Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2026 in de zaken tussen
[naam eiser 1] ,
[naam eiser 2] ,
[naam eiser 3] ,
[naam eiser 4] ,
[naam eiser 5] ,
[naam eiser 6] ,
[naam eiser 7] ,
[naam eiser 8] ,
[naam eiser 9] ,
[naam eiser 10] ,
[naam eiser 11] ,
[naam eiser 12] ,
[naam eiser 13] ,
[naam eiser 14] ,
[naam eiser 15] ,
[naam eiser 16] ,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Procesverloop
Inleiding
De bestreden besluiten
Beroepsgronden
Juridisch kader
- moet zorgen voor dringende medische zorg en rekening moet houden met speciale behoeften van kwetsbare personen;
- het uit artikel 4 van Pro het Handvest voortvloeiende verbod van onmenselijke of vernederende behandeling in acht moet nemen.
Beoordeling door de rechtbank
In addition, the Netherlands have most recently set up a special scheme providing basic needs for irregular migrants living in their territory in an irregular manner (see paragraph 5 above). (…) In these circumstances it cannot be said that the Netherlands authorities have fallen short of their obligations under Article 3 by having remained inactive or indifferent.’ Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat rechtsoverweging 59 vanwege de woorden ‘in addition’ dient te worden opgevat als een ‘ten overvloede-overweging’. Dat is echter naar het oordeel van de rechtbank een onjuiste lezing van het arrest en van die specifieke overweging, gelet op het vervolg van de overweging en dan met name de woorden ‘in these circumstances’, die immers tot uiting brengen dat het EHRM op basis van alle ervoor genoemde omstandigheden, waaronder dus het bestaan van alternatieve opvang in de vorm van (een voorloper van) de LVV, tot haar oordeel is gekomen. Het beroep van verweerder op de Afdelingsuitspraak van 30 september 2019 [14] slaagt om vergelijkbare redenen niet. Ook toen was er immers sprake van onvoorwaardelijke opvangalternatieven voor de VBL. Met het wegvallen van de LVV is sprake van een wezenlijk andere situatie dan ten tijde van de door verweerder aangehaalde jurisprudentie.
Het Hof heeft evenwel reeds geoordeeld dat dit artikel 4 wordt Pro geschonden in het geval dat de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun,buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzen om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid (zie in die zin arresten van 19 maart 2019, Jawo, C‑163/17, EU:C:2019:218, punt 92, en 16 juli 2020, Addis, C‑517/17, EU:C:2020:579, punt 51). [15] Uit de verschillende taalversies van het arrest Changu blijkt dat de bijzin ‘buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzen om’ verwijst naar het ‘in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen’ en niet terugslaat op het ‘volledig afhankelijk zijn van overheidssteun’. [16] In al die taalversies is namelijk geen komma aanwezig tussen ‘buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzen om’ en ‘terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie’. Partijen verschillen van mening over hoe de zinsnede ‘buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzen om’ moet worden uitgelegd. Verweerder stelt dus (zie ook 13.4) dat het terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie geacht moet worden het gevolg te zijn van de eigen wil en persoonlijke keuzen van de vreemdeling in een geval waarin deze toestand voortkomt uit de weigering van de vreemdeling mee te werken aan zijn vertrek waardoor geen opvang in de VBL kan worden verkregen. Dit zou volgens verweerder alleen anders zijn als de vreemdeling niet in staat zou zijn de gevolgen van zijn persoonlijke keuzes te overzien, maar daarvan is volgens verweerder in het geval van eisers niet gebleken. De rechtbank volgt deze lezing van verweerder niet. De rechtbank is van oordeel dat de zinsnede ‘buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzen om’ beperkt moet worden uitgelegd. Gelet op het absolute karakter van artikel 4 van Pro het Handvest moet het Hof van Justitie hierbij uitsluitend de situatie voor ogen hebben gehad waarin een vreemdeling moedwillig besluit om zichzelf in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie te plaatsen. Met andere woorden: de wil en keuze van de vreemdeling moet er uitdrukkelijk op zijn gericht om in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie te verkeren. De keuze om niet mee te werken aan terugkeer, waardoor niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor de VBL, kan niet één op één op gelijk worden gesteld met een keuze om in een toestand van verregaande materiële deprivatie terecht te komen. Toegespitst op de huidige situatie: verweerder is slechts dan niet gehouden om iemand die in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie verkeert op te vangen als die er zelf voor kiest om geen opvang te willen en in die toestand te verkeren. Een dergelijke situatie doet zich in alle zestien zaken die thans voorliggen echter niet voor. Uit de aard van deze procedures moet immers worden afgeleid dat eisers juist in de opvang willen verblijven en niet in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terecht willen komen. De omstandigheid dat zij volgens verweerder niet meewerken aan hun vertrek, doet daaraan niet af.