ECLI:NL:RBGEL:2025:11032

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
ARN 25/1063
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgevingsvergunning voor verbouwing van een woning in rijksbeschermd stadsgezicht

Deze uitspraak betreft een omgevingsvergunning voor de verbouwing van een woning in een rijksbeschermd stadsgezicht. De aanvrager van de vergunning is verhuisd, wat door eiser als argument wordt aangevoerd om de vergunning te weigeren. De rechtbank oordeelt echter dat het college van burgemeester en wethouders de vergunning in afwijking van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen. De rechtbank concludeert dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat de belangenafweging door het college zorgvuldig is uitgevoerd. Eiser, die in de nabijheid woont, is van mening dat de uitbreiding van de woning zijn woongenot negatief zal beïnvloeden door verlies van bezonning en privacy. De rechtbank oordeelt dat de bezonningsstudie die aan de besluitvorming ten grondslag ligt, voldoende is en dat de gevolgen voor eiser niet zodanig zijn dat de vergunning geweigerd had moeten worden. De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond, waardoor de omgevingsvergunning in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1063

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. R.A. Oosterveer),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn

(gemachtigden: H.S. Leijenhorst en R.S. Boersma).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor een verbouwing van een woning. Eiser is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat het van toepassing zijnde overgangsrecht. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de beslissing op bezwaar. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen:
  • Had het college de omgevingsvergunning in heroverweging moeten weigeren omdat aanvrager is verhuisd?
  • Heeft het college de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan kunnen verlenen?
  • Is sprake van een goede ruimtelijke ordening?
  • Is sprake van een juiste belangenafweging?
  • Is de gevolgde procedure zorgvuldig geweest?
Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Door een voormalig eigenaar van de woning [locatie 1] in [plaats] is een omgevingsvergunning aangevraagd voor het uitbreiden, verbouwen en verduurzamen van de woning. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning in het besluit van 4 maart 2024 verleend. In de beslissing op bezwaar van 30 januari 2025 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten met aanvulling van de motivering.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. De huidige eigenaar van de woning neemt, hoewel daartoe uitgenodigd, geen deel aan de procedure.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 29 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Een voormalig eigenaar van de woning [locatie 1] in [plaats] (hierna: de aanvrager) heeft op 29 december 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd [1] voor het uitbreiden, verbouwen en verduurzamen van de woning en het slopen van een gedeelte van de aangebouwde berging. Het pand bevindt zich in een rijksbeschermd stadsgezicht. Het bouwplan ziet op het uitbreiden van de woning (begane grond en de verdieping) met een diepte van circa 5 meter gemeten vanaf de oorspronkelijke achtergevel. In het linkerdakvlak worden twee dakramen en twee dakkapellen geplaatst en op het rechterdakvlak worden 10 zonnepanelen geplaatst. Om de uitbreiding mogelijk te maken wordt een bestaand aangebouwd bijgebouw gedeeltelijk gesloopt.
Het perceel ligt in het gebied waarvoor het bestemmingsplan “De Parken, Indische Buurt en Beekpark” geldt en heeft de bestemmingen “Wonen-1” en “Waarde - Beschermd stadsgezicht”. Het bouwplan is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan, omdat de maximale oppervlakte van de woning niet meer mag bedragen dan het op de bestemmingsplankaart aangeduide bouwvlak. De uitbreiding van de hoofdbouwmassa ligt buiten het bouwvlak en past niet binnen het in artikel 21.2.2 van de planregels opgenomen bebouwingsschema, onder andere omdat het te hoog is.
Om de omgevingsvergunning toch te kunnen verlenen is het college afgeweken van het bestemmingsplan [2] . Het college heeft daarbij overwogen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat door de afwijking het stedenbouwkundig beeld ter plaatse niet wezenlijk wordt aangetast.
Bij besluit van 4 maart 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
In de beslissing op bezwaar van 30 januari 2025 heeft het college het bezwaarschrift van eiser ontvankelijk verklaard en het primaire besluit onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.
