ECLI:NL:RBGEL:2025:11342

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
142152-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 47 SrArt. 56 SrArt. 63 SrArt. 282 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, poging zware mishandeling en diefstal met geweld

Op 15 maart 2019 werd het slachtoffer onder valse voorwendselen naar een loods gelokt, waar hij werd vastgebonden, met pepperspray bespoten en ernstig mishandeld door verdachte en mededaders. Tevens werden persoonlijke eigendommen van het slachtoffer gestolen onder bedreiging met geweld.

Verdachte maakte met anderen nauw en bewust deel uit van deze handelingen, wat medeplegen oplevert. Uit videobeelden, telefoongegevens en forensisch onderzoek blijkt dat verdachte aanwezig was en actief deelnam aan de mishandeling. De mishandeling werd met voorbedachte raad gepleegd, waarbij sprake was van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel.

De verdediging voerde bewijsuitsluiting aan wegens vormverzuimen bij het onderzoek aan de telefoon van verdachte en het opvragen van historische verkeersgegevens, maar de rechtbank oordeelde dat deze vormverzuimen niet tot bewijsuitsluiting of strafvermindering leiden. Gelet op de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 17 maanden op, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 17 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/142152-24
Datum uitspraak : 9 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] in ( [postcode] ) [woonplaats] .
Raadsman: mr. A.W. Syrier, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op 15 maart 2019 te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk en wederrechtelijk naar een loods/bedrijfshal (aan de [adres 2] ) te lokken/te laten brengen en/of (vervolgens) op een stoel te zetten en (met tape) vast te binden;
2.
hij op 15 maart 2019 te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met voorbedachten rade, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] (terwijl hij vastgebonden met tape om zijn enkels en bovenlichaam en zijn armen op zijn rug, op een stoel zat) meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt en/of geslagen/gestompt en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een (hard) voorwerp op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op 15 maart 2019 te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met voorbedachten rade, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (terwijl hij vastgebonden met tape om zijn enkels en bovenlichaam en zijn armen op zijn rug, op een stoel zat) meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen en/of te slaan/stompen en/of meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] met een (hard) voorwerp op/tegen het hoofd te slaan;
3.
hij op 15 maart 2019 te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (onder meer) identiteitspapieren (rijbewijs en/of een paspoort) en/of een of meer (bank)pas(sen) en/of sleutels, toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer] heeft/hebben vastgebonden en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geschopt en/of geslagen/gestompt en/of met een (hard) voorwerp tegen het hoofd geslagen en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer] heeft/hebben toegevoegd de woorden: “We gaan je dood slaan”, althans woorden van dergelijke aard of strekking.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijsuitsluitingsverweer

Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting van 3 oktober 2025 vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten en heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.
Er is sprake van meerdere onherstelbare vormverzuimen in het vooronderzoek, waartoe wordt gewezen op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Landeck en de arresten van de Hoge Raad van 18 maart 2025 en 9 september 2025. Het beschikbare bewijs is hoofdzakelijk verkregen uit het onderzoek in de iPhone 8 die in beslag is genomen onder verdachte en de verkregen historische verkeersgegevens. De verbalisant heeft zonder machtiging van de rechter-commissaris – zelfs zonder toestemming van de officier van justitie – onderzoek verricht aan deze telefoon. Verder zijn de historische verkeersgegevens gevorderd en verkregen over een wel erg ruime periode, eveneens zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris. Deze machtiging was, zo blijkt uit het Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2022, wel benodigd. De vormverzuimen zijn – als optelsom – zodanig ernstig dat bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is en vrijspraak dient te volgen.
Het standpunt van de officier van justitie
Gelet op de Landeck-jurisprudentie, had het meer dan beperkte onderzoek aan de telefoon van verdachte niet zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris mogen plaatsvinden. De politie en het openbaar ministerie kan echter niet verweten worden dat ze in 2019 niet wisten dat een voorafgaande machtiging nodig was. Verder zou, als om een machtiging was gevraagd, deze zonder meer zijn gegeven, gelet op de ernst van de strafbare feiten die onderzocht werden en het feit dat sprake was van meerdere daders. Inmiddels heeft het openbaar ministerie maatregelen genomen om conform ‘Landeck’ te handelen. Het is, gelet hierop, passend om te volstaan met de enkele constatering dat sprake is van een vormverzuim. Ten aanzien van het opvragen van de historische verkeersgegevens is geen sprake van een vormverzuim, omdat in 2019 kon worden volstaan met een bevel van de officier van justitie. Dat bevel is gegeven. Mocht de rechtbank hierover anders oordelen, dan kan worden volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim.
De beoordeling door de rechtbank
Vormverzuimen
De rechtbank dient te beoordelen of er sprake is van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, doordat zonder machtiging van de rechter-commissaris de gegevens in de telefoon van verdachte zijn onderzocht en doordat zonder een dergelijke machtiging de historische verkeersgegevens van die telefoon zijn gevorderd en verkregen. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.
Het onderzoek naar de inhoud van de Apple iPhone 8 van verdachte
Naar aanleiding van het arrest in de zaak CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck (HvJ EU
4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830, hierna: Landeck), heeft de Hoge Raad het juridisch kader voor onderzoek aan elektronische gegevensdragers in zijn arresten van 18 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:409) en 9 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1247) als volgt nader bepaald.
De bevoegdheden van opsporingsambtenaren neergelegd in artikel 94, in samenhang met de artikelen 95 en 96, en in de artikelen 141 en 148 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), bieden een toereikende grondslag voor een onderzoek aan voorwerpen, waaronder ook elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, als de met dat onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd. De wet vereist in zo’n geval geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Het kan dan – naast onderzoek dat slechts strekt tot het identificeren van de gebruiker – onder meer gaan om onderzoek dat een opsporingsambtenaar in het kader van zijn taakuitoefening (handmatig) doet waarbij hij een bij een verdachte aangetroffen elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk bekijkt en daarbij enkele beperkte waarnemingen doet over het feitelijk gebruik daarvan op dat moment of direct daaraan voorafgaand, bijvoorbeeld door na te gaan welke contacten de gebruiker van een telefoon kort tevoren heeft gelegd.
Van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is geen sprake als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan de smartphone (of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie en gevoelige gegevens). Als politie en justitie in zo’n geval onderzoek willen verrichten aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, dan is voor dat onderzoek – behalve in spoedeisende
gevallen – een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist.
De rechtbank stelt vast dat de Apple iPhone 8 van verdachte op 2 april 2019 in onderzoek Bonn in beslag is genomen. Verbalisant [verbalisant 1] heeft op 15 augustus 2019 onderzoek gedaan naar de gegevens van die uitgelezen telefoon, die hem door het onderzoeksteam Bonn ter beschikking werd gesteld in de vorm van een ‘report’. De verbalisant heeft in het proces-verbaal gerelateerd dat hij heeft gezocht naar gegevens die in het toestel gedateerd zijn op 15 maart 2019, de datum waarop de mishandeling van [slachtoffer] heeft plaatsgevonden. De verbalisant heeft daarbij een foto aangetroffen van de mogelijke mishandeling, met naam IMG_6836.jpg. Verder heeft hij in het ‘report’ van de mobiele telefoon gezocht naar de term ‘ [adres 2] ’, waarna hij in de rubriek ‘notes’ een notitie aantrof, die op 13 maart 2019 is gemaakt, inhoudend “ [adres 2] [plaats] ”. Dit betreft het adres waar de mishandeling op 15 maart 2019 plaatsvond. [1]
De rechtbank is van oordeel dat bij het digitale onderzoek naar de inhoud van de gegevensdrager op voorhand voorzienbaar was dat dit onderzoek een omvang en diepgang zou hebben die een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte tot gevolg zou hebben. Immers zijn alle gegevens geanalyseerd die in het toestel zijn opgeslagen op 15 maart 2019, waarbij onder meer toegang is verkregen tot communicatie, foto’s en video’s. Voor dat onderzoek was daarom – behoudens spoedeisendheid, waarvan niet is gebleken – een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris vereist. Een dergelijke machtiging is niet gevraagd.
