Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €34.405, opgelegd omdat de auto op verschillende momenten op de Nederlandse weg is gezien voordat deze werd geregistreerd. De rechtbank oordeelt dat het belastbare feit – het gebruik van de weg – zich heeft voorgedaan toen de auto nog nieuw was en dat de naheffing terecht is.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur heeft bewezen dat er duurzaam gebruik van de weg was, ondanks het ontbreken van een waarschuwing vooraf. Het feit dat de auto op een Duits kenteken stond en op de Nederlandse weg werd gezien, bevestigt dit. De tenaamstelling van de naheffingsaanslag op belanghebbende is correct omdat de auto met een handelaarskenteken van belanghebbende werd gezien.
Belanghebbende verzocht om prejudiciële vragen over Unierecht, maar de rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van het Hof van Justitie die deze vragen reeds hebben beantwoord. Verder is het verzoek om een hogere vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen; de forfaitaire vergoeding van €500 per halfjaar wordt toegekend, totaal €1.500.
De rechtbank wijst een proceskostenvergoeding toe conform het Besluit proceskosten bestuursrecht van €453,50 en veroordeelt inspecteur en Staat tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft in stand.