AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing adoptie meerderjarige wegens bijzondere omstandigheden en belang kind
De rechtbank Gelderland behandelde het verzoek tot adoptie van een meerderjarige, ingediend door adoptiefvader en moeder, waarbij het kind sinds haar zesde levensjaar in het gezin van adoptiefvader leefde. Hoewel de wet minderjarigheid vereist voor adoptie, oordeelde de rechtbank dat bijzondere omstandigheden en het belang van het kind een afwijking rechtvaardigen.
De feiten toonden aan dat het kind een hechte ouder-kindrelatie met adoptiefvader heeft, geen contact met haar biologische vader onderhoudt en dat verzoekers jarenlang in de veronderstelling leefden dat de adoptie reeds had plaatsgevonden door naamswijziging. De rechtbank verwees naar eerdere jurisprudentie waarin het weigeren van adoptie onder bijzondere omstandigheden een inbreuk op artikel 8 EVRMPro kan vormen.
De rechtbank concludeerde dat het belang van het kind en de feitelijke gezinsrelatie zwaarder wegen dan de wettelijke minderjarigheidseis. Het verzoek werd daarom toegewezen, en de ambtenaar van de Burgerlijke Stand werd gelast de adoptie te registreren. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot adoptie van de meerderjarige toe vanwege bijzondere omstandigheden en het belang van het kind.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 312163 FZ RK 16/3042
beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 24 april 2017
op het verzoek van:
[naam adoptiefvader] ,
verder te noemen adoptiefvader,
en
[naam moeder],
verder te noemen de moeder,
en
[naam kind 1],
verder te noemen [naam kind 1] ,
allen wonende op een geheim adres,
advocaat: mr. M. Mook te Groningen.
Het procesverloop
Dit verloop blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 1 december 2016;
de brief van de vader van 20 februari 2017;
het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting van 4 april 2017.
De feiten
Op [datum] 1966 te [plaatsnaam] is geboren:
[naam kind 1] ,
als dochter van [naam moeder] , de moeder, en [vader] , de vader.
Op [datum] 1972 te [plaatsnaam] zijn adoptiefvader en de moeder met elkaar gehuwd.
Uit dit huwelijk is op [datum] 1976 in de gemeente [plaatsnaam] geboren:
[naam kind 2] .
Op [datum] 1978 is de geslachtsnaam van [naam kind 1] gewijzigd in [geslachtsnaam adoptiefvader] .
[naam kind 1] is op [datum] 1987 in de gemeente [plaatsnaam] gehuwd met [naam echtgenoot] .
Het verzoek
Verzoekers verzoeken dat de rechtbank de adoptie zal uitspreken van:
[naam kind 1] , geboren op [datum] 1966 te [plaatsnaam] ,
door
[naam adoptiefvader] , geboren op [datum] 1944 te [plaatsnaam] .
Verzoekers hebben gesteld – kort samengevat – dat adoptie in het belang is van [naam kind 1] en dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de adoptie, ondanks de meerderjarigheid van [naam kind 1] , wordt uitgesproken. Zij beroepen zich op de bescherming van het recht op familieleven als bedoeld in artikel 8 vanPro het Europees Verdrag van de rechtbank van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De beoordeling
Blijkens de brief van 20 februari 2017 voert de vader geen verweer tegen het onderhavige verzoek.
De echtgenoot van [naam kind 1] heeft eveneens geen verweer gevoerd tegen het onderhavige verzoek.
Naar het oordeel van de rechtbank is adoptiefvader ontvankelijk in zijn verzoek, nu aan de in de artikel 1:227 lid 2 BurgerlijkPro Wetboek (BW) gestelde samenlevingstermijn is voldaan.
Ingevolge artikel 1:227 lid 3 BWPro kan een verzoek tot adoptie enkel worden toegewezen, indien:
de adoptie in het kennelijk belang van het kind is,
op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en
aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1:228 BWPro wordt voldaan.
Uit de inhoud van de overgelegde stukken en het besprokene ter terechtzitting is de rechtbank genoegzaam gebleken dat adoptie in het kennelijk belang van [naam kind 1] is en dat zij van haar vader in de hoedanigheid van vader niets meer te verwachten heeft.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:228 lid 1 sub a BWPro is een voorwaarde voor adoptie onder meer dat het kind op de dag van het eerste verzoek tot adoptie minderjarig is.
