De rechtbank Gelderland heeft op 4 augustus 2016 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser bezwaar maakte tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over de jaren 2008 tot en met 2012. Uit een FIOD-onderzoek bleek dat eiser tegen vergoeding grote aantallen aangiften inkomstenbelasting voor derden had verzorgd, waardoor hij als ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 werd aangemerkt. Verweerder stelde dat eiser ten onrechte geen aangiften omzetbelasting had gedaan en legde een naheffingsaanslag op.
Eiser voerde aan dat hij niet als ondernemer geregistreerd stond, niet was uitgenodigd tot het doen van aangifte omzetbelasting en dat de aanslag gebaseerd was op een te hoog aantal aangiften en een te hoge vergoeding per aangifte. De rechtbank oordeelde dat omkering van de bewijslast op grond van artikel 27e Awr niet van toepassing was omdat eiser niet was uitgenodigd tot aangifte. Verweerder slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de aanslag niet te hoog was vastgesteld, mede omdat eiser een lager aantal aangiften (5.777) en een lagere vergoeding (€ 35) aannemelijk maakte.
De rechtbank besloot de naheffingsaanslag te verminderen tot € 32.283 en de heffingsrente dienovereenkomstig aan te passen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser. De rechtbank bevestigde dat eiser als ondernemer moest worden aangemerkt, maar dat de aanslag op onjuiste uitgangspunten was gebaseerd.