Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Gelderland
Eiser heeft BPM-aangifte gedaan voor een personenauto, waarna de Belastingdienst een naheffingsaanslag oplegde wegens een te laag aangegeven bedrag. Eiser maakte bezwaar tegen de voldoening op aangifte en de naheffingsaanslag. De Belastingdienst verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk omdat de BPM door een ander dan eiser was voldaan en een juiste machtiging ontbrak.
De rechtbank stelt vast dat de identiteit van degene die bezwaar maakt vóór het verstrijken van de bezwaartermijn bekend moet zijn en dat betaling door een ander niet als betaling namens eiser kan worden beschouwd. Hierdoor was eiser geen belanghebbende bij de BPM-voldoening en was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk. Ook het bezwaar tegen de naheffingsaanslag werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het belang van eiser verviel na betaling door de kentekenhouder.
Eiser vorderde daarnaast vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De rechtbank oordeelt dat er bijzondere omstandigheden zijn, waaronder lopende besprekingen en een vaststellingsovereenkomst, die een langere termijn rechtvaardigen. Daarom is geen sprake van overschrijding en wordt het verzoek afgewezen.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.