ECLI:NL:HR:2004:AR4783
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- J.C. van Oven
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Huurrechtelijke procedure over kwalificatie bedrijfsruimte en ontbinding huurovereenkomst
In deze zaak staat centraal of een huurovereenkomst moet worden aangemerkt als huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 1624 oud Pro BW (thans 7:290 BW) dan wel als huur van bedrijfsruimte in de zin van de Huurwet. De Vof huurde een ruimte als showroom zonder detailhandel, maar in de praktijk vond verkoop van grindvloeren plaats. De huurovereenkomst vermeldde uitdrukkelijk dat het om bedrijfsruimte in de zin van de Huurwet ging.
De Vof werd ontbonden en de huur werd betwist. Verzoekster stelde de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden wegens tekortkomingen en vorderde ontruiming en betaling van achterstallige huur. De kantonrechter wees de vorderingen toe, maar het hof vernietigde deze beslissing en verklaarde de Vof niet-ontvankelijk in haar verzoek op grond van bedrijfsruimte in de zin van art. 1624 BW Pro, waardoor opzegging nietig was.
De Hoge Raad bevestigt dat de Vof partij is bij de huurovereenkomst en dat het hof terecht oordeelde dat het gehuurde bedrijfsruimte is in de zin van art. 1624 BW Pro. Dit oordeel is gebaseerd op de feitelijke situatie dat er verkoop aan het publiek plaatsvond in een winkelcentrum, ondanks de omschrijving in de huurovereenkomst. Het cassatieberoep wordt verworpen en verzoekster wordt veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof oordeelt terecht dat het gehuurde bedrijfsruimte is in de zin van art. 1624 BW, waardoor opzegging nietig is.