Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiseres tegen het door het college van gedeputeerde staten van Gelderland verleende besluit tot ontheffing van het verbod om de vos te doden, zoals vastgelegd in het Faunabeheerplan vos 2021-2027. Eiseres betwistte de goedkeuring van het plan en de ontheffing, stellende dat onvoldoende gegevens zijn verzameld over de impact van vospredatie op weidevogels en dat alternatieve maatregelen onvoldoende zijn benut.
De rechtbank oordeelt dat het college voldoende heeft aangetoond dat de vos een significante predator is van weidevogels en dat de ontheffing noodzakelijk is om de achteruitgang van deze vogels te stoppen. Het college heeft gemotiveerd dat andere maatregelen onvoldoende effectief zijn en dat het doden van de vos, met name ’s nachts met gebruik van kunstlicht, een noodzakelijke en proportionele maatregel is.
Verder concludeert de rechtbank dat de ontheffing geen afbreuk doet aan het streven om de vos in een gunstige staat van instandhouding te behouden. De alternatieven die eiseres aandraagt, zoals verbetering van het broedhabitat, zijn niet gericht op de directe bescherming tegen vospredatie en zijn daarom niet doorslaggevend. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de ontheffing en het faunabeheerplan in stand blijven.