Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9894

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/09/684386
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 RWNArt. 11 RWN
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlanderschap na erkenning en naturalisatie

Verzoekster heeft verzocht om vaststelling van haar Nederlanderschap op grond van erkenning door haar natuurlijke vader, die later werd genaturaliseerd tot Nederlander. De erkenning vond plaats op 27 december 1995, terwijl de naturalisatie van de vader pas op 1 februari 1996 plaatsvond.

De rechtbank overweegt dat het Nederlanderschap volgens de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) wordt verkregen op de datum van het Koninklijk Besluit en niet eerder. De vertraging in de naturalisatieprocedure wordt toegeschreven aan de vader zelf, die niet tijdig reageerde op oproepen. Hierdoor is geen terugwerkende kracht mogelijk voor het verkrijgen van het Nederlanderschap vóór de naturalisatie.

Daarnaast is in het Koninklijk Besluit een voorbehoud gemaakt dat het Nederlanderschap wordt onthouden aan minderjarige kinderen zonder verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba. Verzoekster verbleef destijds niet in deze gebieden en heeft daardoor het Nederlanderschap niet verkregen door de erkenning of de latere naturalisatie van haar vader. De rechtbank wijst het verzoek af en overweegt dat verzoekster nooit EU-burger is geweest en dus ook geen EU-burgerschap kan verliezen.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat de erkenning plaatsvond vóór de naturalisatie van de vader en het voorbehoud in het Koninklijk Besluit geldt.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-207
Zaaknummer: C/09/684386
Datum beschikking: 19 maart 2026

Beschikking op het op 25 april 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W. Hoebba te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de IND”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. R.Y. Reckers.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 16 mei 2025, met bijlagen, van de IND;
- de brief, ingekomen op 3 juli 2025, van verzoekster.
- de brief van 4 juli 2025 van de IND.
Op 12 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: mr. Hoebba namens verzoekster en mr. Reckers namens de IND.

Verzoek en het standpunt van de IND

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoekster, een en ander uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de IND in van de proceskosten.
De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.

Feiten

  • Verzoekster is geboren op [geboortedatum 1] 1991 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] .
  • Verzoekster is op 27 december 1995 erkend dor [naam] , geboren op [geboortedatum 2] 1931 te [geboorteplaats 2] , [geboorteland] (hierna: [naam] ).
  • Aan [naam] is bij Koninklijk Besluit van 1 februari 1996 de Nederlandse nationaliteit verleend. Op dit Koninklijk Besluit is overeenkomstig artikel 11 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) (oud) een voorbehoud gemaakt, inhoudende dat het Nederlanderschap is onthouden aan de minderjarige kinderen aan wie geen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen en Aruba is toegestaan.
  • Niet gebleken is dat verzoekster in Nederland heeft gewoond dan wel dat aan haar een verblijfvergunning voor onbepaalde tijd is verleend.

Beoordeling

Verzoekster is op 27 december 1995 erkend door [naam] . [naam] heeft bij Koninklijk Besluit van 1 februari 1996 de Nederlandse nationaliteit verkregen. Verzoekster stelt dat [naam] meerdere keren een naturalisatieverzoek heeft ingediend, te weten op 20 februari 1991 en 24 oktober 1995, dus vóór de datum van de erkenning van verzoekster. Verzoekster stelt dat het niet aan [naam] te wijten is dat hem pas op 1 februari 1996 de Nederlandse nationaliteit is verleend. Verzoekster heeft aangevoerd dat bij het beantwoorden van de vraag of zij door de erkenning de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, ervan moet worden uitgegaan dat [naam] ten tijde van de erkenning al de Nederlandse nationaliteit bezat. Immers, als de IND de procedure sneller had afgehandeld, was [naam] al in het bezit geweest van de Nederlandse nationaliteit ten tijde van de erkenning van verzoekster en zou verzoekster door de erkenning de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen. De negatieve gevolgen van de lange duur van de naturalisatieprocedure mogen volgens verzoekster niet op haar worden afgewenteld.
De IND stelt zich op het standpunt dat verzoekster niet de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Zij wijst er in dat kader op dat uit artikel 7 eerste Pro lid RWN volgt dat het Nederlanderschap wordt verleend door de totstandkoming van een Koninklijk Besluit. De persoon verkrijgt de Nederlandse nationaliteit op de datum van het Koninklijk Besluit en niet eerder dan die datum. Er is geen wettelijke basis om alsnog uit te gaan van terugwerkende kracht voor wat betreft de gevolgen van de naturalisatie.
Daarnaast voert de IND aan dat uit het naturalisatiedossier blijkt dat de vertraging in de behandeling van de naturalisatieprocedure te wijten is aan [naam] zelf, omdat hij tijdens die periode in Suriname verbleef en niet reageerde op oproepen. Daardoor is het dossier terzijde gesteld en is de behandeling pas later op zijn verzoek weer ter hand genomen.
De rechtbank stelt voorop dat in de RWN is bepaald wie Nederlander is en op welke wijze het Nederlanderschap wordt verkregen of verloren gaat. De RWN kent geen hardheidsclausule. Voor een beroep op dwaling of op omstandigheden die een beroep op een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zouden kunnen rechtvaardigen, is binnen het bestek van deze procedure volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geen plaats (Hoge Raad 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8544).
Uit artikel 7 eerste Pro lid RWN volgt dat, ingeval van naturalisatie, het Nederlanderschap wordt verkregen op de datum van het Koninklijk Besluit. De bepalingen in de RWN laten geen ruimte voor een uitzondering op die regel.
Ook als de IND kan worden verweten dat de naturalisatieprocedure onrechtmatig lang heeft geduurd kan die omstandigheid dus niet het gevolg hebben dat [naam] geacht moet worden de Nederlandse nationaliteit eerder (vóór de erkenning van verzoekster) te hebben verkregen. De Nederlandse Staat zou in dat geval mogelijk schadeplichtig zijn, maar die beoordeling valt buiten het bestek van deze procedure.
Omdat de naturalisatie van [naam] aldus pas heeft plaatsgevonden na de erkenning door [naam] heeft de erkenning niet tot gevolg gehad dat verzoekster van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verkreeg.
Evenmin heeft verzoekster het Nederlanderschap verkregen door de latere naturalisatie van [naam] . Bij de verlening van het Nederlanderschap aan [naam] is immers een voorbehoud gemaakt, inhoudende dat het Nederlanderschap is onthouden aan de minderjarige kinderen aan wie geen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen en Aruba is toegestaan. Verzoekster heeft erkend dat zij destijds niet in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba verbleef en er dus geen sprake was van een toegestaan verblijf in de zin van het voorbehoud. Dit betekent dat verzoekster, gelet op het in het Koninklijk Besluit van naturalisatie van [naam] gemaakte voorbehoud, niet het Nederlanderschap heeft verkregen door de erkenning.
Met betrekking tot de stelling van verzoekster dat zij bij afwijzing van het verzoek haar EU-burgerschap verliest, overweegt de rechtbank dat verzoekster nooit EU-burger is geweest en dit burgerschap daarom ook niet kan verliezen.
Gelet op het vorenstaande wijst de rechtbank het verzoek af.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Brakel, A. Emmens en A.P. de Klerk, rechters, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 maart 2026.