ECLI:NL:RBGEL:2025:10968

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
ARN 24/2810
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een beroep tegen een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank Gelderland het beroep van eiser tegen de beslissing van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem om hem een last onder dwangsom op te leggen. Eiser, eigenaar van een woning in Arnhem, heeft zonder de benodigde omgevingsvergunning een berging en twee erfafscheidingen gerealiseerd in zijn achtertuin, gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘Burgemeesterswijk Transvaalbuurt 2013’. De rechtbank behandelt het beroep op 31 oktober 2025, waarbij eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigde van het college, en een derde-partij met gemachtigde aanwezig zijn. De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft besloten dat er sprake is van een overtreding, aangezien de gerealiseerde bouwwerken niet voldoen aan de bestemmingsplanregels die de inrichting van de gronden met de bestemming ‘Groen’ beperken.

De rechtbank concludeert dat de berging niet op gronden staat die als ‘erf’ kunnen worden aangemerkt, omdat het bestemmingsplan deze inrichting niet toestaat. Eiser betoogt dat er geen omgevingsvergunning vereist is voor de bouw en het gebruik van de berging en de erfafscheidingen, maar de rechtbank wijst dit argument af. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de beslissing op bezwaar in stand blijft. Eiser krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2810

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. A.P. Loo),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, het college

(gemachtigde: mr. M. van Rijbroek).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij], uit [plaats], derde-partij
(gemachtigde: mr. F.B.M. van Aanhold).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing van het college om hem een last onder dwangsom op te leggen.
1.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigde van het college, derde-partij en zijn gemachtigde. Het beroep is gelijktijdig met de beroepen in zaaknummers 24//2492, 24/2599, 24/2806 en 24/2809 behandeld.

Procesverloop

2. Eiser is eigenaar van de woning en het bijbehorende perceel aan het [locatie] in [plaats]. Eiser heeft een berging [1] en twee erfafscheidingen [2] gerealiseerd in zijn achtertuin.
2.1.
Het perceel van eiser is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘Burgemeesterswijk Transvaalbuurt 2013’ (bestemmingsplan). Op het gedeelte waarop de berging en de erfafscheidingen zijn gerealiseerd rust de bestemming ‘Groen’. Verder rusten er op de gronden van het perceel de bestemmingen ‘Tuin’ en ‘Wonen’.
2.2.
Op 15 februari 2023 heeft de derde-partij een handhavingsverzoek ingediend. In dit verzoek stelt de derde-partij onder meer dat eiser bouwwerken heeft gerealiseerd die zijn gesitueerd op de groenbestemming.
2.3.
Op 5 april 2023 heeft een toezichthouder ter plaatse een controle uitgevoerd. Tijdens dit bezoek constateerde de toezichthouder dat een berging en twee erfscheidingen zijn geplaatst zonder de benodigde omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan. Dit heeft geleid tot het voornemen voor het opleggen van een last onder dwangsom van 19 juni 2023 en uiteindelijk tot het opleggen daarvan op 7 juli 2023 (het primaire besluit). De last houdt in dat eiser de berging moet verwijderen en verwijderd moet houden en de erfafscheidingen moet verlagen tot 1 meter hoogte dan wel de erfafscheidingen moet verwijderen en verwijderd moet houden. [3]
2.4.
Op 19 juli 2023 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
2.5.
Op 22 maart 2024 heeft het college een beslissing op bezwaar van eiser genomen (de beslissing op bezwaar). In deze beslissing op bezwaar heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarentegen heeft het college het primaire besluit wel gewijzigd. Eiser kan reeds, voor zover de last ziet op de erfafscheidingen, voldoen aan de last door de erfafscheidingen te verlagen tot 2 meter hoogte.
2.6.
Op 16 april 2024 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank op het beroep van eiser.
2.7.
Op 1 mei 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de beslissing op bezwaar van 22 maart 2024 aan de hand van de argumenten van eiser, de beroepsgronden.
4. De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
5.1.
Bij besluit van 7 juli 2023 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Beroepsgronden

