente ontheffing toekomt.

De rechtbank oordeelde dat het door het college uitgevoerde belastbaarheidsonderzoek, bestaande uit rapporten van een psycholoog en een verzekeringsarts, niet zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was. Er ontbrak een arbeidsdeskundig onderzoek en de verzekeringsarts motiveerde onvoldoende waarom verbetering van de belastbaarheid mogelijk zou zijn. Het college baseerde zich onterecht op het criterium van sociale activering in plaats van de WIA-systematiek.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en bepaalde dat het college binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het college moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/483

uitspraak van de enkelvoudige kamer

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. K.T. Ghaffari),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, het college

(gemachtigde: mr. A. Klok).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen afwijzing van zijn aanvraag om een permanente ontheffing van de verplichting bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef , onder b, van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser gelijk krijgt en het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een permanente ontheffing van de verplichtingen bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef, onder a tot en met c van de Pw. Het college heeft met het besluit van 16 juli 2024 eiser tijdelijk ontheffing verleend van de verplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef, onder a en c, van de Pw voor de periode 1 juli 2024 tot en met 30 juni 2025. Het college heeft geen ontheffing verleend van de verplichting van artikel 9 ,eerste lid, aanhef, onder b, van de Pw. Met het bestreden besluit van 18 december 2024 op het bezwaar van eiser is het college hierbij gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover het ziet op het afwijzen van de ontheffing van de verplichting van artikel 9, eerste lid, aanhef, onder b, van de Pw. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en van de zijde van het college: [persoon A], [persoon B] en mr. A. Klok.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontvangt bijstand op grond van de Pw. Hij heeft een aanvraag ingediend voor ontheffing van de arbeidsverplichtingen. Het college heeft een belastbaarheidsonderzoek laten uitvoeren. Dit belastbaarheidsonderzoek leidde tot twee rapporten: van 13 juni 2024 van mevrouw H.H.B. Schepers, toegepast psycholoog en van 26 juni 2024 van dhr. A.F. van Diermen, verzekeringsarts. De rapporten vormen de basis van het besluit van 16 juli 2024, waarin het college bepaalt dat eiser een tijdelijke ontheffing krijgt van de verplichtingen van artikel 9 eerste Pro lid, aanhef ,onder a en c, van de Pw over de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 juni 2025. Eiser heeft bezwaar hiertegen gemaakt en is gehoord door de Commissie voor bezwaarschriften. Daarbij is de nadere toelichting van Van Diermen op beide rapporten en de bezwaargronden betrokken van 7 oktober 2024. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard en is bij het besluit gebleven.
Wat vindt eiser?
5. Eiser stelt dat hij recht heeft op een tijdelijke ontheffing van de verplichting van artikel 9, eerste lid, aanhef, onder b, van de Pw over de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 juni 2025. En eiser stelt dat hij niet alleen volledig maar ook duurzaam arbeidsongeschikt is volgens de eisen van artikel 4 Wet Pro werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en dat de verplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef, a tot en met c, van de Pw niet op hem van toepassing zijn. Hij verzoekt een permanente ontheffing van de verplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef, , onder a tot en met c, van de Pw.
5.1
Eiser geeft aan dat uit het door Ausems|Kerkvliet verrichte onderzoek volgt dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens de beoordeling van de Wet WIA. Om die reden had hem op grond van artikel 9, vijfde lid, van de Pw voor onbepaalde tijd ontheffing verleend moeten worden van alle bijstandsverplichtingen. Hij beroept zich op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 11 juli 2023 [1] , waaruit volgt dat als er meermalen adequate medische behandeling is ingezet zonder dat dit heeft geleid tot verbetering van de belastbaarheid, dit een aanwijzing vormt bij de beoordeling van de aard en omvang van de medische beperkingen. Voorts stelt eiser dat bij hem sprake is van een medisch stabiele situatie zonder behandelmogelijkheden of van een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Op grond daarvan zou hij voldoen aan de eisen van artikel 9, vijfde lid, van de Pw en recht hebben op een permanente ontheffing van de re-integratieverplichting.
5.2.
Eiser is van mening dat het (medisch) onderzoek door het college onzorgvuldig is en onvoldoende onderbouwd is. Eiser stelt voorts dat een deugdelijke en zorgvuldige onderbouwing ontbreekt van de beoordeling van de vraag of sprake is van een situatie zonder behandelmogelijkheden en de lange termijn herstelmogelijkheden.
5.3.
Eiser is van mening dat er een arbeidsdeskundig onderzoek had dienen plaats te vinden, omdat hij al elf jaar geen regulier werk heeft gehad door zijn forse beperkingen. Daarnaast stelt eiser dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat het handhaven van de verplichting tot re-integratie in de zin van artikel 9, eerste lid, aanhef, onder b, van de Pw niet evenredig is met het beoogde doel van de reintegratieverplichting, namelijk eiser begeleiden naar werk. Voorts acht eiser het bestreden besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
Wat vindt het college?
5.4.
Het college is van mening dat het gezamenlijk rapport van Aussems|Kerkvliet zorgvuldig en voldoende deugdelijk is. Het college stelt dat zowel Schepers als van Diermen hebben geconstateerd, dat er op het moment van beoordeling geen arbeidsmogelijkheden waren, maar door beiden is niet uitgesloten dat er onder voorwaarden eventueel in de toekomst nog wel participatiemogelijkheden zijn. Dit kan als eiser inzet op sociale activering, stelt het college. Het college stelt voorts dat eiser geen medische informatie heeft overgelegd die het rapport van Aussems|Kerkvliet weerlegt. En het college handhaaft het standpunt dat er geen permanente ontheffing op grond van artikel 9, vijfde lid, van de Pw mogelijk is. Dit is omdat er geen sprake is van een situatie waarin de beperkingen blijvend zijn zonder kans op herstel.
Wat vindt de rechtbank?