Eiser woont in het buurpand op het adres [locatie 2] in [plaats].
Had het college de omgevingsvergunning in heroverweging moeten weigeren omdat aanvrager is verhuisd?
5. Eiser voert aan dat het college de omgevingsvergunning in de beslissing op bezwaar alsnog had moeten weigeren omdat de aanvrager inmiddels is verhuisd en de nieuwe bewoner heeft aangegeven de woning op termijn misschien te willen verbouwen maar veel kleinschaliger dan met de nu verleende omgevingsvergunning. Daarom had de belangenafweging volgens eiser in zijn voordeel uit moeten.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Het is weliswaar onduidelijk of de omgevingsvergunning nog zal worden uitgevoerd maar het college dient te beslissen op een aanvraag. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de omgevingsvergunning is overgaan op de nieuwe eigenaar van de woning. Het is dan ook niet uitgesloten dat de omgevingsvergunning zal worden gebruikt door de huidige bewoner dan wel de nieuwe bewoners van de woning nu de woning opnieuw te koop staat. Daarnaast is een omgevingsvergunning een zaaksgebonden vergunning. Uit artikel 2.25 van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning als hier aan de orde overdraagbaar is [3] .
Heeft het college de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan kunnen verlenen?
6. Eiser voert aan dat het bouwplan ten onrechte is vergund. Het bouwplan is volgens eiser in strijd met het bestemmingsplan en het college is ten onrechte via de kruimelgevallenregeling [4] van het bestemmingsplan afgeweken. Daarbij is de omgevingsvergunning volgens eiser ook in strijd met het gemeentelijk beleid [5] verleend. Zo stelt het beleid onder andere als voorwaarde dat de aanvraag geen onevenredige afbreuk aan of geen onevenredige hinder/beperkingen (bijvoorbeeld bezonning) oplevert voor aangrenzende of nabije functies en bestemmingen. Ook privacy hoort hierbij. Door het bouwplan wordt nu direct op korte afstand in de woning van eiser gekeken. Ook is er een flinke toename van schaduwwerking volgens eiser.
6.1.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en dat het bestemmingsplan geen binnenplanse mogelijkheid biedt om daarvan af te wijken. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wabo, kan worden afgeweken van de regels van het bestemmingsplan voor de in artikel 4, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), genoemde categorieën gevallen. Het college heeft de beleidsregel “Beleidsregel planologische afwijking als bedoeld in artikel 4 bijlage II Besluit omgevingsrecht (Bor)” opgesteld waarin is bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 4 van bijlage II van het Bor. Het college heeft de uitbreiding van het hoofdgebouw kunnen aanmerken als een bijbehorend bouwwerk zoals omschreven in artikel 1, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor. Daarom kan voor het bouwplan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Dit betekent dat het college bevoegd was om van het bestemmingsplan af te wijken.
Heeft het college de adviezen van de COK en de adviseur cultuurhistorie kunnen volgen?
7. Eiser voert aan dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij geeft eiser aan dat de stedenbouwkundige adviseur en de adviseur cultuurhistorie vraagtekens bij het plan hebben gezet. De verschillende uitgebrachte adviezen komen volgens eiser niet overeen en bepaalde passages komen niet terug in latere welstandsadviezen. De welstandadviezen hadden volgens eiser daarom niet aan de besluitvorming ten grondslag gelegd mogen worden.
7.1.
Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, mag het op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs.
Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.
Stedenbouwkundige beoordeling
7.2.
De rechtbank stelt vast dat er vooroverleg is geweest tussen de aanvrager en de Commissie Omgevingskwaliteit (hierna: COK) en de adviseur cultuurhistorie voorafgaand aan de indiening van de aanvraag omgevingsvergunning. Op 3 augustus 2023 en op 3 oktober 2023 is door de Commissie Omgevingskwaliteit (hierna: COK) geadviseerd over het bouwplan. Daarnaast heeft de adviseur cultuurhistorie op 8 augustus 2023 advies gegeven.
