ECLI:NL:RBGEL:2020:5422

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 oktober 2020
Publicatiedatum
12 oktober 2020
Zaaknummer
8253245
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
artikel II.16 algemene voorwaarden
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering courtage wegens geleverd tegenbewijs door makelaar

In deze zaak vordert eiser, een makelaars-BV, betaling van courtage van gedaagde, eveneens een BV, wegens verkoop van een onroerende zaak binnen drie maanden na het beëindigen van de makelaarsovereenkomst. Eiser stelt dat gedaagde tijdens de overeenkomst onderhandelingen voerde en dat de verkoop verband houdt met haar dienstverlening, waardoor courtage verschuldigd is.

Gedaagde betwist dit en voert aan dat zij slechts een vast bedrag van €605 verschuldigd is en dat er geen verband bestaat tussen de verkoop en de dienstverlening van eiser. De rechtbank stelt vast dat de verkoop binnen drie maanden na het einde van de overeenkomst heeft plaatsgevonden, waardoor het verband wordt vermoed, maar dat gedaagde tegenbewijs heeft geleverd met een verklaring van de koper waarin wordt gesteld dat de koopovereenkomst mondeling in april 2019 tot stand kwam zonder betrokkenheid van eiser.

De rechtbank oordeelt dat dit tegenbewijs voldoende is om het vermoeden te ontzenuwen. Daarnaast heeft eiser onvoldoende gesteld omtrent onrechtmatig handelen van gedaagde. De vordering wordt daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot betaling van courtage wordt afgewezen wegens geleverd tegenbewijs.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 8253245 \ CV EXPL 20-392 \ 42693 \ 32568
uitspraak van 14 oktober 2020
vonnis
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser]
gevestigd te [vestigingsplaats]
eisende partij
gemachtigde mr. O.N.J. Maatje
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] .
gevestigd te [vestigingsplaats]
gedaagde partij
gemachtigde mr. P.J.A. Nieuwland
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 augustus 2020 en de daarin genoemde processtukken
- de akte uitlating aan de zijde van [eiser] .

2.De verdere beoordeling van het geschil

2.1.
De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 19 augustus 2020.
2.2.
[eiser] legt aan haar vordering tot betaling van een bedrag ter hoogte van de courtage ten grondslag dat (i) [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met de overeenkomst door onderhandelingen over [de onroerende zaak] te voeren tijdens de overeenkomst met [eiser] , (ii) de verkoop van [de onroerende zaak] verband houdt met de dienstverlening van [eiser] ; en [gedaagde] in beide gevallen op grond van de overeenkomst de courtage verschuldigd is en dat (iii) [gedaagde] onrechtmatig jegens heeft gehandeld.
2.3.
[gedaagde] voert als verweer aan dat zij geen courtage verschuldigd is, omdat zij op grond van de ‘Nadere afspraken’ in de overeenkomst het bedrag van € 605,00 verschuldigd is. Daarnaast heeft zij betwist dat de verkoop van [de onroerende zaak] verband houdt met de dienstverlening van [eiser] en dat zij tijdens de overeenkomst met [eiser] onderhandelingen geeft gevoerd met betrekking tot de verkoop van [de onroerende zaak].
2.4.
Nog daargelaten of de afspraak van de € 605,00 in de plaats komt van de courtage, heeft het volgende te gelden. Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] onder andere courtage verschuldigd is als zij buiten [eiser] om tijdens de looptijd van de overeenkomst onderhandelingen voert over de verkoop van [de onroerende zaak] en/of als de koopovereenkomst met betrekking tot [de onroerende zaak], nadat de overeenkomst met [eiser] is opgezegd, tot stand komt en de verkoop verband houdt met de dienstverlening door [eiser] . Dit verband wordt verondersteld aanwezig te zijn indien de koopovereenkomst binnen drie maanden na het einde van de overeenkomst met [eiser] tot stand is gekomen, behoudens tegenbewijs (artikel II.16 algemene voorwaarden).
2.5.
[eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] tijdens de overeenkomst tussen partijen heeft onderhandeld met [bedrijf 1] . over de verkoop van [de onroerende zaak] en daardoor courtage verschuldigd is. [eiser] onderbouwt deze stelling door te verwijzen naar een e-mail van 2 april 2019 van een medewerker van haar aan [gedaagde] , waarin wordt vermeld dat [eiser] ‘
in de markt[heeft]
vernomen’ dat [de onroerende zaak] direct na het eindigen van de overeenkomst met [eiser] is verkocht. [gedaagde] betwist op haar beurt dat zij voor het eindigen van de overeenkomst met [eiser] onderhandelingen heeft gevoerd over [de onroerende zaak].
2.6.
Gelet op het verweer van [gedaagde] heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd dat [gedaagde] voor het eindigen van de overeenkomst tussen partijen onderhandelingen heeft gevoerd met betrekking tot de verkoop van [de onroerende zaak]. De verwijzing naar een namens haarzelf gestuurde e-mail en de daarin niet onderbouwde verwijzing naar kennis uit ‘de markt’ zijn daarvoor onvoldoende.
2.7.
Wel staat vast dat [gedaagde] [de onroerende zaak] binnen drie maanden na het eindigen van de overeenkomst met [eiser] heeft verkocht aan [bedrijf 2] . Dat heeft tot gevolg dat op grond van het in II.16 in de algemene voorwaarden bepaalde een verband wordt verondersteld tussen de totstandkoming van de overeenkomst en de dienstverlening van [eiser] , behoudends tegenbewijs. [gedaagde] is daarom in beginsel courtage aan [eiser] verschuldigd.
2.8.
[gedaagde] voert echter aan dat zij tegenbewijs heeft geleverd tegen het vermoeden uit genoemd artikellid. [gedaagde] heeft daartoe een verklaring van [directeur van bedrijf 2] , directeur van [bedrijf 2] , in het geding gebracht. In de verklaring staat onder meer:

