ECLI:NL:RBGEL:2020:4503
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schorsende werking hoger beroep tegen terugvordering Wajong-uitkering
Eiser ontving een Wajong-uitkering die achteraf deels onterecht werd toegekend, waarna het UWV een terugvordering instelde. De rechtbank had eerder deze terugvordering vernietigd en herroepen, maar het UWV stelde hoger beroep in. Eiser betoogde dat het UWV daardoor geen onderzoek naar zijn afloscapaciteit mocht doen, omdat de grondslag van de terugvordering was vervallen.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 8:106 Awb Pro en artikel 9 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak het ingestelde hoger beroep schorsende werking heeft. Dit betekent dat de uitspraak van de rechtbank, die de terugvordering schorst, ook geschorst wordt door het hoger beroep. Hierdoor mag het UWV het inkomens- en vermogensonderzoek voortzetten.
De rechtbank verwierp het betoog van eiser dat artikel 8:106 Awb Pro ruimte biedt voor een belangenafweging en benadrukte dat dit artikel dwingendrechtelijk is. Pas als uit het onderzoek blijkt dat eiser middelen heeft om de vordering te voldoen, moet het UWV een belangenafweging maken over invordering. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot voortzetting van inkomens- en vermogensonderzoek is ongegrond verklaard.