Op 3 augustus 2023 heeft de COK aangegeven:
“Conclusie advies : Akkoord
Aandachtspunten : Wel valt op dat de woningvorm daarbij ook behoorlijk verandert. Het is de vraag of deze extra verspringing in de hoofdbouwmassa op het gebied van vormgeving een meerwaarde vormt t.o.v. de huidige opzet van één verspringing in hoofdbouwmassa en een daar tegenaan geschoven bijgebouw met eigen zadelkap. Dit is echter aan CH en de CieO. De strijdigheden zijn vanuit stedebouwkundig perspectief te verdedigen. Gelet op de beperkte korrelgrootte van het pand leidt de uitbreiding niet tot een te kloek volume. Het wordt gewaardeerd dat men geparticipeerd heeft met de naaste buren. De impact is vanuit het straatbeeld bezien niet groot en ook de effecten op derden worden acceptabel geacht.”
De adviseur cultuurhistorie heeft op 8 augustus 2023 aangegeven:
“niet akkoord tenzij.
Motivering : het betreft een beeldbepalend pand in een rijksbeschermd stadsgezicht. Vanuit dat kader wordt er waarde gehecht aan de hoofdvorm, waar de schuur een wezenlijk deel van uit maakt. Om deze reden wordt er geadviseerd de schuur te handhaven. De uitbreiding van de hoofdvorm is denkbaar. Oplossingsrichting is door te werken met een tussenlid tussen bestaande bebouwing en nieuwbouw. Achterste deel van bijgebouw is akkoord voor sloop. Belangrijk is dat de nieuwbouw hier niet op aansluit. Daarnaast valt de dikte van het dakpakket op. Dit heeft een te grote invloed op de detaillering van de goot en dakranden. Dit dient nader uitgewerkt en overwogen te worden.”
Bij de tweede beoordeling door de COK op 3 oktober 2023 is aangegeven:
“Advies: akkoord, mits
-detail dakrand is nog ter nadere beoordeling
- zonnepanelen uitlijnen met bovenzijde dakraam.”
Vervolgens heeft de aanvrager de omgevingsvergunning aangevraagd op 29 december 2023.
Op 6 februari 2024 heeft de COK de aanvraag beoordeeld en niet akkoord bevonden. Er is aangegeven dat:
“de hoofdopzet is, conform het eerdere vooroverleg, akkoord. Wel wordt geadviseerd om het tussenstuk tussen beide dakkapellen achterwege te laten (uitvoeren in twee afzonderlijke dakkapellen; bestaand dakvlak met bestaande dakpannen doorzetten)”
Naar aanleiding van dit advies heeft de aanvrager de aanvraag aangepast en een tekening gedateerd 7 februari 2024 ingediend. De COK heeft 13 februari 2024 geconstateerd dat het bouwplan is aangepast aan het welstandsadvies en heeft op 20 februari 2024 akkoord gegeven op de aanvraag.
In de beslissing op bezwaar heeft het college overwogen dat:
“Het straatbeeld is het uitgangspunt voor de stedenbouwkundige beoordeling. De impact van de uitbreiding vanuit het straatbeeld bezien is niet groot. De uitbreiding ligt in lijn met de huidige vorm van het hoofdgebouw. Gelet op de beperkte korrelgrootte van het pand leidt de uitbreiding ook niet tot een te kloek volume.
De vormgeving van de woning, de karakteristiek van de gevel en de massa maken dat het een beeldbepalend pand is. In het advies van de Commissie Omgevingskwaliteit d.d. 20 februari 2024 is rekening gehouden met het feit dat het om een beeldbepalend pand gaat. Het gevelbeeld blijft behouden bezien vanuit de voor-, oost- en westzijde en is conform handreikingen voor beeldbepalende elementen. Het beeldbepalende onderdeel van de berging (voorste deel) blijft behouden. Na vooroverleg met de Commissie Omgevingskwaliteit is het bouwplan aangepast zodat de dakkapellen worden opgesplitst. Hierdoor wordt de karakteristiek en de vormgeving van de woning niet aangetast. Het bouwplan doet daarmee geen afbreuk aan het beeldbepalende karakter van het pand.”