De verkregen historische verkeersgegevens
Het juridische kader dat op de gevorderde en verkregen historische verkeersgegevens van de telefoon betrekking heeft, heeft de Hoge Raad uiteengezet in zijn arrest van 5 april 2022 (ECLI:NL:HR:2022:475), in het bijzonder in de rechtsoverwegingen 6.13.1 tot en met 6.13.5. Bij arrest van 18 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:408) heeft de Hoge Raad aangegeven dat het in het arrest van 2022 gedane verzoek om een prejudiciële beslissing wordt ingetrokken en dat het beslissingskader, zoals geformuleerd in het arrest van 5 april 2022, ongewijzigd blijft. Uit dat kader volgt dat een vordering van verkeers- en locatiegegevens, die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, een voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris behoeft. In het bijzonder is bepaald dat bij het geven van toepassing aan bevoegdheden genoemd in artikel 126n Sv (een vordering aan een aanbieder van een communicatiedienst tot verstrekking van verkeersgegevens) een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris moet worden gevorderd.
De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat de historische verkeersgegevens als bedoeld in artikel 126n Sv zijn opgevraagd van het telefoonnummer [telefoonnummer] dat volgens de politie in gebruik was bij verdachte. Dit betreft immers het telefoonnummer dat is gekoppeld aan de simkaart die zich bevond in de iPhone 8 dat in onderzoek Bonn bij verdachte in beslag is genomen. De verkeersgegevens zijn gevorderd over de periode van
20 februari 2019 tot en met 20 augustus 2019. [2] Voorafgaand aan deze vordering is niet een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris gevorderd.
Conclusie
De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat sprake is van twee onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv.
Waar het gaat om de verkregen historische verkeersgegevens, merkt de rechtbank in dit verband nog op het volgende op. Het is juist, zoals de officier van justitie heeft gesteld, dat in 2019 nog niet duidelijk was dat een machtiging van de rechter-commissaris nodig was en dat, bij de toenmalige stand van zaken, kon worden volstaan (althans zo leek het) met het door de officier van justitie gegeven bevel. In die zin kan de politie en het openbaar ministerie inderdaad niet het verwijt worden gemaakt, dat er welbewust is gehandeld zoal is gedaan. Dat geldt overigens ook voor de ontbrekende machtiging van de rechter-commissaris voor het onderzoek in 2019, voorafgaand aan de thans geldende jurisprudentie, naar de inhoud van de telefoon van verdachte. Dat laat echter onverlet dat sprake is van vormverzuimen.
Rechtsgevolgen
De vraag is of aan deze vormverzuimen een rechtsgevolg moet worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel.
Het belang van het geschonden voorschrift
De vereiste machtigingen beogen een ongeoorloofde inbreuk te voorkomen op het in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) gewaarborgde recht op eerbiediging van (onder andere) iemands privéleven en communicatie en op bescherming van iemands persoonsgegevens. Dit zijn zwaarwegende belangen. De toegang tot gegevens in een mobiele telefoon kan immers, zeker als die gegevens in onderling verband met elkaar worden gebracht, leiden tot nauwkeurige conclusies over het privéleven van de gebruiker. Dat geldt tevens voor de vordering van historische verkeersgegevens, waarbij immers via de contacten die de gebruiker van het telefoonnummer in kwestie heeft en de locaties waar hij zich bevindt conclusies kunnen worden getrokken over zijn privéleven.
De ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel waar het gaat om het onderzoek naar de inhoud van de telefoon
De politie heeft in dit geval zonder enige voorafgaande machtiging onderzoek aan de telefoon van verdachte verricht. Daar staat echter tegenover dat geen ongeclausuleerde toegang is verkregen tot de telefoon van de verdachte. Er is sprake geweest van een onderzoek van beperkte omvang, waarbij slechts naar gegevens is gekeken die zijn gedateerd op 15 maart 2019, de datum van de mishandeling, en naar de gegevens die waren te relateren aan de plaats van de mishandeling. Daarmee is de ernst van het verzuim en de daarmee gepaard gaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer – het nadeel – van verdachte beperkt gebleven.
Bewijsuitsluiting kan aan de orde zijn als het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (het recht op een eerlijk proces) – en het daarmee overeenkomende artikel 47 lid 2 van Pro het Handvest – te voorkomen. Een dergelijke situatie doet zich in deze zaak niet voor, nu het niet zo is dat door het vormverzuim in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt. Verder kan bewijsuitsluiting aan de orde zijn als sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, waarbij toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Ook een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. De politie en het openbaar ministerie hanteren inmiddels een werkwijze die in overeenstemming is met de thans geldende jurisprudentie. Verder is van belang dat het een onderzoek naar een ernstig strafbaar feit betrof waarbij sprake was van een inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Gelet op de ernst en de aard van de verdenking had de rechter-commissaris, indien daartoe een vordering was gedaan, zonder meer een machtiging tot het onderzoek in het ‘report’ van de telefoon kunnen verlenen.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de resultaten van het onderzoek naar de inhoud van de telefoon van verdachte uit te sluiten van het bewijs.
Voor strafvermindering bestaat naar het oordeel van de rechtbank evenmin aanleiding. Dat rechtsgevolg komt slechts in aanmerking indien de verdachte door een vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en wanneer strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. De verdediging heeft in algemene termen het nadeel onderbouwd dat door het vormverzuim is veroorzaakt. Onvoldoende concreet is gemaakt welke privégegevens tijdens het onderzoek in de telefoon zijn aangetroffen die tot een schending van de persoonlijke levenssfeer hebben geleid. Daarnaast geldt ook in dit verband dat verdachte niet in een nadeligere positie is geraakt door het vormverzuim. Zoals hiervóór is overwogen, had de rechter-commissaris de toestemming tot het uitgevoerde onderzoek kunnen geven.
De rechtbank concludeert dat kan worden volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim en zal daaraan geen rechtsgevolg verbinden.
De ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel waar het gaat om de verkregen historische verkeersgegevens
De Hoge Raad heeft in overweging 6.12.4 van zijn arrest van 5 april 2022 (ECLI:NL:HR:2022:475
)overwogen dat de omstandigheid dat de officier van justitie een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens), zonder dat tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, als zodanig geen grond oplevert voor bewijsuitsluiting. Reeds hierom is bewijsuitsluiting niet aan de orde.
De vraag is dan nog of strafvermindering moet plaatsvinden. De rechtbank verwijst naar wat zij hiervóór heeft overwogen over de omstandigheden waarin dat rechtsgevolg in aanmerking kan komen. Daarnaast merkt de rechtbank meer in het bijzonder op dat als de officier van justitie een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, en door het doen van die vordering bewijs is verkregen ten laste van de verdachte, aanleiding kan bestaan voor strafvermindering. De vraag of, en de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is geschonden, is daarbij mede bepalend voor de ernst van het verzuim en het door het verzuim daadwerkelijk geleden nadeel. Voor de toepassing van strafvermindering moet het gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. De rechtbank stelt in dit verband het volgende vast.
