Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De procedure
- de akte van ZSM
- de antwoordakte van Taxiverzekeringen.
2.De beslissing in het kort
3.De beoordeling in de tussenvonnissen van 14 mei 2025 en 27 augustus 2025
4 maart 2019) een EVR-registratie was op naam van (a.) [naam 1] en/of (b.) [naam 2] . Hierover diende ZSM alsnog de informatie, toelichting en onderbouwing te verstrekken die de rechtbank in het tussenvonnis van 14 mei 2025 heeft verlangd. [3]
4.De verdere beoordeling
- In een e-mail van 6 mei 2025 schrijft Achmea, waarvan Avéro onderdeel is: “De datum van plaatsing EVR (op naam van 1 van de vennoten), datum incident dat tot de EVR heeft geleid, het feit dat de EVR nog liep t.t.v. de polis aanvraag en natuurlijk de inhoudelijke reden van de EVR was in 2019 aanleiding voor ons om de aanvraag/polis niet te accepteren.”
- In een e-mail van 7 mei 2025 schrijft Achmea dat zij de EVR niet heeft geplaatst en de inhoudelijke reden van de EVR niet mag delen. Dit zal via de plaatsende maatschappij moeten gebeuren. De inhoud van de registratie is echter ernstig genoeg om de polis te weigeren. In deze e-mail verstrekt Achmea onder meer het e-mailadres dat zij destijds ontving van de maatschappij die de EVR heeft geplaatst.
- In een e-mail van Nationale Nederlanden van 21 mei 2025, die is verzonden naar aanleiding van een e-mail van de advocaat van Taxiverzekeringen van 8 mei 2025 en een telefoongesprek met deze advocaat, staat dat “betrokkene over o.a. de EVR schriftelijk [is] geïnformeerd op 13 oktober 2015. Deze brief is op 11-04-2019 nogmaals per e-mail toegestuurd, op verzoek van betrokkene zelf. Over de inhoud van de EVR kan en mag ik echter geen informatie met u delen.”