6. In artikel 9, eerste lid, van de Pw zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Op grond van het tweede lid kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c. Op grond van het vijfde lid zijn de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, niet van toepassing op de belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet WIA. Het gaat er dus hier om of eiser inderdaad volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, zodat de verplichtingen bedoeld in artikel 9, eerste lid van de Pw voor hem niet gelden.
6.1.
Volgens de Wet WIA is iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt als hij duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur en dit een direct en objectief medisch vast te stellen gevolg is van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling. [2] Onder duurzaam arbeidsongeschikt wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie of een medische situatie waarbij op lange termijn een kleine kans op herstel bestaat. [3] De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. [4] Duurzaam wordt in het tweede en derde lid omschreven als: een medisch stabiele of verslechterende situatie of een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Een betrokkene die een beroep doet op artikel 9, vijfde lid, van de PW moet aannemelijk maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van die bepaling. Dit betekent dat de betrokkene die wenst dat de arbeids- en re-integratieverplichtingen niet op hem van toepassing zijn ten minste een begin van bewijs moet leveren dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Of de betrokkene een begin van bewijs van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid heeft geleverd wordt beoordeeld op basis van de feiten en omstandigheden van het concrete geval. [5]
6.2.
De betrokkene dient bij zijn aanvraag om een permanente ontheffing de aard en omvang van zijn medische beperkingen voor het verrichten van arbeid en re-integratieactiviteiten en zijn herstelmogelijkheden te stellen en te onderbouwen. Hij kan dit doen door hierover beschikbare medische gegevens te verschaffen en daarbij de nodige duidelijkheid en volledige openheid van zaken te geven. [6] Bij de beantwoording van de vraag of de betrokkene een begin van bewijs heeft geleverd, mag de bijstandsverlenende instantie zich baseren op het advies van een deskundige. De bijstandsverlenende instantie moet zich er ook van vergewissen dat het advies op een zorgvuldige manier tot stand is gekomen, geen onjuistheden bevat en deugdelijk is gemotiveerd. [7]
6.3.
De rechtbank zal eerst ingaan op de beroepsgrond van eiser dat er geen sprake is van een zorgvuldig en deugdelijk onderzoek, omdat het gezamenlijk rapport van Aussems|Kerkvliet de basis vormt van de beoordeling van de mate en de duurzaamheid van eisers arbeidsongeschiktheid.
Is er sprake van een zorgvuldig verricht en deugdelijk gemotiveerd onderzoek?
6.4.
Met betrekking tot de zorgvuldigheid van het verrichte onderzoek oordeelt de rechtbank dat dit onderzoek niet zorgvuldig verricht is en niet deugdelijk gemotiveerd is. De rechtbank licht dit als volgt toe.
6.5.
Het psychologisch onderzoek vond plaats door spreekuurcontact en door het afnemen van een Klachtenlijst 4-DKL. Het medisch advies van de verzekeringsarts is gebaseerd op een anamnese, kennisneming van door eiser meegebrachte medische informatie van behandelaars. Er zijn bij eiser lichamelijke klachten en beperkingen geconstateerd, omdat eiser geen benutbare mogelijkheden heeft en op dit moment volledig arbeidsongeschikt is. Er is geen functionele mogelijkhedenlijst opgesteld en er is geen arbeidsdeskundig onderzoek verricht. In het medisch onderzoek wordt rekening gehouden met de informatie uit het rapport van de psycholoog. Daarnaast is aanvullende informatie door de verzekeringsarts verstrekt over de rapportage middels het invullen van een door het college opgestelde vragenlijst van 7 oktober 2024.
6.6.
De rechtbank betrekt het volgende bij haar overwegingen. Het is vaste rechtspraak dat de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van Pro de Wet WIA en een inschatting moet maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna, dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. [8] Als die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
6.7.
De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarts dat de volledige arbeidsongeschiktheid van eiser op de datum in geding niet duurzaam was. De verzekeringsarts heeft in het rapport van 26 juni 2024, en in de beantwoording van de vragenlijst van 7 oktober 2024 onvoldoende gemotiveerd dat een duidelijke verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht als een adequate behandeling in de een of andere vorm wordt ingezet. De verzekeringsarts heeft de verwachting dat een verbetering van de belastbaarheid van eiser mogelijk is, niet gebaseerd op informatie van behandelend artsen over mogelijke behandelingen en de te verwachten effecten daarvan. Evenmin heeft de verzekeringsarts toegelicht welke (medische) behandeling kan worden gevolgd en op welke punten die behandeling tot verbetering kan leiden. De conclusie dat het de verwachting is dat verbetering nog mogelijk is, is niet gebaseerd op objectieve medische gegevens en is onvoldoende om het standpunt dat er geen sprake is van duurzaamheid van de beperkingen op te baseren. De rechtbank constateert namelijk dat de verwachting dat een verbetering van de belastbaarheid van eiser mogelijk is, enkel is gebaseerd op een vermeende verklaring die eiser zou hebben gedaan, namelijk dat hij graag zou verhuizen en dat dit mogelijk een positief effect zou kunnen hebben op zijn gezondheid. Dit wordt niet ondersteund door informatie van behandelaars of andere objectieve medische gegevens. Eiser stelt dat alhoewel hij wel zou willen verhuizen, hij weerspreekt dat een eventuele verhuizing zal leiden tot een spontaan herstel of verbetering van zijn gezondheid.
6.8.
Het standpunt van het college dat er bij de beoordeling van de belastbaarheid en bij het geven van een prognose in de situatie zoals aan de orde, geen noodzaak is om te kijken naar de belastbaarheid volgens de wet WIA maar naar een belastbaarheid voor het verrichten van sociale activiteiten kan de rechtbank niet volgen. Het standpunt dat het criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een ontheffing op grond van artikel 9, vijfde lid, van de Pw (lees: dat deze verplichtingen voor eiser niet gelden) is dat er geen participatiemogelijkheden in de vorm van sociale activering meer mogelijk zijn, is een onjuist standpunt. Bij de beoordeling van de vraag of eiser volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te achten is, wordt aangesloten bij de systematiek van de wet WIA waardoor het criterium niet gelijk is aan het criterium van artikel 9 eerste Pro lid, aanhef, onder a tot en met c, van de Pw.
6.9.
De rechtbank concludeert dan ook dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op een zorgvuldig onderzoek.

