Eiser, afkomstig uit Syrië en lid van de stam Al Mawali, diende op 31 januari 2024 een asielaanvraag in die door de minister op 18 december 2025 werd afgewezen. Eiser vreesde vervolging vanwege zijn weigering te vechten tegen het regime van Assad en recente bedreigingen, waaronder e-mails en audioberichten. De rechtbank behandelde het beroep op 10 april 2026.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat de situatie in Syrië kan worden gekwalificeerd als een 15c-situatie met de laagste gradatie van willekeurig geweld. Eiser heeft geen concrete persoonlijke bedreigingen aannemelijk gemaakt; de vermeende recente bedreigingen zijn onvoldoende onderbouwd en niet direct aan eiser gericht. De algemene situatie in Syrië, hoewel slecht, rechtvaardigt geen individuele bescherming op grond van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn.
De rechtbank volgt eerdere uitspraken van de meervoudige kamer en verwijst naar rapporten die een daling van het geweld in Aleppo bevestigen. Humanitaire omstandigheden worden slechts meegewogen indien zij voortkomen uit het conflict, wat hier niet het geval is. De rechtbank ziet geen reden om het besluit te schorsen in afwachting van prejudiciële vragen.
Gelet op het ontbreken van persoonlijke omstandigheden die een reëel risico op ernstige schade rechtvaardigen, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en handhaaft het bestreden besluit. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.