Is sprake van een overtreding?
6. Eiser betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten dat sprake is van een overtreding. Eiser voert hiertoe aan dat er geen omgevingsvergunning is vereist voor de bouw en het gebruik van de berging en de realisatie van de erfafscheidingen tot een hoogte van 2 meter op grond van artikel 2, bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Eiser stelt zich op het standpunt dat de gronden, waarop de bestemming ‘Groen’ rust, behoren tot het achtererfgebied als bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Bor. Dit standpunt onderbouwt eiser met het argument dat er planologisch geen beperking is om de gronden met de bestemming ‘Groen’ te gebruiken ten behoeve van het hoofdgebouw. Ter onderbouwing van dit argument verwijst eiser naar verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waarin volgens eiser in vergelijkbare gevallen is geoordeeld dat sprake was van een achtererf. [4] Verder onderbouwt eiser dit standpunt met het argument dat eiser de gronden met de bestemming ‘Groen’ feitelijk heeft ingericht ten behoeve van de woning en daarmee heeft ingericht als ‘erf’. Ter onderbouwing van dit argument heeft eiser verschillende foto’s ingebracht waaruit deze inrichting blijkt. Verder heeft eiser ook gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024. [5] Uit deze uitspraak volgt volgens eiser dat wanneer de planwetgever vergunningsvrije bouwmogelijkheden in een bestemmingsplan wil uitsluiten hij daartoe een expliciet verbod in de planregels moet opnemen, dat inhoudt dat inrichting van de specifieke gronden ten dienste van het gebruik van het hoofdgebouw wordt verboden.
6.1.
De woning, de berging en de erfafscheidingen zijn gelegen op het perceel. Op het gedeelte van het perceel waarop de berging en de erfafscheidingen zijn gesitueerd, rust de bestemming ‘Groen’. Artikel 8.1 van de planregels bepaalt dat de voor ‘Groen’ aangewezen gronden bestemd zijn voor groenvoorzieningen, watergangen, waterpartijen, waterinfiltratievoorzieningen en andere voorzieningen voor de waterhuishouding, fiets- en wandelpaden, straatmeubilair en speelvoorzieningen. Verder mogen op de gronden met de bestemming ‘Groen’ op grond van artikel 8.2 van de planregels uitsluitend in de gegeven bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
6.2
Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of het college terecht heeft besloten dat de gronden met de bestemming ‘Groen’ niet zijn aan te merken als ‘erf’, zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor, merkt de rechtbank het volgende op. In de beslissing op bezwaar heeft het college besloten dat eiser aan de last kan voldoen door de erfafscheidingen te verlagen tot 2 meter hoogte. De bovenstaande beroepsgrond voor zover die ziet op de gerealiseerde erfafscheidingen treft hierdoor geen doel. In de beslissing op bezwaar is de beroepsgrond van eiser, voor zover die ziet op de erfafscheidingen, reeds ingewilligd. Gelet hierop komt de rechtbank alleen toe aan de beoordeling van bovenstaande beroepsgrond voor zover die ziet op de bouw en het gebruik van de berging.
6.4
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is een op de grond staand bijbehorend bouwwerk op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor onder bepaalde voorwaarden vergunningsvrij als het in het achtererfgebied staat. Voor het antwoord op de vraag of een perceelsgedeelte tot het achtererfgebied behoort, is van belang of het kan worden aangemerkt als erf in de zin van artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor. Een erf is in dat artikel als volgt gedefinieerd: "al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden". [6]
6.5
De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft besloten dat de berging niet op gronden staat die aan te merken zijn als ‘erf’, zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor. Alhoewel het perceelsgedeelte feitelijk is ingericht ten dienste van het nabijgelegen hoofdgebouw, namelijk als tuin, is de rechtbank van oordeel dat het bestemmingsplan deze inrichting niet toestaat. De voorzieningen die op grond van artikel 8.1 van de planregels zijn toegestaan zijn niet gerelateerd aan een gebruik ten behoeve van een woning. Gelet hierop gaat de verwijzing door eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024 niet op. Los van de omstandigheid dat in die procedure het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan voor lag, blijkt uit de betreffende uitspraak dat ook de daadwerkelijke inrichting van de betreffende gronden als ‘erf’ ook niet mogelijk moet zijn, als de planwetgever expliciet gronden heeft uitgesloten van het ‘achtererf’. [7] De verwijzing door eiser naar de andere uitspraken van de Afdeling gaat ook niet op. Naast het feit dat ook in die procedures het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan voor lag, blijkt uit de betreffende uitspraken dat oftewel 'tuinen en terreinen’ waren toegestaan op gronden met de bestemming ‘Groen’ [8] dan wel een andere bestemming, zoals ‘tuinen’ [9] rustte op de betreffende gronden. Nu het bestemmingsplan de inrichting van de gronden ten dienste van het hoofdgebouw niet toestaat, is reeds hierom geen sprake van een erf, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid van bijlage II van het Bor. Dat de gronden feitelijk zijn ingericht ten behoeve van de woning en als erf worden gebruikt, leidt niet tot de conclusie dat deze gronden toch als erf als bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Bor moeten worden aangemerkt. Het feitelijk gebruik is niet van betekenis voor de uitleg van het bestemmingsplan. [10]
6.7
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beslissing op bezwaar in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De berging heeft de volgende afmetingen: 2,63 meter hoog, 4,06 meter breed en 3,10 meter diep.
2.De erfafscheiding aan de noordzijde heeft de volgende afmetingen: 6 meter lang en 2,26 meter hoog. De erfafscheiding aan de zuidzijde heeft de volgende afmetingen: 8 meter lang en 2,10 meter hoog.
3.Het college heeft in de last besloten dat sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2931 en de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1086.
5.Uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2710.
6.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:536 en de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4816.
7.Uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2710, 11.4.
8.Dit was het geval bij de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1086
9.Dit was het geval bij de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2931.
10.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:732, r.o. 4.2.