Blijkens het proces-verbaal dat over de verkregen historische verkeersgegevens is opgemaakt, heeft het onderzoek zich feitelijk beperkt tot de periode van 20 februari 2019 tot en met 3 april 2019 (de datum waarop het telefoonnummer voor de laatste maal een zendmast heeft aangestraald) [3] . Dat is een korte periode van ruim een maand. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de verkregen informatie een min of meer volledig beeld heeft gegeven van de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Bij die stand van zaken had van de verdediging mogen worden verwacht te concretiseren waaruit de schade voor de persoonlijke levenssfeer van verdachte precies heeft bestaan. Er is echter enkel gewezen op de duur van de periode waarover de historische verkeersgegevens zijn opgevraagd en gesteld dat sprake is van een niet onaanzienlijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Dat volstaat niet. Daarnaast geldt ook in dit verband dat verdachte niet in een nadeligere positie is geraakt door het vormverzuim. Er moet immers van worden uitgegaan dat de rechter-commissaris de machtiging voor de vordering had kunnen geven, wanneer die verzocht was.
De rechtbank concludeert dat kan worden volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim en zal daaraan geen rechtsgevolg verbinden.
3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [4]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte (verder te noemen: [verdachte] ) zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1), het medeplegen van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met voorbedachten rade (feit 2, primair) en het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld (feit 3).
Het standpunt van de verdediging
Mocht de rechtbank niet overgaan tot bewijsuitsluiting, dan dient vrijspraak te volgen om onder meer de volgende redenen.
Uit de aanwezigheid op de telefoon van [verdachte] van de filmopname, waarop [slachtoffer] door verbalisanten is herkend, zonder dat blijkt hoe deze opname op de telefoon terecht is gekomen, de aanwezigheid van zijn telefoon in de omgeving van de plaats delict ten tijde van het feit, de notitie in zijn telefoon van en het feit dat er met zijn telefoon contact is gezocht met de telefoon die later werd achtergelaten bij het slachtoffer, kan volgen dat [verdachte] in de buurt was ten tijde van het feit en in ieder geval achteraf wetenschap heeft gehad van wat is voorgevallen. Uit deze bevindingen volgt echter niet dat van medeplegen kan worden gesproken.
Voor zover uit de (bruikbare) bewijsmiddelen wel een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en anderen mocht volgen, dan geldt dat er onvoldoende bewijs voorhanden is voor het bestanddeel voorbedachte raad (feit 2). Uit de bewijsmiddelen volgt niet op welk moment het voornemen is ontstaan om geweld tegen [slachtoffer] te gebruiken en of er, na het ontstaan van het voornemen daartoe en voorafgaand aan de uitvoering ervan, gelegenheid is geweest om na te denken over de betekenis en gevolgen van het voornemen om [slachtoffer] te mishandelen.
Op een nadere terechtzitting van 23 oktober 2025 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de vraag hoe de filmopname van [slachtoffer] op de Apple iPhone 8 terecht is gekomen, gelet op de gegeven toelichting in het (hierna te bespreken) aanvullende proces-verbaal d.d. 14 oktober 2025. Verder heeft de raadsman, kort gezegd, nog het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de filmopname met kenmerk IMG_0070.MP4 staat niet vast dat de persoon achter het stuur [verdachte] betreft. Een proces-verbaal waarin ten aanzien van de persoon achter het stuur een herkenning (van [verdachte] ) heeft plaatsgevonden ontbreekt. Ook ontbreekt een proces-verbaal waarin is vastgesteld dat het niet anders kan dan dat [verdachte] de gebruiker was van de op 2 april 2019 in beslag genomen Apple iPhone 8. Daarmee staat niet vast dat [verdachte] de persoon was die 18 dagen eerder, op 15 maart 2019, die telefoon in gebruik had.
De beoordeling door de rechtbank
De vaststaande feiten
De rechtbank neemt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, als vaststaand
aan.
Op 15 maart 2019 heeft [slachtoffer] (verder te noemen: [slachtoffer] ) met iemand een afspraak gemaakt om een aan [slachtoffer] verschuldigd geldbedrag op te halen. Met dat doel is hij door een vriend naar een pand aan de [adres 2] in [plaats] gebracht. Daar aangekomen, omstreeks 20.50 uur, werd [slachtoffer] door een jongen, die hij kende uit zijn woonplaats [woonplaats] , binnengelaten en werd hij met pepperspray in zijn gezicht gespoten. [slachtoffer] moest op de grond gaan liggen en is door de drie jongens die in het pand aanwezig waren geslagen en geschopt, waarbij onder andere tegen hem is gezegd “We gaan je dood slaan.”. Er werd een aantal spullen van [slachtoffer] afgepakt, waaronder zijn paspoort, rijbewijs, ING bankpas en huissleutels. Hierna moest hij op een rode klapstoel gaan zitten, met zijn handen achter zijn rug, en is hij vastgemaakt met tape rondom zijn bovenlichaam en rondom zijn onderbenen. Vervolgens is [slachtoffer] opnieuw door de drie jongens geslagen en geschopt en is hij met een roodkleurig object op zijn hoofd geslagen. De jongens maakten beeldopnames van [slachtoffer] . Nadat de jongens waren vertrokken, om 21.24 uur, heeft [slachtoffer] met een door de jongens achtergelaten telefoon de politie gebeld die, na een rond 21.30 uur ontvangen melding van het operationeel centrum, naar het pand is gegaan. [slachtoffer] is onderzocht door een ambulancemedewerker die aangaf dat de linkerduim van [slachtoffer] mogelijk gekneusd was. Verder had [slachtoffer] een wondje achter zijn linkeroor dat behoorlijk had gebloed en zag een verbalisant dat [slachtoffer] een behoorlijke bult op zijn hoofd had en dat zijn ogen nog flink rood waren door de pepperspray. Ook was er een deel van een ondertand afgebroken. [5]
Tussenconclusie
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] opzettelijk wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd en beroofd is gehouden, dat hij is mishandeld en dat onder toepassing van geweld en bedreiging met geweld spullen van [slachtoffer] zijn gestolen.
De rechtbank zal hierna allereerst ingaan op de vraag of [verdachte] hierbij betrokken was. Daarbij zal tevens worden ingegaan op wat uit het procesdossier naar voren komt met betrekking tot medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de kwalificatie van het in feit 2 tenlastegelegde en tot slot op het in alle feiten ten laste gelegde medeplegen.
Betrokkenheid [verdachte]
Onderzoek aan de onder [verdachte] in beslag genomen telefoon
Bij onderzoek van een op 2 april 2019 onder [verdachte] in beslag genomen Apple iPhone 8 is het volgende gebleken.
Het bij het toestel behorende ‘last used MSISDN’ was [telefoonnummer] . De gebruiker van het toestel maakte in ieder geval op 15 maart 2019 in chats gebruik van dit telefoonnummer.
In de rubriek ‘Notes’ van de telefoon stond de volgende notitie: “ [adres 2] [plaats] ”. De notitie is gemaakt op 13 maart 2019 om 12.25.24 uur (UTC +0) (
rechtbank: daadwerkelijke tijd 13.25.24 uur). [6] Op 13 maart 2019 om 13.31 uur en 13.35 uur heeft genoemd telefoonnummer uitgebeld naar het bij [slachtoffer] in gebruik zijnde telefoonnummer [telefoonnummer] .
De telefoon straalde in de periode van 20 februari 2019 tot 20 augustus 2019 alleen op
15 maart 2019 aan op een zendmast staande aan de [adres 3] te [plaats] , om 19.11.31 uur, 21.06.46 uur en 21.25.56 uur. De loods aan de [adres 2] te [plaats] ligt in het dekkingsgebied van deze zendmast. Daarna is een reisbeweging zichtbaar via Lelystad (22.22.32 uur), Zeewolde (22.51.44 uur), Ermelo (23.06.47 uur) en eindbestemming [woonplaats] (3.15.22 uur op 16 maart 2019). [7] woonde toen in
[woonplaats] . [8]
In de telefoon is een foto aangetroffen met daarop (een deel van) onderbenen die kennelijk voorzien zijn van tape. [9] Dit betreft de afbeelding met het kenmerk IMG_6836.JPG en datum aanmaak 15 maart 2019 21.15.04 uur (UTC +1). Ook de bij de afbeelding horende filmopname is aangetroffen. Deze heeft als kenmerk IMG_6836.MOV en de datum aanmaak is 15 maart 2019 21.14.48 uur (UTC +1). De afbeelding werd aangemaakt op het bestandssysteem 16 seconden nadat het filmbestand werd gemaakt. De verbalisant acht het zeer waarschijnlijk dat de filmopname gemaakt is met de onderzochte Apple iPhone 8 smartphone. [10] Het betreft een filmpje van de mishandeling van [slachtoffer] . [11]
De verbalisant heeft zijn conclusie dat het zeer waarschijnlijk is dat de filmopname is gemaakt met de onderzochte Apple iPhone 8 naar aanleiding van vragen van de rechtbank als volgt nader toegelicht.