Voor zover eiser verwijst naar de opmerking van de COK over de vraag wat de meerwaarde is van de extra verspringing in de hoofdbouwmassa heeft de COK daarbij aangegeven dat dat niet aan hen maar aan de adviseur cultuurhistorie is. De adviseur cultuurhistorie heeft dit vervolgens akkoord bevonden.
Voor zover eiser aangeeft dat de passage over de detail dakrand en uitlijnen zonnepanelen met dakraam uit de advisering is verdwenen zonder toelichting stelt de rechtbank vast dat het bouwplan op basis van de eerdere adviezen van de COK is aangepast op dit punt en dus niet in het advies terug hoefde te keren.
Voor zover eiser aangeeft dat er discussie is over de schuur dan wel berging volgt uit de hiervoor weergegeven adviezen en de beslissing op bezwaar dat het van belang is geacht de voorzijde van de schuur of berging behouden moest blijven gelet op het aanzicht van de voorzijde. De rechtbank begrijpt de verwarring over de benaming omdat in de adviezen is gesproken over schuur terwijl op de tekeningen de schuur is aangeduid als de berging bedoeld.
7.3.
Uit het voorgaande volgt dat vanuit stedenbouwkundig perspectief uitvoerig is meegedacht en geadviseerd over het bouwplan om dit zo passend mogelijk te laten zijn. De rechtbank oordeelt dat de adviezen tijdens het vooroverleg en de adviezen van na de indiening van de aanvraag een samenstellend advies vormen op grond waarvan het positieve advies is genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is het advies op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren gebracht. Indien eiser het advies inhoudelijk had willen bestrijden had het daarom op zijn weg gelegen om een deskundig tegenrapport in te dienen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Waarde-beschermd stadsgezicht
8. Eiser voert aan dat er in de beslissing op bezwaar een koppeling met artikel 27 van de planregels mist en dat ook het onderdeel cultuurhistorie niet is opgenomen. Ten onrechte stelt het college volgens eiser dat uitsluitend de voorkant van het bijgebouw beschermde status zou hebben Aan het pand worden enkele bijzondere kwaliteiten toegedicht. Uit de beslissing op bezwaar is onvoldoende naar voren gekomen en dat geldt ook voor de welstandsadviezen, waarom in het onderhavige geval sloop en verbouwing is toegestaan.
Verder verwijst eiser naar gemeentelijk beleid ten aanzien van karakteristieke panden in het bestemmingsplan “Stadsdeel Noord-West, karakteristieke panden”. Van de genoemde bescherming heeft eiser weinig gemerkt, maar ook een deugdelijke toelichting hierover ontbreekt.
8.1.
Uit de beslissing op bezwaar blijkt dat het college het advies van de commissie bezwaarschriften over heeft genomen. In dit advies is onder punt 2.1 opgenomen dat de betreffende locatie een bestemming “Waarde beschermd stadsgezicht” heeft. Daarna is opgenomen wat dit voor betekenis heeft. Weliswaar is artikel 27 van de planregels niet expliciet genoemd, maar de inhoudelijke elementen uit deze planregel zijn wel opgenomen in het advies van de commissie bezwaarschriften. Dat in de beslissing op bezwaar het onderdeel cultuurhistorie niet expliciet is opgenomen maakt niet dat dit niet is meegenomen door het college in de beoordeling van het bouwplan. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 7.2 is opgenomen is bij het opstellen van de adviezen van de COK ook de adviseur cultuurhistorie betrokken. In het aan de beslissing op bezwaar ten grondslag gelegde advies van de commissie bezwaarschriften staat ook dat meegewogen is dat het pand is aangewezen als beeldbepalend pand en beschermd stadsgezicht. Er is verwezen naar de redengevende beschrijving in het collegebesluit van 10 juni 1997 waarin is opgenomen welke bijzondere kwaliteiten worden toegedicht aan het pand aan de [locatie 1]. De beeldbepalende elementen die zijn meegenomen in de beoordeling zijn: de vormgeving van de woning, de karakteristiek van de gevel en de massa. Hieruit blijkt dat dit onderdeel ook is meegenomen in de totstandkoming van de omgevingsvergunning.
