Overwegingen
Eiseres is een dochtermaatschappij van [A] B.V. De aandeelhouder van [A] B.V. is [B] (hierna: [B] ). Tegen zowel [A] B.V. als tegen [B] zijn strafrechtelijke onderzoeken ingesteld. In het kader van die onderzoeken heeft de FIOD de boekhouding van zowel [A] B.V. als eiseres in beslag genomen.
Voor geen van de jaren 2005 tot en met 2011 is aangifte gedaan voor de vennootschapsbelasting. Verweerder heeft voor elk van de jaren ambtshalve aanslagen opgelegd. Daarbij zijn steeds tevens verzuimboetes opgelegd wegens het niet doen van aangifte.
3. Tot de gedingstukken behoort een faxbericht van 11 september 2008 van eiseres aan verweerder met als onderwerp onder meer ‘ [X] B.V. (…) Ambtshalve aanslag nummer [000] .V.56.0112 Bijzonder verzoek uitstel indienen aangiften 2005 t/m 2006 en 2007’. In genoemd faxbericht, dat is ondertekend door [B] , is onder meer het volgende vermeld:
“(…) In vervolg op mijn brief van 2 april 2008 [rechtbank: het bezwaarschrift tegen de ambtshalve opgelegde aanslag voor het jaar 2005] en het daarop verleende uitstel tot 1 september 2008 heb ik op 2 september j.l. gesproken met uw collega mevrouw [E] en haar uit efficiency redenen voorgesteld met het indienen van de jaren 2004 en volgende jaren te wachten totdat over de uitkomst van de bestaande geschillen over 2001 t/m 2003 definitief duidelijkheid bestaat.
Zulks tevens in lijn met de afspraak op verzoek van de Belastingdienst Zwolle om met de afhandeling van de bestaande bezwaarschriften te wachten totdat de strafprocedure afgerond is.
Mevrouw [E] kon zich hierin vinden, mede omdat de vennootschap nauwelijks activiteiten bevat en geen belastbare winsten vanaf 2004 realiseert, en zegde mij toe een bevestiging van de gemaakte afspraken toe te sturen.”
4. Tot de gedingstukken behoort een brief van verweerder aan eiseres van 7 oktober 2008 waarin onder meer is vermeld:
“Op 11 september 2008 heb ik uw brief ontvangen, waarin u voor de motivatie van het ingediende bezwaar tegen de belastingaanslagen [001] .V56.0112 t.n.v. [A] B.V. en [000] .0112 t.n.v. [X] B.V. uitstel wil totdat de uitkomst van de bestaande geschillen over 2001 t/m 2003 definitief duidelijkheid bestaat.”
5. Tussen partijen is, na de ambtshalve verminderingen als vermeld onder 10. hierna, in geschil of de boetebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Voor het jaar 2011 is tevens in geschil of het bezwaar terecht niet‑ontvankelijk is verklaard.
6. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij mocht menen dat uitstel voor het doen van aangifte was verleend, dat zij niet tijdig aangifte kon doen omdat door de FIOD de boekhouding in beslag was genomen en dat zij door zeer uiteenlopende standpunten geen aangifte kon doen die stellig en zonder voorbehoud was. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat de verzuimboetes moeten worden gematigd gelet op de overschrijding van de redelijke termijn.
7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de boetebeschikkingen terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd. Van een regeling voor uitstel van het doen van aangifte was geen sprake. Eiseres had kopieën van (delen van) de administratie op kunnen vragen bij de FIOD en vervolgens aangifte kunnen doen waarbij eventuele geschilpunten zouden zijn toegelicht. Het bezwaar tegen de ambtshalve opgelegde aanslag voor het jaar 2011 is terecht niet‑ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
Beoordeling van het geschil
2011
8. Het bezwaar tegen de ambtshalve aanslag Vpb voor het jaar 2011 is wegens termijnoverschrijding niet‑ontvankelijk verklaard. De aanslag is met dagtekening 24 augustus 2013 vastgesteld. Dat betekent dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde op 7 oktober 2013. Het bezwaar is ontvangen op 8 oktober 2013. Volgens vaste jurisprudentie wordt een per post verzonden geschrift geacht in ieder geval tijdig ter post te zijn bezorgd als het de eerste of tweede werkdag na de laatste dag van de bezwaar- of beroepstermijn is ontvangen, tenzij op grond van de vaststaande feiten aannemelijk is dat het later dan de laatste dag van de termijn ter post is bezorgd (zie Hoge Raad 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7470), hetgeen in casu niet het geval is. Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. 9. Nu verweerder het bezwaar ten onrechte niet‑ontvankelijk heeft verklaard, is het beroep van eiseres in zoverre gegrond. Partijen hebben ingestemd met een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechtbank. De rechtbank zal derhalve de zaak niet terugwijzen naar verweerder, maar zelf in de zaak voorzien (vergelijk Hoge Raad 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7330). 10. Naar aanleiding van de heropening van het onderzoek door de rechtbank zijn partijen tot overeenstemming gekomen met betrekking tot verminderingen van de ambtshalve opgelegde aanslagen. Voor de onderhavige jaren zal de rechtbank in overeenstemming daarmee de belastbare winsten verminderen tot:
2005
€
678
negatief
2006
€
16.952
negatief
2007
€
207
negatief
2008
€
171
negatief
2009
€
169
negatief
2010
€
112
negatief
2011
€
191
negatief
11. Na de ambtshalve verminderingen als genoemd onder 10. hiervoor, is nog in geschil of verweerder terecht het bezwaar tegen de ambtshalve aanslag Vpb voor het jaar 2011 niet‑ontvankelijk heeft verklaard en terecht en tot de juiste hoogte verzuimboetes heeft opgelegd.