“Hetpadnaar het bestand van de video-opnameIMG 6836.MOVgeeft de locatie aan van het betreffende videobestand. Hetpadnaar het bestand van de afbeeldingIMG_6836.JPGgeeft de locatie aan van een bij de filmopname horende miniatuurafbeelding, ook wel thumbnail genoemd. Thumbnails zijn miniaturen van foto's of video's voor snelle weergave. De genoemde bestanden maken onderdeel uit van de Foto's-app (de galerij). Via de Foto's-app zijn foto's en video's te bekijken en te beheren. De Foto's-app bestaat uit een mappenstructuur met gegevens over de in de galerij aanwezige foto's en video's. In deze mappenstructuur is een map opgenomen met de naam"DCIM".In de verschillende submappen staan foto- en filmbestanden opgeslagen waarvan de herkomst niet aan de bovenliggende mapnaam "DCIM" is af te leiden.
Naar aanleiding van de vraagstelling heb ik aanvullend onderzoek verricht aan de op het toestel aanwezigePhotos.sqlitedatabase (/root/mnt2/mobile/Media/PhotoData/Photos.sqlite). Deze database wordt gebruikt voor de administratie van foto- en videobestanden binnen de Foto's-app. Hierin staat bijvoorbeeld geregistreerd met welke app een foto of videobestand is gemaakt
(tabel: ZADDITIONALASSETATTRIBUTES, veld: ZCREATORBUNDLEID) en hoe een foto of videobestand op het toestel terecht is gekomen
(tabel: ZADDITIONALASSETATTRIBUTES, veld: ZIMPORTEDBY). In geval van het betreffende videobestand geven de voornoemde waarden niet aan dat het videobestand is gemaakt door een externe app en dat het filmbestand tot stand is gekomen met gebruik van de camera aan de achterzijde van de iPhone.
Vervolgens heb ik onderzoek verricht aan deknowledgeC.dbdatabase (/rootlmnt2/mobile/Library/CoreDuet/Knowledge/knowledgeC.db). Binnen deze database wordt gebruik van het toestel vastgelegd. Een voorbeeld hiervan is welke apps op welk moment worden gebruikt. Ik zag in deze database dat de camera app van het betreffende toestel werd geactiveerd op 15-03-2019 te 21:14:40(UTC+1) en dat de camera app werd gedeactiveerd op 15-03-2019 te 21:15:05(UTC+1).
Het videobestandIMG_6836.MOVis op 15-03-2019 te 21: 14:48(UTC+1) aangemaakt. De video-opname heeft een duur van 15 seconden en 230 milliseconden. Direct na het sluiten van de opname is een thumbnail weggeschreven naar het bestandssysteem, namelijkom
21:15:04(UTC+1). Het verschil tussen starten van de opname en het aanmaken van een thumbnail is 16 seconden. Dit is de tijd die past bij het aanmaken van het filmbestand, opnemen van de video en nadien opslaan van het thumbnail bestand. Deze bevindingen worden ondersteund door het tijdstip van creëren van het filmbestand die terug te vinden is in dePhotos.sq/itedatabase (tabel: ZGENERICASSET, veld: ZDA TECREATED) en het tijdstip van toevoegen van het videobestand (tabel: ZGENERICASSET, veld: ZADDEDDA TE) aan de galerij.
In het videobestand is tevens informatie opgenomen over het merk, type en software versie van de gebruikte opname apparatuur. Deze gegevens kwamen op het moment van onderzoek overeen met het merk, type en de software versie van de onderzochte Apple iPhone.” [12]
Vingerafdruk [medeverdachte 1]Bij sporenonderzoek in het bedrijfspand aan de [adres 2] te [plaats] zagen verbalisanten bij het keukenblok een rode uitgeklapte klapstoel staan. Om de stoel zagen zij twee stukken klustape en een aantal kabelbinders. Op de vloer naast de stoel zagen zij een vloeistof liggen die zij herkenden als neus- of mondvocht. Er is een dactyloscopisch spoor veiliggesteld op een van de poten van deze klapstoel. Het ten aanzien van deze vingerafdruk verrichte onderzoek heeft geleid tot individualisatie van het spoor op [medeverdachte 1] , waarbij de bevindingen geheel in de lijn der verwachting liggen wanneer het spoor van de donor (
rechtbank: [medeverdachte 1]) afkomstig is. [13]
Onderzoek aan de bij [medeverdachte 1] in gebruik zijnde telefoons
Bij onderzoek aan de Apple iPhone van [medeverdachte 1] (onder hem in beslag genomen op 1 mei 2019) is het volgende gebleken.
De telefoon straalde op 15 maart 2019 om 21.42.14 uur aan op een zendmast staande aan de [adres 4] te [plaats] (internet contact). [14] In de telefoon bevinden zich twee afbeeldingen met daarop het rijbewijs, het paspoort en de bankpas van [slachtoffer] , gefotografeerd op 21 maart 2019.
In de telefoon zijn twee videobestanden aangetroffen, IMG 0085 MOV en IMG_0086 MOV, gemaakt op 15 maart 2019. De videobestanden betreffen opnames van de mishandeling van [slachtoffer] .
Een van de schoppende en slaande personen op IMG_0086 MOV draagt een groenkleurige joggingachtige broek. In andere in de data van de telefoon aanwezige filmbeelden, IMG_0070.MP4, komen kledingstukken voor die qua uiterlijk en kleur hiermee overeenkomen. Op bestand IMG_0070.MP4 is volgens de verbalisant die het onderzoek aan de telefoon heeft verricht [verdachte] te zien (
afbeelding 4 op pagina 00238). Hij draagt een broek soortgelijk aan de broek van de vorenbedoelde persoon op het bestand IMG_0086 MOV. Het is een groene broek. De bij het bestand IMG_0070.MP4 vermelde datum is 12 maart 2019. [15]
Bij onderzoek van de Apple iPhone 8 Plus van [medeverdachte 1] (onder hem in beslag genomen op
30 juli 2020) zijn twee video’s aangetroffen van de mishandeling van [slachtoffer] op 15 maart 2019. De video’s, IMG_0641.MP4 en IMG_0642.MP4, zijn op 17 augustus 2019 op de telefoon gekomen. [16]
Tussenconclusie
Op basis van de inhoud van de processen-verbaal met betrekking tot het onderzoek aan de onder [verdachte] in beslag genomen Apple iPhone 8, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in het pand aan de [adres 2] in [plaats] met die telefoon een filmopname heeft gemaakt van de mishandeling van [slachtoffer] en direct daarna een afbeelding van de met tape omwikkelde onderbenen van [slachtoffer] . De rechtbank ziet geen aanleiding om in twijfel te trekken dat [verdachte] op 15 maart 2019 de gebruiker was van die telefoon. Uit de historische telefoongegevens blijkt dat die telefoon in de avond van 15 maart 2019 een reisbeweging maakt terug naar [woonplaats] , de woonplaats van [verdachte] . Er is één telefoon in beslag genomen onder [verdachte] , te weten op 2 april 2019. Dat betrof de Apple iPhone 8, die onderzocht is. Op de vraag of hij de gebruiker was van deze telefoon heeft [verdachte] zowel tijdens het politieverhoor van 30 juli 2020 als op de terechtzittingen van 3 en 23 oktober 2025 een beroep gedaan op het zwijgrecht. Het had echter, als hij op 15 maart 2019 niet de gebruiker was van de telefoon, op zijn weg gelegen te verklaren wie de telefoon die dag dan wel onder zich had en om welke reden. Daarbij komt nog dat [verdachte] niet alleen via de Apple iPhone 8 (en de daarop aangetroffen filmopname en afbeelding) in het pand aan de [adres 2] in [plaats] kan worden geplaatst, maar ook op grond van de groene joggingachtige broek die hij droeg op de filmopname met kenmerk IMG_0070.MP4 (
afbeelding 4 op pagina 00238). Deze broek komt overeen met de broek van een van de personen op de filmopname met kenmerk IMG_0086.MOV. De filmopname met kenmerk IMG_0070.MP4 is getoond ter terechtzitting van 23 oktober 2025. De rechtbank heeft waargenomen dat de persoon die op die opname te zien is, gezeten achter het stuur, zeer sterke gelijkenis vertoont met [verdachte] , in het bijzonder wat betreft haarkleur en vorm van de wenkbrauwen en neus. Met uitzondering van de lengte van het haar, heeft de rechtbank geen afwijkende uiterlijke kenmerken waargenomen. [17] Naar het oordeel van de rechtbank is de gelijkenis zodanig sterk dat vastgesteld kan worden dat de persoon achter het stuur [verdachte] is.
