Uitspraak
Inbev Nederland N.V.
Rechtbank Gelderland
In deze zaak tussen Inbev Nederland N.V. en de huurder staat centraal of de huurder recht heeft op huurkorting vanwege de gedwongen sluiting van de horeca tijdens de coronaperiode. De huurder had minder huur betaald met het argument dat een korting toegepast had moeten worden. Inbev stelde dat de huurder niet aan zijn stelplicht en bewijslast had voldaan en dat de huurkorting lager zou zijn dan door de huurder gesteld.
De kantonrechter sluit zich aan bij het tussenvonnis waarin werd overwogen dat de huurder geen recht had op de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) maar wel recht had op een huurkorting van 50% voor de eerste twee sluitingen. Beide partijen hebben de gelegenheid gehad om op elkaar te reageren en hun standpunten toe te lichten.
De rechtbank stelt vast dat de huurder recht heeft op een huurkorting van € 6.529,56 exclusief btw, wat inclusief btw neerkomt op € 7.900,77. Na verrekening van deze korting en reeds gedane betalingen resteert een huurachterstand van € 5.221,89 die de huurder aan Inbev moet voldoen. De ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming worden afgewezen vanwege de geringe omvang van de achterstand en de omstandigheden van het geschil.
Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten van € 769,67 toegewezen en de huurder veroordeeld in de proceskosten. Een reconventionele vordering van de huurder kan niet worden beoordeeld omdat deze niet tijdig is ingesteld. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Ontbinding en ontruiming afgewezen; huurder veroordeeld tot betaling van € 5.221,89 plus incassokosten.