Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van
[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,
Procesverloop
Overwegingen
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar van verzoeker ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De aankondiging van het medisch onderzoek waaraan verzoeker moet deelnemen is namelijk een nadere concretisering van de van rechtswege aan de bijstand verbonden verplichting vermeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Pw. De verplichting om mee te werken aan een medisch onderzoek is immers een concrete invulling van de in de wettekst genoemde verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 oktober 2010. [1] De brief van 27 maart 2019 is om deze reden op rechtsgevolg gericht en moet dan ook in zoverre worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
www.9292ov.nl). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2019 ongegrond;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- gelast dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht groot € 94,- (2 x € 47,- voor zowel het verzoek om een voorlopige voorziening als het beroep) aan hem vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 9,60.