De rechtbank acht op grond van de weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat [verdachte] een van de drie daders is van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, de mishandeling en de diefstal met (bedreiging met) geweld.
Uit de aangetroffen vingerafdruk van [medeverdachte 1] , bezien in samenhang met het tijdstip waarop zijn Apple iPhone aanstraalde op de genoemde zendmast, blijkt naar het oordeel van de rechtbank tot slot dat ook [medeverdachte 1] een van de daders is van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, de mishandeling en de diefstal met (bedreiging met) geweld
.
De kwalificatie van het in feit 2 tenlastegelegde
Voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel
Op een video met het kenmerk IMG_0642.MP4 is te zien dat [slachtoffer] door drie mannen wordt mishandeld. Meer specifiek is het volgende te zien:
“ [slachtoffer] (rechtbank: [slachtoffer] ) ligt op de grond op zijn rechterzijde.Man 3 trapt tegen de bovenbenen van [slachtoffer] .Man 2 trapt tegen de linkeronderarm van [slachtoffer] .(…)Man 1 trapt met zijn rechtervoet op het hoofd van [slachtoffer] , direct daarop schopt hij met zijn linkervoet tegen het hoofd van [slachtoffer] .Man 2 trapt met zijn voet op het hoofd van [slachtoffer] .Man 3 trapt twee keer duwend tegen het bovenlichaam van [slachtoffer] aan.(…)Man 2 trapt tegen het hoofd van [slachtoffer] .Man 1 geeft met zijn rechterarm en gebalde vuist [slachtoffer] een vuistslag in het gezicht. Direct daarop geeft hij [slachtoffer] met zijn rechtervoet een schop in het gezicht.(…)Man 2 geeft een trap tegen het bovenlichaam van [slachtoffer] aan.
[18]
Op een video met het kenmerk IMG_0641.MP4 is het volgende te zien:
“ [slachtoffer] zit op een stoel. (…) Zijn bovenarmen zijn tegen zijn bovenlichaam vast getapet met een soort van ductape. Zijn benen zijn bij zijn enkels strak tegen elkaar aan vast getapet met een soort van ductape. (…)
• Nadat [slachtoffer] zegt: “Broer kom op alsjeblieft” Krijgt hij een trap met een voet tegen de
linkerzijde van zijn hoofd.
• [slachtoffer] slaat zijn beide armen om zijn hoofd.
• Direct daarop wordt er met een roodkleurige object op zijn hoofd geslagen. Het rode object
lijkt met twee handen vast gehouden te worden. (…)• [slachtoffer] houdt zijn beide handen voor zijn gezicht. Direct daarop krijgt hij 3 keer kort
achter elkaar vuistslagen in zijn gezicht, tegen zijn handen aan. (…)” [19]
Op een video met kenmerk IMG_0086.MOV (die gelijk is aan de video met het kenmerk IMG_6836.MOV) is het volgende te zien:
“- [slachtoffer] zit op een stoel, vastgebonden met tape om zijn enkels, bovenlichaam en met zijn armen op zijn rug. (…)- [slachtoffer] krijgt (…) een schop tegen de rechterzijde van het bovenlichaam door de persoon omschreven als persoon 2 in dit proces-verbaal. (…)- [slachtoffer] krijgt een trap tegen zijn rechterzijde van het gezicht door de persoon omschreven als de persoon 1 in dit proces-verbaal. (…) vervolgens krijgt [slachtoffer] met de hand een klap tegen de linkerzijde van zijn hoofd. Daarna nog een trap.- Vervolgens krijgt [slachtoffer] een trap tegen de linkerzijde van zijn hoofd door de persoon omschreven als de persoon 2.- Te zien is dat het linkeroor van [slachtoffer] bloed.” [20]
De rechtbank heeft op de beschikbare videobeelden (met de kenmerken IMG_0641.MP4 , IMG_0642.MP4 en IMG 6836.MOV) het volgende waargenomen: [slachtoffer] wordt meerdere malen en door meerdere personen heel hard met geschoeide voet tegen het hoofd en met een stampende beweging op het hoofd en midden in het gezicht getrapt, waarbij een van de trappen leidt tot een bloedende wond achter het linkeroor van [slachtoffer] . In het bijzonder heeft de rechtbank op de beelden IMG_0642.MP4 het volgende waargenomen. De man met de groene joggingachtige broek (
zijnde, zoals hiervóór is vastgesteld, [verdachte]), trapt driemaal hard met geschoeide voet tegen het hoofd van [slachtoffer] , die op grond ligt. Een van die trappen raakt [slachtoffer] midden in het gezicht. Ook geeft deze man direct voorafgaand aan de trap in het gezicht een harde vuistslag in het gezicht van [slachtoffer] . [21]
Het meermalen heel hard met geschoeide voet op en tegen het hoofd en midden in het gezicht van een persoon trappen, alsook het met kracht met een hard voorwerp (het beschreven roodkleurige object) op het hoofd van een persoon slaan, roept naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel in het leven. Het hoofd en zeker ook het gezicht is een kwetsbare plek. Daarbij komt dat [slachtoffer] tijdens de trappen, waaronder ook de harde trap in het gezicht, weerloos op de grond lag, ook doordat er eerst pepperspray in zijn ogen was gespoten. Zittend op de stoel was hij opnieuw weerloos omdat zijn armen en onderbenen vastgebonden waren. Op dat moment is hij onder meer tegen het hoofd getrapt, met een bloedende wond achter het linkeroor tot gevolg. Dat maakt duidelijk dat ook dit een hele harde trap was, tegen het oor. De drie daders, onder wie [verdachte] , hebben allen getrapt en geslagen. Naar de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen heeft [verdachte] de kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel willens en wetens aanvaard. Er is daarom sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Voorbedachte raad
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet ingevolge vaste jurisprudentie komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen besluit of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. De enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is niet toereikend om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.
De rechtbank dient met inachtneming van dit kader te beoordelen of [verdachte] met voorbedachte raad heeft gehandeld. De volgende bewijsmiddelen zijn daarbij relevant.
Het procesdossier bevat een geluidsopname van een gesprek dat op 20 maart 2019 is gevoerd tussen [naam] (hierna: [naam] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] ). [22] Het gesprek verloopt bij aanvang van de geluidsopname als volgt:
“ [naam] : ... vallen... Wat heeft die waus gedaan dan?
