ECLI:NL:CRVB:2018:2892

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 september 2018
Publicatiedatum
21 september 2018
Zaaknummer
17/8308 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen weigering WIA-uitkering na gewijzigde beslissing

Appellante was huishoudelijk medewerkster en meldde zich ziek in september 2013. Het UWV kende haar een WIA-uitkering toe, die in december 2014 werd beëindigd wegens het niet langer arbeidsongeschikt zijn. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in augustus 2015, stelde het UWV in juli 2016 vast dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de WIA-uitkering toe te kennen. Het bezwaar van appellante tegen deze weigering werd in januari 2017 ongegrond verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Tijdens het hoger beroep nam het UWV in maart 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar, waarin het bezwaar van appellante alsnog werd gegrond verklaard en werd vastgesteld dat zij per mei 2016 recht had op een WGA-uitkering. Appellante kon zich met deze beslissing verenigen maar verzocht toch om uitspraak voor precedentvorming.

De Raad oordeelde dat het besluit van maart 2018 volledig tegemoetkomt aan het bezwaar van appellante en dat het procesbelang voor het hoger beroep daardoor is komen te vervallen. De Raad is slechts bevoegd om geschillen te beslechten en niet om louter principiële vragen te beantwoorden. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen procesbelang na gewijzigde beslissing van het UWV.

Uitspraak

17.8308 WIA, 18/2905 WIA

Datum uitspraak: 19 september 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
23 november 2017, 17/718 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H. Akbaba, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op 28 maart 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft hierop gereageerd.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is een onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is werkzaam geweest als huishoudelijk medewerkster voor circa 40 uur per week. Appellante heeft zich op 23 september 2013 ziek gemeld. Het Uwv heeft appellante per 28 oktober 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De uitkering is met ingang van 30 december 2014 beëindigd omdat appellante niet langer arbeidsongeschikt was.
1.2.
Na beoordeling van de melding van appellante van 7 augustus 2015 dat zij toegenomen arbeidsongeschikt was, heeft het Uwv bij besluit van 6 juli 2016 vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij besluit van 11 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 juli 2016 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Hangende de procedure in hoger beroep heeft het Uwv op 28 maart 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Hierin is bepaald dat het bestreden besluit wordt gewijzigd, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 juli 2016 alsnog gegrond wordt verklaard en dat wordt vastgesteld dat appellante per 10 mei 2016 recht heeft op een
WGA-loongerelateerde uitkering op grond van de Wet WIA. Het Uwv heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellante niet geschikt is voor de functie medewerker plantenkwekerij.
3.2.
Appellante kan zich verenigen met het besluit van 28 maart 2018. Zij verzoekt de Raad toch uitspraak te doen in het kader van precedentvorming voor de vaststelling dat in de functie van medewerker plantenkwekerij sprake is van een verhoogd persoonlijk risico en beroepsmatig chauffeuren.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Vastgesteld wordt dat het besluit van 28 maart 2018 geheel tegemoetkomt aan het bezwaar van appellante tegen het bestreden besluit. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb wordt dit besluit niet in de beoordeling betrokken.
4.2.
Voorts is aan de orde de vraag of sprake is van een voldoende procesbelang bij een uitspraak op het hoger beroep. Van voldoende procesbelang is sprake als het resultaat dat de indiener van het hoger beroepschrift met het indienen van het hoger beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Daarbij heeft de Raad meermalen uitgesproken dat hij slechts is geroepen tot beslechting van geschillen en niet tot beantwoording van uitsluitend principiële vragen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 6 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:327). Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874).
4.3.
Het hoger beroep dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat het procesbelang is komen te vervallen. Het Uwv is volledig tegemoetgekomen aan wat appellante met dit hoger beroep wilde bereiken. Het resultaat dat appellante binnen de omvang van dit geding kon bereiken is reeds met het besluit op bezwaar van 28 maart 2018 gerealiseerd. Dit betekent dat appellante geen in rechte te respecteren procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Voor zover appellante om redenen van precedentvorming een inhoudelijke uitspraak wenst, is dat, gelet op wat in 4.2 is overwogen, geen voldoende procesbelang.
5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en op € 501,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.503,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.503,-;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2018.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) J.R. Trox

TM