ECLI:NL:RBGEL:2025:7273
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonheffing op betalingen in 2016 en 2017 wegens aandelenrechten
Belanghebbende ontving in 2016 en 2017 aanzienlijke bedragen die de inspecteur als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking aanmerkte. Belanghebbende stelde dat deze betalingen verband hielden met aandelenrechten toegekend in 2002 en 2010 tijdens zijn dienstbetrekking in het Verenigd Koninkrijk, waardoor het heffingsmoment eerder zou liggen. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een afdwingbaar recht op aandelen of optierechten had vóór de betalingen.
De rechtbank stelt vast dat de afspraken over aandelenrechten onduidelijk waren, er geen uitgegeven B-shares bestonden voor 2016, en dat de betalingen in 2016 en 2017 daarom terecht als loon zijn aangemerkt in die jaren. Tevens is geoordeeld dat de 30%-regeling niet van toepassing is omdat de werkgever de betalingen niet als gerichte vrijstelling heeft aangewezen.
De navorderingsaanslag over 2016 is echter te hoog vastgesteld omdat het bedrag van €1.868.988 ten onrechte ook in 2016 als loon is meegerekend. De rechtbank vernietigt daarom de navorderingsaanslag 2016 en vermindert het belastbaar inkomen. Verder kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt de inspecteur en de Staat tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Navorderingsaanslag 2016 wordt vernietigd en aanslag 2017 gehandhaafd; immateriële schadevergoeding en proceskosten worden toegekend.