Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen een verliesbeschikking van € -174.530 voor het jaar 2020, opgelegd door de inspecteur in het kader van de vennootschapsbelasting. De fiscale eenheid was met ingang van 1 oktober 2020 tot stand gekomen, maar belanghebbende verzocht op 17 augustus 2021 om beëindiging van deze fiscale eenheid per dezelfde datum. De rechtbank oordeelt dat het beëindigingstijdstip niet eerder kan liggen dan het moment van het verzoek tot beëindiging.
De rechtbank gaat in op de stelling van belanghebbende dat de e-mail van 17 augustus 2021 als een buiten de termijn ingediend bezwaarschrift tegen de beschikking fiscale eenheid had moeten worden aangemerkt, maar laat deze vraag buiten beschouwing omdat het beroep ziet op de verliesbeschikking. De rechtbank bevestigt dat de inspecteur de verliesbeschikking niet te laag heeft vastgesteld.
Verder bespreekt de rechtbank de wettelijke regeling van artikel 15, tiende lid, onderdeel h, van de Wet Vpb en de parlementaire geschiedenis, waaruit blijkt dat een fiscale eenheid niet met terugwerkende kracht kan worden beëindigd. De door belanghebbende aangevoerde jurisprudentie en adviezen van Advocaat-Generaal zijn niet van toepassing op deze zaak. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.