[medeverdachte 2] : ja
die achttienhonderd euro stelen[naam] : Ja Ja?
[medeverdachte 2] : Ja, dat toen ik dat hoorde toen wist ik het eigenlijk gelijk al. Van eh, dat dat niet.
Dat tolereer ik niet(…)
[medeverdachte 2] : dat is niet acceptabel
(…)
[naam] : Maar goed em het is nu gewoon klaar, want ik heb namelijk
die eigenaar van [plaats]gebeld
[medeverdachte 2] : Ja?
[naam] : (…) Naar mijn weten, zoals het er nu allemaal er uit ziet heeft die man er helemaal geen weet van überhaupt niet wat daar nog verder is gebeurd
[medeverdachte 2] : ok
(…)
[medeverdachte 2] : er klopt iets niet huh... .
[naam] : Nee. Nee. Is ook het geval want ik denk dat ze gewoon dat
die wouten gewoon dat ding meegenomen hebben en dat ze gewoon die stoel alles mee hebben genomen voor DNA-shitenzo
[medeverdachte 2] : ja.
[naam] : maar ook wel dom van hun want ehm, (…)
[medeverdachte 2] : klopt, maar
hij heeft geen aangifte gedaan, schijnt, dus uhh...
[naam] : nee ok, maar los daarvan, ik bedoel wel of geen aangifte bedoel als iemand 112 gaat bellen zeg maar
vanuit daar op een stoel, helemaal bebouwd, ja, is toch een waardeloos verhaal? Ik bedoel daar gaan die wouten toch ook iets van denken, linksaf of rechtsaf?
(…)
[naam] : is hem ook gewoon, Is hem ook,
is [slachtoffer] ook duidelijk verteld waar het om draaide zeg maar? Waarom die
[medeverdachte 2] : ja.
[naam] : daar zat?
[medeverdachte 2] :
hij weet het precies.
[naam] : ok
[medeverdachte 2]
: ik heb het hem zelf gezegd, dus eh
(…)”
[naam] heeft tegen een verbalisant verteld dat hij in opdracht van een in België wonende Nederlandse man, die al twee jaar op de vlucht was, een jongeman die op een door [naam] getoond filmpje mishandeld wordt terwijl hij vastgebonden is op een stoel, op 15 maart 2019 heeft afgezet in [plaats] . De jongen had misschien geld achterover gedrukt. [23] [medeverdachte 2] had zich onttrokken aan detentie en verbleef in België. [24]
De rechtbank stelt vast dat het gesprek tussen [naam] en [medeverdachte 2] gaat over wat op
15 maart 2019 is voorgevallen in het bedrijfspand aan de [adres 2] in [plaats] . [slachtoffer] (‘ [slachtoffer] ’) is op een stoel mishandeld (‘bebouwd’, waarbij bedoeld zal zijn ‘verbouwd’) en heeft vervolgens geen aangifte gedaan. Dit klopt beide. Bovendien kan uit het gesprek worden opgemaakt dat [medeverdachte 2] ‘een appeltje te schillen had’ met [slachtoffer] omdat [slachtoffer] geld had gestolen, wat [medeverdachte 2] niet tolereert. [medeverdachte 2] , die zich had onttrokken aan detentie en om die reden verbleef in België, heeft met dat doel [naam] , zo blijkt uit zijn melding, opgedragen om [slachtoffer] naar het pand aan de [adres 2] te brengen. Voorts kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat [medeverdachte 2] ook [verdachte] , [medeverdachte 1] en een onbekend gebleven derde heeft ingeschakeld, waarna een van hen [slachtoffer] heeft laten weten dat hij naar het pand aan de [adres 2] moest komen. Dit gebeurde onder valse voorwendselen, namelijk dat [slachtoffer] daar geld kon krijgen dat hij nog tegoed had. Hiervan uitgaande, kan het bovendien niet anders dan dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en de onbekende derde vooraf contact hebben gehad met elkaar over de reden van het bezoek aan het pand aan de [adres 2] en dat zij afspraken hebben gemaakt over plaats en tijdstip. De voornoemde notitie in de telefoon van [verdachte] ondersteunt dit.
Uit de eerdergenoemde bewijsmiddelen blijkt voorts dat [slachtoffer] , kort nadat hij het pand was binnen gelaten, met pepperspray in het gezicht is gespoten om hem weerloos te maken. Direct daarna moest hij op de grond gaan liggen, waarna er direct op los is geslagen en geschopt. [verdachte] , [medeverdachte 1] of de onbekend gebleven derde heeft deze pepperspray dus meegenomen. Ook is een wapenstok meegenomen of een daarop gelijkend voorwerp, waarmee [slachtoffer] is geslagen. [slachtoffer] heeft over een wapenstok verklaard en de rechtbank ziet geen reden om zijn verklaring op dit punt in twijfel te trekken.
De rechtbank is van oordeel dat voormelde omstandigheden, in samenhang bezien, blijk geven van een doelgericht handelen van [verdachte] , [medeverdachte 1] en de onbekende derde, waarbij sprake was van een vooropgezet plan om [slachtoffer] te mishandelen. [verdachte] heeft gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen mishandeling en zich daarvan rekenschap te geven. Niet gebleken is dat [verdachte] in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. Daarbij is nog van belang dat [slachtoffer] , die direct weerloos is gemaakt, ook geen aanleiding heeft kunnen geven voor agressie vanuit [verdachte] en de anderen. Van contra-indicaties die in de weg staan aan een bewezenverklaring van voorbedachte raad is evenmin gebleken. De rechtbank concludeert daarom dat [verdachte] [slachtoffer] met voorbedachte raad heeft mishandeld, waarbij hij, zoals de rechtbank hiervóór al heeft overwogen, de aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel voor lief heeft genomen.
Medeplegen
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] bij het plegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met voorbedachte raad en de diefstal met (bedreiging met) geweld nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] en een onbekend gebleven derde. Ook het medeplegen kan daarom bewezen worden.
Conclusie
De rechtbank concludeert dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het in de feiten 1 en 3 tenlastegelegde en het in feit 2 primair tenlastegelegde.
De rechtbank overweegt dat de bewezen verklaarde, elkaar in de tijd opvolgende, gedragingen (ook met betrekking tot het wilsbesluit) zo nauw met elkaar samenhangen dat [verdachte] daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt, zodat sprake is van een voortgezette handeling.

4.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op 15 maart 2019 te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen,
althans alleen,opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk en wederrechtelijk naar een loods/bedrijfshal (aan de [adres 2] ) te lokken
/te laten brengenen
/of(vervolgens) op een stoel te zetten en (met tape) vast te binden;
2.
