Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2025:11156

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
ARN 25/348
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 130, eerste lid, Wvw 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening oplegging Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer na vrijspraak strafrechter

Eiser verzocht het CBR om herziening van het besluit tot oplegging van een EMG, nadat hij in een strafrechtelijke procedure was vrijgesproken van het gevaarlijk rijgedrag waarop het CBR zijn besluit baseerde.

Het CBR weigerde het herzieningsverzoek omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zouden zijn. De rechtbank oordeelt echter dat de vrijspraak van de strafrechter, die op hetzelfde dossier is gebaseerd, een ander licht werpt op de feiten en daarmee nieuwe omstandigheden vormt.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van het CBR en wijst het herzieningsverzoek toe. Tevens veroordeelt zij het CBR tot terugbetaling van de kosten van de EMG, het griffierecht en proceskostenvergoeding.

De uitspraak benadrukt dat het bestuursorgaan niet mag afwijken van een strafrechterlijk oordeel dat de feiten waarop het bestuursrechtelijke besluit is gebaseerd onderuit haalt, tenzij er aanvullende informatie is die dat rechtvaardigt.

De zaak is behandeld door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Gelderland te Arnhem op 24 november 2025 en de uitspraak is gedaan op 19 december 2025.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van het CBR tot oplegging van de EMG en wijst het herzieningsverzoek toe.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/348

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.A. Schadd),
en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: M.M. van Dongen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het CBR om het opleggen van een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) te herzien. Eiser is het niet eens met de weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van het CBR.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR de oplegging van de EMG had moeten herroepen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 10 oktober 2024 heeft eiser aan het CBR gevraagd om het besluit van 6 december 2023 waarbij aan hem een EMG is opgelegd, te herzien. Bij besluit van
21 oktober 2024 heeft het CBR dit geweigerd. Met het bestreden besluit van 10 december 2024 op het bezwaar van eiser is het CBR bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 6 november 2023 heeft het CBR van de politie een mededeling ontvangen dat het vermoeden bestaat dat eiser niet langer de rijvaardigheid heeft of rijgeschikt is om een auto te besturen. [1] De politie heeft dat vermoeden omdat eiser op 4 oktober 2023 gevaarlijk zou hebben gereden. Omdat het niet lukte om de bestuurder van de auto van eiser staande te houden, heeft de politie zijn identiteit niet ter plekke kunnen verifiëren. Omdat de betrokken agent een herkenning heeft opgemaakt aan de hand van het rijbewijs van eiser, een foto in de strafrechtketendatabank en herkenning tijdens het verhoor, werd aangenomen dat eiser de bestuurder van zijn auto was.
3.1.
Vervolgens heeft het CBR op basis van het proces-verbaal van de politie van
17 november 2023 op 6 december 2023 aan eiser een EMG opgelegd. Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt.
3.2.
Op 5 september 2024 heeft eiser het CBR verzocht om herziening van de oplegging, omdat hij op 22 augustus 2024 in de strafrechtelijke procedure van overtreding van artikel 5a van de Wvw 1994 is vrijgesproken. Op 7 oktober 2024 heeft het CBR het verzoek van eiser afgewezen.
3.3.
Op 10 oktober 2024 heeft eiser een nieuw herzieningsverzoek ingediend. Op
21 oktober 2024 heeft het CBR ook dit verzoek afgewezen, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. [2] Bij het bestreden besluit van 10 december 2024 is het CBR bij dat besluit gebleven.
Toetsingskader
4. Op verzoek kan het bestuursorgaan een besluit herzien. Daarbij moet degene die om herziening verzoekt nieuwe feiten en omstandigheden naar voren brengen. Als er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn, kan het bestuursorgaan het verzoek om herziening afwijzen. [3]
4.1.
Als het bestuursorgaan het verzoek om herziening afwijst omdat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn, beoordeelt de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden en het beleid van het bestuursorgaan of de afwijzing terecht is. Daarbij beoordeelt de rechtbank ook of de afwijzing zorgvuldig is voorbereid en goed gemotiveerd. Als er inderdaad geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn, dan is de afwijzing in beginsel terecht. Aan de hand van de beroepsgronden kan de rechtbank echter tot de conclusie komen dat de afwijzing evident onredelijk is. [4]
Zijn er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden?
5. Eiser betoogt dat het CBR vanwege de vrijspraak in de strafrechtelijke procedure over had moeten gaan tot herziening. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de politierechter blijkt namelijk dat eiser is vrijgesproken, omdat niet bewezen kan worden dat eiser de bestuurder van de auto was tijdens het gevaarlijke rijgedrag op 4 oktober 2023.
5.1.
De bestuursrechter is in beginsel niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter. Dat kan anders zijn als het strafrechtelijke vonnis de inhoud van de processen-verbaal die ten grondslag zijn gelegd aan de oplegging van de maatregel onderuit haalt of anderszins een ander licht werpt op de feiten of omstandigheden waarop ook de bestuursrechtelijke maatregel is gebaseerd. [5]
5.2.
Eiser heeft in beroep het proces-verbaal van de zitting bij de politierechter op
22 augustus 2024 overgelegd. Hij heeft aannemelijk gemaakt dat hij dit stuk niet eerder kon indienen
.Het proces-verbaal is een nadere onderbouwing van zijn eerder ingenomen standpunt dat hij op 4 oktober 2023 niet de bestuurder was van de auto. De rechtbank zal het daarom bij de beoordeling van het beroep betrekken. [6]
5.3.
In het proces-verbaal staat dat de politierechter eiser vrijspreekt omdat hij niet de overtuiging heeft dat eiser de bestuurder van de auto was. De vrijspraak van de politierechter berustte op hetzelfde dossier als dat waar het standpunt van het CBR op is gebaseerd en gaat over dezelfde rechtsvraag, namelijk of eiser de bestuurder was. [7] Nu het CBR geen andere aanvullende informatie heeft verstrekt waaruit is af te leiden dat eiser wel de bestuurder was op 4 oktober 2023, ziet de rechtbank geen ruimte voor het CBR om af te wijken van het oordeel van de politierechter. Dat de strafrechter een andere bewijsmaatstaf hanteert dan de bestuursrechter leidt, anders dan het CBR op de zitting heeft betoogd, niet tot een ander oordeel. Het CBR heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die moesten leiden tot herziening van het besluit van 6 december 2023. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het CBR ten onrechte het besluit tot oplegging van de EMG niet heeft herzien. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit van 10 december 2024. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 6 december 2023 tot oplegging van de EMG en het besluit van 21 oktober 2024 te herroepen, het verzoek tot herziening toe te wijzen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 10 december 2024. Het CBR moet de opleggings- en uitvoeringskosten van de EMG aan eiser terug betalen.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het CBR het griffierecht aan eiser vergoeden. Ook moet het CBR een proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 10 december 2024;
  • voorziet zelf in de zaak door de besluiten van 6 december 2023 en 21 oktober 2024 te herroepen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • bepaalt dat het CBR het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het CBR tot betaling van € 1.814 aan proceskosten;
  • bepaalt dat het CBR de opleggings- en uitvoeringskosten aan eiser moet terug betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994).
2.Als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Dit volgt uit artikel 4:6 van Pro de Awb.
4.ABRvS 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4941, ro. 2.2 en 2.3.
5.Vergelijk ABRvS 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:722, ro. 5.1.
6.Vergelijk ABRvS 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:962, ro. 4.4.
7.Vergelijk ABRvS 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:722, ro. 5.2.