Vaststaat dat [naam kind 1] ten tijde van de indiening van het verzoekschrift op 1 december 2016 meerderjarig was, zodat niet voldaan is aan de in artikel 1:288 lid 1 sub a BWPro gestelde voorwaarde van minderjarigheid, hetgeen volgens voormeld wetsartikel reeds om die reden tot een afwijzing van het verzoek zou leiden.
Het enkele feit dat niet wordt voldaan aan de in artikel 1:228 lid 1 sub a BWPro gestelde eis, behoeft echter naar het oordeel van de rechtbank gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval een toewijzing van het adoptieverzoek niet in de weg te staan. De rechtbank verwijst onder meer naar de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 juli 2011, ECLI:NL:GHSE:2011:BR2746 en de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 29 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1162.
Beide hoven hebben geoordeeld dat het weigeren van adoptie onder bijzondere omstandigheden een inbreuk op artikel 8 EVRMPro met zich kan brengen. Indien blijkt van bijzondere omstandigheden kan een terzijdestelling van een dwingendrechtelijke nationale bepaling daarmee gerechtvaardigd zijn.
Uit de inhoud van de overgelegde stukken en het besprokene ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat [naam kind 1] vanaf haar zesde levensjaar tot aan haar huwelijk in 1987 in het gezin van adoptiefvader en de moeder leefde, dat er tussen haar en adoptiefvader een ouder-kind relatie is ontstaan en dat zij mede door de heftige gebeurtenissen in het verleden – waaronder de ernstige ziekte van haar zusje – een sterke en hechte band heeft met de gezinsleden, dat zij nimmer contact heeft en heeft gehad met haar biologische vader en dat zij van hem in de hoedanigheid van vader niets te verwachten heeft. Voorts is de rechtbank ter zitting gebleken dat adoptiefvader en de moeder in 1978 door een dominee van de kerk en een politiefunctionaris zijn geholpen bij de aanvraag van een geslachtsnaamwijziging van [naam kind 1] en dat verzoekers tot voor kort in de veronderstelling leefden dat er reeds door wijziging van de geslachtsnaam van [naam kind 1] een juridische band tussen [naam kind 1] en adoptiefvader was ontstaan. Adoptiefvader en de moeder hebben nimmer juridisch advies ingewonnen en verzoekers zijn ook op andere momenten nooit geconfronteerd met het feit dat er geen sprake is van een familierechtelijke band tussen [naam kind 1] en haar adoptiefvader. Eerst op 3 maart 2016 hebben [naam kind 1] en haar echtgenoot van een notaris begrepen dat er geen sprake is van een adoptie, waarna verzoekers het onderhavige verzoekschrift bij deze rechtbank hebben ingediend om alsnog de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Verzoekers hebben aldus al die jaren in de veronderstelling geleefd dat [naam kind 1] geadopteerd was door adoptiefvader.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden dat een weigering van een adoptie van [naam kind 1] door adoptiefvader een ongeoorloofde inmenging oplevert op het tussen hen beiden bestaande familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRMPro, zodat een terzijdestelling van artikel 1:228 lid 1 sub a BWPro in dit geval gerechtvaardigd is. De rechtbank acht het in het belang van [naam kind 1] dat haar juridische status in overeenstemming wordt gebracht met de sinds jaar en dag bestaande sociale en emotionele realiteit van de tussen haar en de overige gezinsleden bestaande gezinsleven.
Nu de belanghebbenden geen verweer hebben gevoerd tegen het onderhavige verzoek en aan de overige voorwaarden van artikel 1:228 BWPro is voldaan, zal de rechtbank het verzoek tot adoptie van [naam kind 1] door adoptiefvader toewijzen.
De beslissing
De rechtbank:
spreekt uit de adoptie van:
[naam kind 1],
geboren op [datum] 1966 te [plaatsnaam] ,
door
[naam adoptiefvader],
geboren op [datum] 1944 te [plaatsnaam] ;
gelast de ambtenaar van de Burgerlijke Stand in de gemeente [plaatsnaam] een latere vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte toe te voegen;
bepaalt dat de griffier van deze rechtbank daartoe een afschrift van deze beschikking aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te [plaatsnaam] zal zenden, zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, voorzitter, en
mr. A.A.M. Bögemann en mr. S. Kuypers, allen rechters, in tegenwoordigheid van A. de Wijse-Hageman als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2017.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.