Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9737

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL24.9582
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 5 TerugkeerrichtlijnRichtlijn 2001/55/EGArt. 6:19 AwbArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit wegens onvoldoende motivering familie- en gezinsleven

Eiser ontving op 21 februari 2024 een terugkeerbesluit omdat zijn tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming was beëindigd. Dit besluit werd geschorst en later vervangen door een nieuw terugkeerbesluit van 7 augustus 2025. Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met zijn familie- en gezinsleven, met name het belang van zijn twee in Nederland geboren kinderen en zijn relatie met een Nederlandse partner.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het oorspronkelijke besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk is omdat dit besluit is vervangen. Het beroep tegen het nieuwe besluit van 7 augustus 2025 is gegrond omdat de minister niet adequaat heeft gemotiveerd waarom het terugkeerbesluit kon worden opgelegd zonder de reeds ingediende aanvraag van eiser voor verblijfsrecht op grond van familie- en gezinsleven mee te wegen.

De rechtbank stelt vast dat de minister slechts heeft gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag, terwijl hij verplicht was de verstrekte informatie over de zorgtaken en wederzijdse afhankelijkheid in de beoordeling te betrekken. Hierdoor is het besluit in strijd met artikel 3:46 Awb Pro onvoldoende gemotiveerd en wordt het vernietigd. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 2.802,00.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent het familie- en gezinsleven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9582

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en
de minister van Asiel en Migratie [1]
(gemachtigde: mr. K. Jansen).