Voor zover eiser heeft verwezen naar het beleid karakteristieke panden, geldt dat dit afkomstig is uit de toelichting van een bestemmingplan dat op deze locatie niet van toepassing is.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van een juiste belangenafweging?
9. Eiser voert aan dat de aan de besluitvorming ten grondslag liggende belangenafweging onvoldoende rekening is gehouden met de negatieve gevolgen die de voorziene uitbreiding van de woning zal hebben voor zijn woongenot omdat de realisering van de omgevingsvergunning bij hem zal leiden tot verlies aan bezonning en privacy.
Eiser voert aan dat door het bouwplan extra schaduw zal ontstaan op zijn perceel. Volgens eiser is de bezonningsstudie die aan de besluitvorming ten grondslag is gelegd gebrekkig en onvolledig en geeft de bezonningstudie geen beeld van de juiste situatie. Volgens eiser had de bezonningsstudie uitgevoerd moeten worden volgens de wijze waarop TNO dit soort onderzoeken uitvoert.
Eiser voert daarnaast aan dat door het bouwplan zijn privacy onaanvaardbaar wordt aangetast. Naast de al bestaande dakkapel wordt er nog een dakkapel aangebracht en twee dakramen. Vanuit de twee dakkapellen ontstaat direct zicht in de woonkamer en serre van eiser. Volgens eiser zijn aan de vergunning ten onrechte geen voorwaarden gekoppeld die zijn privacy waarborgen.
Bezonning
9.1.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) eerder heeft overwogen [6] bestaan er geen wettelijke normen die zien op een minimum aantal zonuren per dag in een woning of op een perceel. De wetgever heeft ervoor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen op dit onderwerp beleidsruimte hebben. Dat neemt niet weg dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging dient plaats te vinden van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarop schaduwhinder een negatieve invloed kan hebben. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dat voldoende gedaan. Hieronder legt de rechtbank uit waarom.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat tijdens de bezwaarprocedure een nieuwe bezonningsstudie is overgelegd van Witteveen architecten. De daarin gehanteerde maatvoering van het bouwplan is niet bestreden. Uit de bezonningsstudie blijkt dat de extra schaduwwerking voor de woning van eiser beperkt is ten opzichte van de maximale bebouwingsmogelijkheden van het perceel. Er is daarom geen sprake van een onevenredige aantasting van de lichtinval dan wel bezonning in de woning van eiser. Het betoog van eiser dat de bezonningsstudie niet bruikbaar zou zijn omdat gebruik is gemaakt van andere datums dan door TNO worden gehanteerd volgt de rechtbank niet. Deze door TNO gebruikte werkwijze is niet wettelijk voorgeschreven. Niet valt in te zien dat door het berekenen van de schaduwwerking op 19 februari, 21 juni en 21 oktober geen volledig overzicht van de schaduwwerking is gemaakt. Gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd bestaan er geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de bezonnningsstudie. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het college zich mocht baseren op de bezonnningsstudie. Indien eiser de bezonnningsstudie inhoudelijk had willen bestrijden dan had hij een deskundig tegenrapport moeten indienen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Privacy
9.3.
