Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de omgevingsvergunning die aan een derde-partij is verleend voor het wijzigen van de toegestane bouwhoogte van een woning, het plaatsen van keerwanden en grondwerkzaamheden op een perceel in een woongebied met dubbelbestemming ‘Waarde – Natuur en landschap’. Eisers betwisten de vergunning en de wijze waarop het college bezwaar heeft behandeld.
De rechtbank stelt vast dat eiser 2 ten onrechte niet als belanghebbende is aangemerkt door het college, gelet op zijn zicht op de woning en de afstand tot het perceel. Daarom vernietigt de rechtbank de beslissing op bezwaar van eiser 2 en voorziet zelf in de zaak door het bezwaar ongegrond te verklaren. Tevens kent de rechtbank een dwangsom toe wegens niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift.
De rechtbank beoordeelt verder dat het college terecht heeft afgeweken van de beleidsregels op grond van bijzondere omstandigheden, zoals het geaccidenteerde terrein en de bosrijke omgeving, en dat de overschrijding van de bouwhoogte niet leidt tot onevenredige gevolgen. Ook is de vergunning voor de aanlegactiviteiten in overeenstemming met het bestemmingsplan en het advies van de landschapsarchitect. De overige beroepsgronden worden ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning blijft in stand.
De procedure met zaaknummer 24/1966 wordt doorgehaald omdat deze ten onrechte is aangemaakt en het betaalde griffierecht wordt aan eiser 2 terugbetaald. Het college wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom en vergoeding van griffierechten aan eiser 2.