Inleiding

1. Bij besluit van 21 februari 2024 heeft de minister vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming [2] en dat hij daarom niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Om die reden heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
2. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Ook heeft hij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend (zaaknummer NL24.9583).
3. Bij uitspraak van 15 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bepaald dat het besluit van 21 februari 2024 wordt geschorst totdat uitspraak is gedaan op het beroep. De voorzieningenrechter heeft verder bepaald dat eiser, totdat op het beroep is beslist, moet worden behandeld als ware zijn tijdelijke bescherming niet beëindigd.
4. Op 4 juni 2025 heeft de minister het voornemen uitgebracht om het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 te vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Op
8 juli 2025 heeft eiser hierop middels een zienswijze gereageerd.
5. Op 7 augustus 2025 heeft de minister het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 ingetrokken en een nieuw terugkeerbesluit opgelegd (het bestreden besluit). Het al ingestelde beroep heeft van rechtswege mede betrekking op dit nieuwe besluit. [3]
6. De rechtbank heeft eiser op 16 september 2025 in de gelegenheid gesteld om, gelet op diverse ontwikkelingen in de voor deze zaak relevante jurisprudentie, aan te geven welke eerder ingediende gronden hij wil handhaven en om de gronden aan te vullen. Eiser heeft hierop gereageerd bij bericht van 9 oktober 2025.
7. Het beroep is behandeld ter zitting van 12 maart 2026. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Beroep tegen het besluit van 21 februari 2024
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024. De minister heeft dit besluit immers vervangen door het besluit van 7 augustus 2025. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat hij toch een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 21 februari 2024. Daarom is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk. Er bestaat wel aanleiding voor het toekennen van een proces-kostenveroordeling.
Beroep tegen het besluit van 7 augustus 2025
9. Het tegen het besluit van 21 februari 2024 ingestelde beroep heeft van rechtswege mede betrekking op het besluit van 7 augustus 2025. Eiser heeft het beroep van gronden voorzien bij brieven van 8 maart 2024 en 4 april 2024. Eiser heeft zich in die gronden op het standpunt gesteld dat – kort gezegd – de Afdeling [4] niet tot de uitspraak van 17 januari 2024 [5] heeft kunnen komen, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van derdelanders op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming eindigt op 4 maart 2024. Volgens eiser had de Afdeling eerst prejudiciële vragen moeten stellen.
10. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling nadien, op 23 april 2025 [6] , (nogmaals) uitspraken heeft gedaan over de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Bij die uitspraken heeft de Afdeling betrokken het arrest van het HvJ [7] van 19 december 2024 [8] , waarin het HvJ antwoord heeft gegeven op de op 25 april 2024 gestelde prejudiciële vragen over de uitleg van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. De Afdeling heeft in deze uitspraken geoordeeld dat de minister bevoegd was om voor derdelanders uit Oekraïne de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op 4 maart 2024.
11. De minister heeft in het besluit van 7 augustus 2025 overwogen dat eiser valt onder de groep derdelanders voor wie de tijdelijke bescherming terecht is beëindigd op
4 maart 2024. Daarbij heeft de minister verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van
23 april 2025. Eiser heeft hiertegen, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen gronden van beroep aangevoerd. De rechtbank kan zich vinden in de overwegingen van de minister en ziet hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
12. In de reactie van 9 oktober 2025 heeft eiser erop gewezen dat hij nog een beroepsprocedure heeft lopen tegen de weigering van de minister om hem een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn partner te verlenen. Volgens eiser kan hij hierdoor niet terugkeren naar Marokko. Eiser heeft er ter zitting op gewezen dat het beroep dat hij heeft gedaan op artikel 8 van Pro het EVRM [9] en op het arrest Chavez-Vilchez [10] meegenomen had moeten worden bij de vraag of een terugkeerbesluit kon worden opgelegd. Dat heeft de minister niet gedaan, zodat het terugkeerbesluit onvoldoende is gemotiveerd.
12.1
Voor zover eiser heeft bedoeld hiermee een beroep te doen op artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn stelt de rechtbank voorop dat de minister bij de toets aan dit artikel niet hoeft te beoordelen of eiser in aanmerking komt voor een reguliere vergunning.
12.2
Artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn schrijft echter wel voor dat de minister bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn, in dit geval dus bij het opleggen van een terugkeerbesluit, rekening houdt met, onder andere, het belang van het kind en het familie- en gezinsleven. De rechtbank is van oordeel dat de minister dat in het besluit van 7 augustus 2025 niet dan wel onvoldoende heeft gedaan. Hij heeft eiser er op dit punt in het bestreden besluit enkel op gewezen dat hij een aanvraag in kan dienen als hij meent dat hij een verblijfsrecht kan ontlenen aan het recht op familie- en gezinsleven. Dat is in dit specifieke geval onvoldoende, omdat de aanvraag waar de minister over spreekt al was ingediend door eiser, niet in geschil is dat eiser samen met een vrouw met de Nederlandse nationaliteit op
14 december 2024 twee zoons heeft gekregen en eiser in die procedure al de nodige informatie had overgelegd met betrekking tot de zorgtaken die eiser zou verrichten en met betrekking tot de wederzijdse afhankelijkheid tussen eiser en zijn Nederlandse kinderen. [11] De minister had deze informatie moeten betrekken bij de beoordeling van de vraag of een terugkeerbesluit kon worden opgelegd, rekening houdend met het belang van het kind en het gestelde familie- en gezinsleven. Dat heeft de minister ten onrechte niet gedaan.
13. Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat het besluit van 7 augustus 2025 niet deugdelijk is gemotiveerd voor zover daarin een nieuw terugkeerbesluit is opgelegd en dat het besluit daarmee is genomen in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb. Het beroep is daarom gegrond en het besluit van 7 augustus 2025 zal worden vernietigd, voor zover daarin een nieuw terugkeerbesluit is opgelegd. Er is geen aanleiding om de intrekking van het oude terugkeerbesluit van 21 februari 2024 te vernietigen.
14. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.802,00. [12]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 7 augustus 2025 gegrond;
  • vernietigt het besluit van 7 augustus 2025, voor zover daarin een nieuw terugkeerbesluit is opgelegd;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
3.Artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie.
8.Arrest Kaduna e.a., ECLI:EU:C:2024:1038.
9.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
10.Hof van Justitie van de Europese Unie 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
11.Welke informatie in die procedure - ten onrechte, zo ook namens de minister ter zitting is aangegeven - niet inhoudelijk is beoordeeld, omdat eiser verblijfsrecht zou hebben op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de kinderen reeds daarom niet gedwongen zouden worden de EU te verlaten. Het betreffende besluit is hangende beroep door de minister ingetrokken.
12.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 7 augustus 2025 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.