Eiser, voormalig enig aandeelhouder van diverse failliete vennootschappen, stelde een voorziening te mogen vormen voor borgstellingsverplichtingen uit 2014. Deze borgstellingen betroffen aanzienlijke leningen verstrekt door Rabobank en een schuld aan NV [bedrijfI].
De Belastingdienst had de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2014 vastgesteld zonder de door eiser geclaimde voorzieningen te accepteren, omdat volgens verweerder geen redelijke mate van zekerheid bestond dat betaling zou plaatsvinden. Eiser stelde dat hij na beëindiging van zijn persoonlijk faillissement in 2018 nog steeds hoofdelijk aansprakelijk was en in de toekomst inkomsten zou ontvangen om de schulden af te lossen.
De rechtbank oordeelde dat eiser zijn stellingen omtrent toekomstige verdiencapaciteit en uitkeringen niet had onderbouwd en dat zijn financiële positie in 2014 en daarna slecht was. Gelet hierop achtte de rechtbank het zo goed als zeker dat eiser niet tot betaling van de borgstellingsverplichtingen zal komen, waardoor het vormen van voorzieningen niet toegestaan was.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aanslag van de Belastingdienst gehandhaafd. De rechtbank zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.