Appellante was huishoudelijk medewerkster en meldde zich ziek in september 2013. Het UWV kende haar een WIA-uitkering toe, die in december 2014 werd beëindigd wegens het niet langer arbeidsongeschikt zijn. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in augustus 2015, stelde het UWV in juli 2016 vast dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de WIA-uitkering toe te kennen. Het bezwaar van appellante tegen deze weigering werd in januari 2017 ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Tijdens het hoger beroep nam het UWV in maart 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar, waarin het bezwaar van appellante alsnog werd gegrond verklaard en werd vastgesteld dat zij per mei 2016 recht had op een WGA-uitkering. Appellante kon zich met deze beslissing verenigen maar verzocht toch om uitspraak voor precedentvorming.
De Raad oordeelde dat het besluit van maart 2018 volledig tegemoetkomt aan het bezwaar van appellante en dat het procesbelang voor het hoger beroep daardoor is komen te vervallen. De Raad is slechts bevoegd om geschillen te beslechten en niet om louter principiële vragen te beantwoorden. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.