De levering van deze onroerende zaak[[de onroerende zaak]]
is de uitvoering van een koop-/verkoopovereenkomst die in april 2019 mondeling is gesloten. Voor mij is het niet mogelijk om een exacte datum van koop/verkoop te noemen, omdat de koop/verkoop op basis van diverse besprekingen met [directeur van gedaagde partij] (de directeur van [gedaagde] ) heeft plaatsgevonden. Wij voerden deze gesprekken vanaf maart tot en met april. De overeenkomst zal in ieder geval in de week na 26 april zijn gesloten.
Op 1 maart heb ik de heer [gedaagde] benaderd omdat ik van een wederzijdse relatie, de heer [naam] hoorde dat hij van [directeur van gedaagde partij] had vernomen dat hij zijn pand wilde verkopen. Naar aanleiding van deze mededeling heb ik contact opgenomen met de heer [gedaagde] .
(…)
Ik heb [eiser] Bedrijfshuisvesting nimmer benaderd en zij hebben mij ook nimmer benaderd voor de koop/verkoop van het pand.
2.9.
Voor het slagen van tegenbewijs is voldoende dat het door de andere partij geleverde bewijs wordt ontzenuwd (HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3807; HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0613). [gedaagde] hoeft daarom niet te bewijzen dat de verkoop binnen drie maanden na het opzeggen van de overeenkomst geen verband houdt met de dienstverlening door [eiser] . [gedaagde] hoeft alleen het vermoeden van dat verband te ontzenuwen. Dat heeft zij gedaan met de verklaring van [directeur van bedrijf 2] waaruit volgt dat er geen verband was tussen [eiser] en de koop, zoals [gedaagde] ook aanvoert.
2.10.
Dat [gedaagde] tegenstrijdig zou hebben verklaard over de datum van de koop is in de eerste plaats maar zeer de vraag; [directeur van bedrijf 2] schetst immers een gradueel proces van toenadering, waardoor het niet vreemd is dat de verkoopdatum niet goed valt vast te pinnen op een specifieke datum. In de tweede plaats is dit niet relevant. Het beslissende vraagpunt is niet wanneer de overeenkomst is gesloten, maar of de verkoop verband houdt met de dienstverlening van [eiser] . De verdere stelling dat [bedrijf 1] . als dochterbedrijf van [bedrijf 2] eerder een overeenkomst met [gedaagde] had, maakt niet dat de verklaring van [directeur van bedrijf 2] niet betrouwbaar is, nu deze stelling – zoals hiervoor al is overwogen – niet onderbouwd is.
2.11.
Het tegenbewijs is dus geleverd. Dit heeft tot gevolg dat de door [eiser] aangevoerde grondslag voor de vordering ontbreekt. [eiser] heeft geen terzake dienend bewijsaanbod gedaan, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.
2.12.
Daarnaast heeft [eiser] onvoldoende gesteld welke gedragingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn, zodat de vordering ook op grond van een onrechtmatige daad niet tot toewijzing van de vordering kan leiden.
2.13.
Concluderend kunnen de door [eiser] aangevoerde grondslagen de vordering niet dragen.
2.14.
[eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. Er zal één punt aan salaris gemachtigde worden toegekend, nu de gemachtigde van [gedaagde] enkel de conclusie van dupliek heeft genomen.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [gedaagde] begroot op € 360,00 aan salaris voor de gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2020.