12. De uiterste inleverdata na aanmaning en de data waarop de ambtshalve aanslagen zijn opgelegd zijn voor de onderhavige jaren als volgt:
jaar
Uiterste aangiftedatum na aanmaning
Oplegging aanslag
2005
07-09-2006
22-03-2008
2006
08-11-2007
13-12-2008
2007
05-09-2008
30-06-2009
2008
24-03-2010
31-12-2010
2009
27-09-2010
31-01-2011
2010
05-07-2012
18-08-2012
2011
05-06-2013
24-08-2013
13. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij uitstel heeft verkregen voor het indienen van de aangiften voor de onderhavige jaren en heeft daarbij verwezen naar het faxbericht van 11 september 2008, zoals is opgenomen onder 3. hiervoor, en het daaropvolgende antwoord van verweerder van 7 oktober 2008, zoals is opgenomen onder 4. hiervoor.
14. De rechtbank overweegt als volgt. De verwijzing naar het faxbericht van 11 september 2008 en het daaropvolgende antwoord van verweerder van 7 oktober 2008 kan eiseres om meerdere redenen niet baten. Ten eerste niet omdat het faxbericht een vervolg is op het op 2 april 2008 ingediende bezwaarschrift tegen de ambtshalve aanslag voor het jaar 2005. Nadat eenmaal een ambtshalve aanslag is vastgesteld, is het niet meer mogelijk om een aangifte in te dienen. Een dergelijke aangifte wordt dan ook aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de ambtshalve vastgestelde aanslag. Van uitstel voor het indienen van de aangifte kan dan ook reeds daarom geen sprake zijn. Naar het oordeel van de rechtbank moet [B] , gelet op zijn professionele achtergrond als accountant/belastingadviseur, geacht worden daarvan op de hoogte te zijn geweest. Daar komt bij dat de ontvangstbevestiging van verweerder van 7 oktober 2008, zoals is opgenomen onder 4. hiervoor, niets meer bevestigt dan dat [B] om uitstel van motivering van de bezwaarschriften van [A] B.V. en eiseres tegen de ambtshalve aanslagen voor het jaar 2005 heeft verzocht. Hierin is naar het oordeel van de rechtbank niet te lezen dat uitstel is verleend voor het indienen van de aangifte Vpb voor de jaren 2005 en later.
15. De rechtbank is van oordeel dat ook de beroepsgronden van eiseres inhoudende dat zij geen aangifte kon doen aangezien haar administratie in beslag was genomen en dat het gelet op de uiteenlopende standpunten niet mogelijk was een aangifte te doen die stellig en zonder voorbehoud was, niet kunnen slagen. Een lopende (strafrechtelijke) procedure of een in beslaggenomen boekhouding heffen niet de aangifteverplichting op. Het had op de weg van eiseres gelegen om de voor de aangifte relevante delen van de administratie te achterhalen en aangifte te doen waarbij zij in een op de aangifte gegeven toelichting aan had kunnen geven over welke onderdelen van de aangifte (vermoedelijk) verschil van mening bestaat. Eiseres heeft er echter voor gekozen in het geheel geen aangifte in te dienen. De gevolgen van deze handelwijze moeten voor haar rekening komen.
16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht verzuimboetes heeft opgelegd wegens het niet (tijdig) doen van aangifte. Verweerder heeft de verzuimboetes niet tot hogere bedragen opgelegd dan conform het in § 21, derde lid, eerste volzin (jaren 2005 en 2006), § 21, derde lid (jaren 2008, 2009 en 2010), in samenhang gelezen met § 21, zesde lid (jaren 2007 en 2011), van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 opgenomen beleid. De rechtbank acht deze boetes passend en geboden.
