Belanghebbende, een rechtspersoon die eind 2021 is ontbonden, werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag dividendbelasting van €1.725.000 en een verzuimboete van €5.514 opgelegd door de inspecteur. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanslag en boete, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat het beroep ontvankelijk is, ondanks de ontbinding van belanghebbende, omdat herleving voor vereffening mogelijk is en de vaststellingsovereenkomst (VSO) niet ziet op dividendbelasting.
De rechtbank stelde vast dat het belastbare feit zich heeft voorgedaan door de dividenduitkering van €11.500.000 aan de aandeelhouder. De waardering van het dividend was volgens de rechtbank correct vastgesteld op het moment van uitkering. Het beroep op dwaling bij de VSO faalt omdat dwaling geen terugwerkende kracht heeft en het dividend feitelijk is uitgekeerd. Tevens kan de rechtbank niet oordelen over het lucratief belang omdat hierover bindende afspraken zijn gemaakt in de VSO.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor zover het de boete betreft, omdat de inspecteur de boete wilde vernietigen. De naheffingsaanslag werd gehandhaafd. Belanghebbende kreeg recht op vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak bevat tevens informatie over de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.