hij op 15 maart 2019 te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen,
althans alleen,met voorbedachten rade, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] (terwijl hij vastgebonden met tape om zijn enkels en bovenlichaam en zijn armen op zijn rug, op een stoel zat) meermalen,
althans eenmaal (met kracht
)op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt en/of geslagen/gestompt en
/ofdie [slachtoffer]
meermalen, althanseenmaal
(met kracht
)met een (hard) voorwerp op
/tegenhet hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op 15 maart 2019 te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (onder meer) identiteitspapieren (rijbewijs en
/ofeen paspoort) en
/ofeen
of meer (bank
)pas
(sen)en
/ofsleutels, toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en
/ofzijn mededader
(s
)die [slachtoffer]
heeft/hebben vastgebonden en
/of(vervolgens) meermalen,
althans eenmaal (met kracht
)op/tegen het hoofd en
/ofhet lichaam
heeft/hebben geschopt en
/ofgeslagen/gestompt en
/ofeenmaalmet een (hard) voorwerp
ophet hoofd geslagen en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en
/ofzijn mededader
(s
)die [slachtoffer]
heeft/hebben toegevoegd de woorden: “We gaan je dood slaan”, althans woorden van dergelijke aard of strekking.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
De voortgezette handeling van:
feit 1:
medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving;
feit 2:
medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad;
en
feit 3:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

6.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

7.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 26 maanden, met aftrek van de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat bij een eventuele straf rekening moet worden gehouden met de geconstateerde onherstelbare vormverzuimen in het vooronderzoek. Deze brengen mee dat strafvermindering op zijn plaats is. Voorts moet rekening worden gehouden met het feit dat de redelijke termijn ruimschoots is overschreden, zonder dat dit verband houdt met omstandigheden die voor rekening van de verdediging komen. Verder zijn de artikelen 56, lid 1 (voortgezette handeling), en 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing, en blijkt uit het opgemaakt reclasseringsadvies dat [verdachte] zijn leven op orde heeft en de laatste jaren geen justitiecontacten meer heeft gehad. Bij detentie kan hij zijn eigen woning kwijtraken en kan hij geen rol vervullen in het leven van zijn dochter. Er is ruimte voor oplegging van een maximale taakstraf, naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie dagen, met aftrek van het voorarrest, aan te vullen met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van [verdachte] . Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank als volgt.
[verdachte] heeft zich met twee anderen schuldig gemaakt aan drie zeer ernstige feiten. Het plan was kennelijk om [slachtoffer] ‘een lesje te leren’. [slachtoffer] is onder valse voorwendselen naar een bedrijfspand gelokt. Daar aangekomen werd pepperspray in zijn gezicht gespoten en is hij, eerst liggend op de grond en daarna vastgebonden op een stoel, door [verdachte] en zijn mededaders ernstig mishandeld. Van de mishandeling zijn beeldopnames gemaakt. Wat op die beelden te zien en het horen is, is ronduit heftig, onder meer de door [verdachte] gegeven harde vuistslag in het gezicht van de op de grond liggende [slachtoffer] en de hele harde trappen tegen het hoofd van [slachtoffer] , waaronder een trap midden in zijn gezicht. De beelden maken duidelijk dat het slechts een kwestie van geluk is dat [slachtoffer] geen zwaar letsel heeft opgelopen. Het kan niet anders dan dat het incident grote indruk op [slachtoffer] heeft gemaakt; van angst heeft hij tijdens de mishandeling zijn ontlasting laten lopen. Angst maakte ook dat [slachtoffer] van deze schokkende gebeurtenissen geen aangifte heeft gedaan. De door [verdachte] en zijn mededaders gemaakte inbreuk op de psychische en lichamelijke integriteit van [slachtoffer] is zonder meer ernstig te noemen. Na [slachtoffer] nog een aantal spullen afhandig te hebben gemaakt, zijn [verdachte] en zijn mededaders vertrokken en hebben ze [slachtoffer] , die verwond was, alleen achtergelaten. Strafbare feiten als deze hebben niet alleen grote gevolgen voor het slachtoffer in kwestie, maar veroorzaken ook gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank rekent [verdachte] zijn handelen dan ook zwaar aan. Dat hij hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen, spreekt allerminst in zijn voordeel.
Op een wederrechtelijke vrijheidsberoving en een poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad staan maximale gevangenisstraffen van acht jaren en op een diefstal met (bedreiging met) geweld staat een maximale gevangenisstraf van negen jaren. Deze maximumstraffen geven uitdrukking aan de ernst van strafbare feiten als deze en maken duidelijk dat ook in het onderhavige geval zonder meer de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur gerechtvaardigd zou zijn. Dat is ook zo indien de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in aanmerking worden genomen. Daarin wordt alleen al voor een zware mishandeling door middel van meerdere trappen tegen het hoofd als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden genoemd. Ingeval van een poging betekent dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, zij het dat in het onderhavige geval ook sprake is van medeplegen en voorbedachte raad, alsook van fors geweld door onder meer een door [verdachte] gegeven harde vuistslag en hele harde trappen met geschoeide voet tegen het hoofd en midden in het gezicht van [slachtoffer] . De ernst van de bewezenverklaarde feiten zouden naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden rechtvaardigen.
Over de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] overweegt de rechtbank als volgt.
Blijkens het strafblad is [verdachte] voorafgaand aan 15 maart 2019 niet in aanraking gekomen met politie en justitie. Het strafblad werkt in die zin niet strafverhogend. Wel is hij nadien drie maal veroordeeld voor in 2019 en 2020 gepleegde geweldsdelicten, waarbij taakstraffen zijn opgelegd en gevangenisstraffen, waarvan eenmaal in voorwaardelijke vorm. Dit brengt mee dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Na 2020 is [verdachte] niet opnieuw in beeld gekomen bij politie en justitie.
Reclassering Nederland heeft een adviesrapport uitgebracht over [verdachte] , gedateerd
1 september 2025. Daaruit komt naar voren dat hij in het verleden moeite had met zijn agressiebeheersing en emotieregulatie. [verdachte] heeft hiervoor zowel in een forensisch als vrijwillig kader een behandeling gevolgd bij instelling Transfore, tot medio 2025. De behandelaar heeft aangegeven dat [verdachte] in deze behandeling meer zicht heeft gekregen op zijn emoties en agressie en hiermee beter om kan gaan. Hij heeft zijn leven meer op orde gekregen. Sinds 2022 woont hij in een eigen huurwoning, heeft hij een omgangsregeling met zijn 4-jarige dochter en heeft hij zijn schulden grotendeels afbetaald. Op basis van deze positieve ontwikkelingen concludeert de reclassering dat [verdachte] zijn leven op een dusdanige manier wil inrichten en maatschappelijk aanvaardbare doelen wil nastreven dat de kans op recidive minder wordt. Het risico op recidive en letselschade wordt ingeschat op laag-gemiddeld. De reclassering ziet geen meerwaarde in een reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden, ook omdat delictgerelateerde factoren niet aan te wijzen zijn, nu [verdachte] zich beroept op het zwijgrecht. De reclassering adviseert tot slot om het volwassenenstrafrecht toe te passen, welk advies de rechtbank volgt.
De rechtbank zal in vergaande mate in strafmatigende zin rekening houden met het feit dat [verdachte] een positieve wending aan zijn leven heeft weten te geven. Het valt ook te prijzen dat hij een behandeling heeft gevolgd. Niettemin acht de rechtbank de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur de enige passende straf. De rechtbank beseft dat het moeten ondergaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een ontwrichtend effect zal hebben op het leven van [verdachte] . Van zodanig klemmende omstandigheden dat van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden afgezien, is de rechtbank echter niet gebleken. Daarbij komt dat een taakstraf volstrekt onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten.
Verder zal de rechtbank in vergaande mate in strafmatigende zin rekening houden met het feit dat [verdachte] ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten nog jong was (19 jaar oud en dus adolescent). Bekend is dat personen van die leeftijd vatbaarder zijn voor groepsdruk, beïnvloeding en het maken van impulsieve keuzes, zonder daarvan ten volle de impact te kunnen overzien. De rechtbank wil wel aannemen dat dit van invloed is geweest op het handelen van [verdachte] . Zo heeft het er alle schijn van dat hij geen weerstand heeft kunnen bieden tegen [medeverdachte 2] , een van de andere verdachten in onderzoek Parra (waarvan onderzoek Solitude deel uitmaakt). De rechtbank gaat ervan uit dat [verdachte] niet op eigen initiatief heeft gehandeld, maar dat hij is ingeschakeld door [medeverdachte 2] , die zijn eigen ‘gram wilde halen’. Uit het opgenomen gesprek tussen [medeverdachte 2] en [naam] van 20 maart 2019 blijkt namelijk dat [medeverdachte 2] boos was op het slachtoffer omdat hij volgens [medeverdachte 2] € 1.800,00 had gestolen, wat [medeverdachte 2] “niet tolereert”. Er kan geen twijfel over bestaan dat dit gesprek (vijf dagen na 15 maart 2019) gaat over de mishandeling van [slachtoffer] in de loods in [plaats] ( [naam] : “(…) dat ze gewoon die stoel hebben meegenomen voor DNA shit enzo.” / [medeverdachte 2] : “Hij weet het precies (waar het om draaide), ik heb het hem zelf gezegd.” / Solitude ZD, pagina 00332-00334).