Overschrijding redelijke termijn
17. Of op het aan de beboete belastingplichtige toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk wordt gemaakt, hangt af van het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd (zie Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, r.o. 4.2). In het onderhavige geval zijn de boetes opgelegd wegens het niet doen van aangifte. Als begindatum voor de berekening van deze termijn sluit de rechtbank dan ook aan bij de datum van vaststelling van de aanslag aangezien niet uit de tot het dossier behorende stukken volgt dat moet worden uitgegaan van een eerdere datum waarop jegens eiseres een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan haar een boete zal worden opgelegd: jaar
Oplegging aanslag
Boete in €
Uitspraak op bezwaar
Behandelduur in bezwaar (bij benadering)
2005
22-03-2008
567
18-12-2013
5 jr en 9 mnd
2006
13-12-2008
794
18-12-2013
5 jr
2007
30-06-2009
1.134
18-12-2013
3 jr en 6 mnd
2008
31-12-2010
567
18-12-2013
3 jr
2009
31-01-2011
2.46
18-12-2013
2jr en 11 mnd
2010
18-08-2012
2.46
18-12-2013
1 jr en 4 mnd
2011
24-08-2013
4.92
18-12-2013
4 mnd
18. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is derhalve de duur van de bezwaarfase inbegrepen (zie Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, r.o. 4.3). De redelijkheid van de duur van berechting van een boetezaak is onder meer afhankelijk van de invloed van de beboete belastingplichtige op het procesverloop waarbij kan worden gedacht aan verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of verzoeken. 19. Aangezien de rechtbank uitspraak doet meer dan twee jaar nadat eiseres beroep heeft ingesteld, is de redelijke termijn voor berechting voor elk van de jaren overschreden. Hierna zal de rechtbank onderzoeken hoe groot die overschrijding in totaal is voor de diverse jaren en welk deel van de overschrijding is toe te rekenen aan eiseres.
20. In het faxbericht van 11 september 2008, zie onder 3. hiervoor, wordt verzocht om aanhouding van het bezwaar tegen de ambtshalve aanslag Vpb voor het jaar 2005 totdat in de strafzaak vonnis is gewezen. Op 24 april 2012 heeft de Rechtbank Zutphen vonnis gewezen in de strafzaken tegen [B] en [A] B.V. Verweerder heeft vervolgens op 23 april 2013 de behandeling van de bezwaarschriften van eiseres hervat. Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve het tijdsverloop vanaf 11 september 2008 tot en met 24 april 2012, i.e. drie jaar en acht maanden, aan eiseres worden toegerekend. Daarmee komt de overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot de aanslag Vpb voor het jaar 2005 ruim boven de twee jaar uit. Dat betekent dat de rechtbank de verzuimboete zal matigen met 20 percent.
21. Voor de aanslag Vpb voor het jaar 2006 behoort tot de gedingstukken een brief van verweerder aan [B] met dagtekening 21 januari 2009 waarin uitstel wordt verleend voor het indienen van de motivering van het bezwaar zoals verzocht in de brief van 12 januari 2009. Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve het tijdsverloop vanaf 21 januari 2009 tot en met 24 april 2012, i.e. drie jaar en drie maanden, aan eiseres worden toegerekend. Daarmee komt de overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot de aanslag Vpb voor het jaar 2006 ruim boven de twee jaar uit. Dat betekent dat de rechtbank de verzuimboete zal matigen met 20 percent.
22. Uit de gedingstukken behorend bij de zaak die ziet op de aanslag Vpb voor het jaar 2007 maakt de rechtbank uit de brief van 6 juli 2009 in samenhang gelezen met het daarbij als bijlage gevoegde faxbericht van 11 september 2008, zoals opgenomen onder 3. hiervoor, op dat om uitstel is verzocht totdat in de strafzaak vonnis is gewezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve het tijdsverloop vanaf 6 juli 2009 tot en met 24 april 2012, i.e. twee jaar en negen maanden, aan eiseres worden toegerekend. Daarmee komt de overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot de aanslag Vpb voor het jaar 2007 ruim boven de twee jaar uit. Dat betekent dat de rechtbank de verzuimboete zal matigen met 20 percent.
23. Uit de gedingstukken behorend bij de zaken die zien op de aanslagen Vpb voor de jaren 2008, 2009, 2010 en 2011 kan de rechtbank niet opmaken dat uitstel is gevraagd en verleend voor het indienen van een motivering van het bezwaar totdat in de strafzaak vonnis is gewezen. Hiervan uitgaande is ook voor die jaren de redelijke termijn overschreden. Dat betekent dat de rechtbank de verzuimboetes zal matigen met 20 percent voor de jaren 2008 en 2009, met 15 percent voor het jaar 2010 en met 10 percent voor het jaar 2011.
24. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.
25. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.860 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 8 september 2014, 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting van 25 februari 2016 met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1 en een factor 1,5 voor samenhang). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.