Door het bouwplan wordt een tweede dakkapel toegevoegd aan de woning. De bestaande dakkapel is van de badkamer, de nieuwe dakkapel is van een slaapkamer. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat het aanbrengen van de tweede dakkapel betekent dat bewoners van het buurpand zicht krijgen op zijn gehele benedenverdieping van de woonkamer tot en met de serre. Naar het oordeel van de rechtbank is dit aspect voldoende meegewogen in de besluitvorming. In het advies van de commissie bezwaarschriften dat aan de beslissing op bezwaar ten grondslag is gelegd is tot de conclusie gekomen dat de gevolgen voor eiser niet zodanig groot zijn dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren. Daarbij is meegewogen dat in de bestaande situatie reeds een dakkapel aanwezig was. In de nieuwe situatie worden de dakkapellen voor het grootste deel geplaatst ter hoogte van het bestaande dakvlak. Verder is aangegeven dat enige inkijk in een stedelijke omgeving niet ongebruikelijk is.
Uit de bouwtekeningen volgt dat de bestaande dakkapel zal worden verwijderd en hiervoor een nieuwe dakkapel komt die meer aan de voorzijde (richting straatkant) zal worden geplaatst. De tweede dakkapel zal grotendeels op het bestaande dakvlak worden gerealiseerd en zal voor een groot deel in het bestaande dakvlak worden geplaatst waar een dergelijke bebouwing is toegestaan. Slechts een beperkt deel van de tweede dakkapel valt buiten het bestaande bouwvlak.
De rechtbank is van oordeel dat het college in verband hiermede zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het belang van realisering van het bouwplan een groter gewicht toekomt dan aan het belang van eiser.
De beroepsgrond slaagt dan ook niet
Is de gevolgde procedure zorgvuldig geweest?
10. Eiser voert aan dat de omgevingsvergunning onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat daarbij zijn belangen zijn geschonden. Zo is het primaire besluit niet gepubliceerd, zijn de tekeningen onjuist, is het procesdossier in het kader van bezwaar niet volledig overgelegd en heeft eiser sterke twijfels bij de onafhankelijke beoordeling van de aanvraag door het college. Het blijkt dat de aanvrager van de vergunning tevens medewerker is van het college.
Verder is volgens eiser onduidelijk waar de sloopvergunning nu exact op ziet. Het gaat om het gedeeltelijk slopen van een bijgebouw. Onduidelijkheid bestaat of dit de schuur is, de uitbouw of de berging.
10.1.
Uit de gedingstukken blijkt dat de omgevingsvergunning is gepubliceerd in het Gemeenteblad van 6 maart 2024, nummer 101473. Wat betreft de gestelde onjuistheden op de tekeningen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de tekeningen niet juist zijn.
De bouwtekeningen van de nieuwe situatie en de daarin gehanteerde maatvoering zijn bepalend voor de vergunningverlening.
Voor zover eiser aanvoert dat het procesdossier in het kader van bezwaar niet volledig zou zijn overgelegd oordeelt de rechtbank dat niet onderbouwd is op welke punten dat zo zou zijn en of eiser daardoor in zijn belangen is geschaad.
Voor zover eiser twijfels heeft bij de onafhankelijke beoordeling van de aanvraag volgt de rechtbank dat niet. Niet gebleken is dat de aanvrager van de omgevingsvergunning betrokken is geweest bij de voorbereiding van het besluit dan wel bij de beoordeling van het door eiser ingediende bezwaarschrift.
Wat betreft de gestelde onduidelijkheid ten aanzien van de sloop van de schuur heeft het college aangegeven dat dit ziet op het aangebouwde bijgebouw.
De beroepsgrond slaagt niet.
11. Gelet op hetgeen hiervoor allemaal is overwogen oordeelt de rechtbank dat het college tot de conclusie heeft kunnen komen dat geen sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening en dat het college, om de omgevingsvergunning te verlenen, in redelijkheid heeft kunnen afwijken van het bestemmingsplan.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt dus geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De aanvraag ziet op de activiteiten bouwen, afwijken bestemmingsplan en slopen op grond van artikel 2.1., eerste lid, onder a en c en h van de Wabo.
2.Op grond van het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wabo, kan worden
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1633.
4.De regeling zoals bedoeld op grond van het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wabo in samenhang met artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
5.[website].
6.Zie de uitspraken van de Afdeling van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1515, 10 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:279 en 2 juli 2025 ECLI:NL:RVS:2025:3003.