Belanghebbende, een kringloopwinkel, maakte bezwaar tegen de door haar ingediende aangifte omzetbelasting over juli 2022 en verzocht om teruggaaf van omzetbelasting. De inspecteur wees het bezwaar en verzoek af, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank Gelderland.
De kern van het geschil betrof de toepassing van de margeregeling omzetbelasting. Belanghebbende stelde dat op grond van haar algemene voorwaarden sprake was van een koopovereenkomst met de inbrengers van gebruikte goederen, waarbij een inkoopprijs werd betaald. Hierdoor zou zij de margeregeling kunnen toepassen en de omzetbelasting berekenen over de winstmarge. De inspecteur stelde dat geen sprake was van een daadwerkelijke inkoopprijs, maar van een schenking, waardoor de margeregeling niet van toepassing was.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij daadwerkelijk een vergoeding aan de inbrengers betaalde en dat de inbrengers vrij waren om deze vergoeding te houden. De algemene voorwaarden en praktijk wezen juist op een schenking zonder vrije keuze. Ook kon belanghebbende geen vertrouwen ontlenen aan de Notitie diverse BTW-tariefonderwerpen omdat deze niet op haar situatie van toepassing was.
Daarnaast kende de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn door de Belastingdienst. De rechtbank wees het beroep ongegrond, handhaafde de aanslag en veroordeelde de inspecteur en de Staat tot betaling van een schadevergoeding en proceskosten.