Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9998

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
NL25.39343
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 5 TerugkeerrichtlijnArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne

Eiser, een Nigeriaanse derdelander die tijdelijke bescherming genoot vanwege de situatie in Oekraïne, stelde beroep in tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn tijdelijke bescherming te beëindigen en hem te verplichten terug te keren naar zijn land van herkomst.

De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit in overeenstemming is met het Europese arrest en de nationale jurisprudentie, waarbij de tijdelijke bescherming van derdelanders Oekraïne eerder mag worden beëindigd dan die van Oekraïners, mits niet vóór 4 maart 2024. De bevriezing van de rechtsgevolgen tot 4 september 2025 werd als feitelijke opschorting gezien, zonder rechtmatig verblijf te creëren.

Eiser voerde aan dat zijn privéleven in Nederland en zijn werk in aanmerking genomen moesten worden, maar kon dit onvoldoende onderbouwen. Ook was er geen bewijs van een beschermenswaardig familie- of gezinsleven. De rechtbank nam het verbod van refoulement mee, maar vond geen zwaarwegende feiten die een reëel risico op vervolging of ernstige schade aannemelijk maakten.

Het beroep werd ongegrond verklaard, het terugkeerbesluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot beëindiging van tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39343

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder heeft verweerder vastgesteld dat eiser niet langer tijdelijke bescherming geniet en bepaald dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Eiser is geboren op [datum] 2001 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit.
Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. Omdat er onduidelijkheid ontstond over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft verweerder de gevolgen van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt.
Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit prematuur is, aangezien de bescherming pas eindigt op of na 4 september 2025. Ook is het terugkeerbesluit volgens eiser in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM [1] . Eiser is werkzaam en wil ook na 4 september 2025 nog kunnen blijven werken. Verder is van een recente (ambtshalve) refoulementbeoordeling niet gebleken. Eiser stelt zich op het standpunt dat het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM omdat eiser inmiddels actief lid is van IPOB. Eiser wijst daarbij op de actieve vervolging in Nigeria van Biaffranen die zich inzetten voor een onafhankelijk Biaffra.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836 en ECLI:NL:RBAMS:2025:4843) is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Het bestreden besluit is hiermee in overeenstemming. Uit het bestreden besluit volgt dat eiser niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. De bevriezing van de rechtsgevolgen tot 4 september 2025 geldt als een feitelijke opschorting van de uitvoering van het terugkeerbesluit en heeft niet tot gevolg dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Nederland.
5. Voor zover eiser zich met de verwijzing naar zijn werk heeft willen beroepen op zijn privéleven in Nederland, geldt dat artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn niet voorschrijft dat daarmee rekening moet worden gehouden bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Op grond van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn moet wel rekening worden gehouden met het familie- en gezinsleven. Eiser heeft in dit verband ter zitting gesteld dat hij in Nederland een vriendin heeft. Dit heeft eiser niet weten te onderbouwen. De door eiser in beroep overgelegde zwangerschapsverklaring is hiervoor onvoldoende, aangezien daaruit niet daadwerkelijk blijkt van een relatie van eiser. Aldus is niet gebleken dat ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit sprake was van beschermenswaardig familie- of gezinsleven.
6. Verweerder is in het bestreden besluit ingegaan op het verbod van refoulement. Verweerder heeft in zijn motivering op dit punt verwezen naar de afwijzing van eisers asielaanvraag bij besluit van 28 januari 2025. Bij uitspraak van 25 mei 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eiser tegen die afwijzing ongegrond verklaard. [2] Dit oordeel is hoger beroep bevestigd bij uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2025. [3] In deze procedures is reeds betrokken dat eiser actief zegt te zijn voor de IPOB. In de door eiser nu overgelegde stukken ziet de rechtbank geen zwaarwegende en op feiten berustendste redenen om alsnog een reële vrees voor refoulement aan te nemen. Daarbij is van belang dat eiser niet behoort tot een groep die blootstaat aan systematische vervolging of ernstige schade en dat de overgelegde stukken geen informatie bevatten over een eventueel persoonlijk risico van eiser.
7. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
8. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.