Conclusie en gevolgen

7. Uit r.o. 6.4. tot en met 6.9. volgt dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet zorgvuldig is voorbereid en in strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat een verzekeringsarts nogmaals naar eisers klachten en beperkingen zal moeten kijken en zal moeten beoordelen of en zo ja op welke gronden eiser voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 9, vijfde lid, van de Pw.
7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van acht weken. De rechtbank merkt op dat deze termijn op grond van artikel 8:106, eerste lid, van de Awb pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt hij ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen, daar staan twee punten voor. In beroep heeft elk punt een waarde van € 907. De proceskostenvergoeding bedraagt € 1.814. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 18 december 2024;
  • draagt het college op binnen acht weken nadat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen een nieuw besluit op bezwaar te nemen tegen het besluit van 16 juli 2024 met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt het college in de kosten van eiser tot een bedrag van € 1.814;
  • bepaalt dat het college aan eiser het in beroep betaalde griffierecht van € 53 voor beroep vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoesein, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Een uitspraak van de CRvB van 11 juli 2023, ECLI:NL:CRVB: 2023:1380.
2.Zie artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA.
3.Zie artikel 4, tweede en derde lid van de Wet WIA.
4.Zie artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 juni 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:920.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 11 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1380 en 24 juni 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:920.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2307.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896,