De rechtbank ziet in voornoemde positieve ontwikkelingen en de jonge leeftijd van [verdachte] op de pleegdatum aanleiding om zes maanden op de onvoorwaardelijke gevangenisstraf in mindering te brengen, waarbij de rechtbank er nog rekening mee houdt dat er, afgezien van de hierna te bespreken overschrijding van de redelijke termijn, reeds zes jaren en ruim acht maanden zijn verstreken sinds het bewezenverklaarde feit.
Over de schending van de redelijke termijn overweegt de rechtbank bovendien nog als volgt.
De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn. Ingeval van overschrijding van de redelijke termijn is vermindering van de op te leggen straf de aangewezen sanctie. De duur van de redelijke termijn is blijkens vaste jurisprudentie mede afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak, waaronder begrepen de gelijktijdige berechting van meerdere zaken tegen een verdachte. Ook andere omstandigheden kunnen verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van in beginsel twee jaren is aangevangen op
30 juli 2020 de datum waarop [verdachte] in verzekering is gesteld en voor de eerste maal is verhoord over de verdenkingen. Vanaf die datum kon hij er rekening mee houden dat hij zou worden vervolgd. Tussen die datum en de datum van dit eindvonnis ligt een periode van vijf jaren en ruim vier maanden.
Onderzoek Parra betreft een heel groot onderzoek, dat vijf deelonderzoeken, waaronder onderzoek Solitude, omvat. Er is uitgebreid onderzoek verricht naar meerdere personen, onder wie [verdachte] , en het einddossier is gereed gekomen op 31 oktober 2022. Hierna is sprake geweest van een omvangrijke regiefase, die is aangevangen in september 2024 en is afgerond in augustus van dit jaar. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank dat voor de redelijke termijn een langere termijn dan twee jaren in acht wordt genomen. Maar ook dan is de redelijke termijn fors overschreden, dit door omstandigheden waar de verdediging geen invloed op heeft gehad. Zo heeft het na het gereed komen van het einddossier nog bijna twee jaren geduurd voordat het Openbaar Ministerie (met de dagvaarding van 9 augustus 2024) de vervolgingsbeslissing heeft genomen en de regiefase kon aanvangen. Ook het rooster van de rechtbank heeft hierbij een vertragende rol gespeeld. Van bijzondere omstandigheden die het forse tijdsverloop rechtvaardigen is niet gebleken.
Hierbij verdient nog opmerking dat het, ook al is [verdachte] alleen vervolgd in deelonderzoek Solitude, gezien de onderlinge verwevenheid van de strafzaak van [verdachte] met die van [medeverdachte 1] (die ook betrokken is in een aantal van de andere deelonderzoeken), niet mogelijk was om tot een afzonderlijke (eerdere) afdoening te komen.
De rechtbank zal, gelet op de omvang van onderzoek Parra en de andere hiervóór genoemde omstandigheden, uitgaan van een redelijke termijn van drie jaren. Daarmee is in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van twee jaren en ruim vier maanden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdediging, dient dit gecompenseerd te worden door verkorting van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de overschrijding van de redelijke termijn voldoende gecompenseerd door op de voornoemde duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf
zeven maanden in mindering te brengen
Voorts ziet de rechtbank in de voornoemde (persoonlijke) omstandigheden van [verdachte] aanleiding een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Deze voorwaardelijke straf dient als zogenoemde ‘stok achter de deur’ om zoveel als mogelijk te waarborgen dat [verdachte] niet opnieuw strafbare feiten zal plegen.
Concluderend acht de rechtbank passend en geboden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 17 maanden, met aftrek van de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht (3 dagen), waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Deze straf wijkt af van de eis van de officier van justitie. De reden daarvan is gelegen in het feit dat de rechtbank, meer dan de officier van justitie heeft gedaan, in strafmatigende zin rekening houdt met de (persoonlijke) omstandigheden van [verdachte] en de overschrijding van de redelijke termijn.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 56, 63, 282, 303 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) maanden;
 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.M. van Hoof (voorzitter), mr. M.J. Wasmann en mr. R.P.W. van de Meerakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 december 2025.
Mr. R.P.W. van de Meerakker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van bevindingen, 25SOLITUDE ZD, p. 00207; Proces-verbaal van bevindingen (Antwoord op onderzoeksvragen [verdachte] ), d.d. 23 oktober 2024, p. 1-2.
2.Methodieken proces-verbaal, 25SOLITUDE ZD, p. 00013.
3.Proces-verbaal van bevindingen, 25SOLITUDE ZD, p. 00296.
4.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, opsporingsonderzoek Parra, dossiernummer ON3R018117, gesloten op 31 oktober 2022, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden (inclusief die van de bij het onderzoek Parra behorende deelonderzoek Solitude), tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
5.Proces-verbaal van bevindingen, 25SOLITUDE ZD, p. 00043; Proces-verbaal van verhoor slachtoffer, 25SOLITUDE ZD, p. 00051; Proces-verbaal van bevindingen, 25SOLITUDE, p. 00241; Proces-verbaal van bevindingen, 25Solitude ZD, p. 00253; Proces-verbaal van bevindingen, 25SOLITUDE ZD, p. 00301 (
6.Proces-verbaal van bevindingen, 25SOLITUDE ZD, p. 00207.
7.Proces-verbaal van bevindingen, 25SOLITUDE ZD, p. 00295.
8.Kennisgeving van inbeslagneming, 25SOLITUDE ZD, p. 00203.
9.Proces-verbaal van bevindingen, 25SOLITUDE ZD, p. 00207.
10.Proces-verbaal van bevindingen, 25SOLITUDE ZD, p. 00213.
11.Proces-verbaal van bevindingen, 25SOLITUDE ZD, p. 00215.
12.Aanvullend proces-verbaal onderzoek – Apple iPhone 8, d.d. 14 oktober 2025.
13.Proces-verbaal forensisch onderzoek, 25SOLITUDE ZD, p. 00070; Proces-verbaal individualisatie dactyloscopisch spoor, 25SOLITUDE ZD, p. 00085; Rapport dactyloscopisch onderzoek, 25SOLITUDE ZD, p. 00087.
14.Proces-verbaal van bevindingen, 25SOLITUDE ZD, p. 00301.
15.Proces-verbaal van bevindingen, 25SOLITUDE ZD, p. 00233; Proces-verbaal van bevindingen (aanvullend met betrekking tot vragen over filmpjes op telefoon [medeverdachte 1] ), d.d. 15 oktober 2025.
16.Processen-verbaal van bevindingen, 25SOLITUDE ZD, p. 00241 en p. 00250.
17.Rechterlijke waarneming, gedaan ter terechtzitting van 23 oktober 2025.
18.Proces-verbaal van bevindingen, 25SOLITUDE ZD, p. 00254
19.Proces-verbaal van bevindingen, 25SOLITUDE ZD, p. 00244.
20.Proces-verbaal van bevindingen, 25SOLITUDE ZD, p. 00236.
21.Rechterlijke waarnemingen, gedaan ter terechtzittingen van 3 en 23 oktober 2025.
22.Proces-verbaal van bevindingen, 25Solitude ZD, p. 00332-00334.
23.Proces-verbaal van bevindingen, 25SOLITUDE ZD, p. 00273.
24.Proces-verbaal zaaksdossier 25 Solitude, p. 00028-00029.