ECLI:NL:RBGEL:2025:8554
Rechtbank Gelderland
- Op tegenspraak
- C.H. Kan
- Rechtspraak.nl
Ontbinding en ontruiming wegens onrechtmatig gebruik bedrijfsruimte als woonruimte
Partijen sloten in 2007 een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte, waarbij het gehuurde uitsluitend mocht worden gebruikt als winkel, kantoor, atelier of galerie. De verhuurder zegde de overeenkomst in 2024 op met ingang van 28 februari 2025. De huurder gebruikte het pand echter als woonruimte, wat in strijd is met de contractuele bestemming en zonder schriftelijke toestemming van de verhuurder.
De huurder betwistte dat sprake was van bedrijfsruimte en stelde dat het pand een woonruimte betreft, mede vanwege de ligging in een woonwijk, het bestemmingsplan en haar inschrijving op het adres. De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst dwingend bewijs levert dat partijen een bedrijfsruimteovereenkomst sloten en dat de huurder onvoldoende tegenbewijs leverde dat zij bij het sluiten van de overeenkomst woonruimte beoogde.
De rechtbank stelde vast dat het gebruik als woonruimte een tekortkoming in de nakoming vormt, waardoor de ontbinding en ontruiming toewijsbaar zijn. De vordering tot betaling van een boete wegens het gebruik als woonruimte werd afgewezen vanwege onvoldoende stelplicht. De huurder werd veroordeeld het gehuurde binnen zeven dagen te ontruimen en in de proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: De huurovereenkomst voor bedrijfsruimte is ontbonden en de huurder is veroordeeld tot ontruiming binnen zeven dagen.