ECLI:NL:RBDHA:2026:960

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
25/509
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:89 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verleende omgevingsvergunning niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang

Hommerson’s Sportland 2000 B.V. heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om een omgevingsvergunning te verlenen voor het wijzigen van kantoorruimte in een speelautomatenhal. Na eerdere afwijzingen en een vernietiging van een besluit door de rechtbank, verleende het college uiteindelijk de gevraagde vergunning.

De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiseres procesbelang heeft bij het beroep. Gezien het feit dat de vergunning inmiddels is verleend, is het beroep feitelijk niet van betekenis voor eiseres. De rechtbank overweegt dat vernietiging van het bestreden besluit en herroeping van de vergunning niet in het belang van eiseres is.

Ook het argument dat het beroep dient voor vaststelling van onrechtmatigheid met het oog op een schadevergoeding wordt verworpen, omdat de schade voortkomt uit eerdere besluiten en de civiele procedure hierover nog loopt. De rechtbank concludeert dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens ontbreken van procesbelang en wijst het beroep af.

Uitkomst: Het beroep tegen de verleende omgevingsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/509

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen

Hommerson’s Sportland 2000 B.V., uit Den Haag, eiseres

(gemachtigde: mr. J.L. Vissers),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).
Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde-partij] uit [woonplaats]
(gemachtigde: mr. W. Bosma).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de aan haar verleende omgevingsvergunning. Eiseres voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat geen sprake is van procesbelang. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 28 oktober 2020 heeft het college de aanvraag van eiseres om een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de kantoorruimte aan de [adres] in Den Haag in een speelautomatenhal, het aanpassen van de gevels en het aanbrengen van handelsreclame en het realiseren van constructieve doorbraken, afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 17 juni 2021 is het college bij het primaire besluit gebleven. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
2.2.
Op 23 juni 2023 heeft deze rechtbank het besluit van 17 juni 2021 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. [1]
2.3.
Met het bestreden besluit van 12 december 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de omgevingsvergunning alsnog verleend.
2.4.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen: namens eiseres haar gemachtigde en [naam], en verder de gemachtigde van het college en de derde-partij.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 26 maart 2020 heeft de burgemeester een exploitatievergunning op grond van de Verordening op de kansspelen van de gemeente Den Haag verleend voor de locatie [adres] in Den Haag. Op 26 juni 2020 heeft eiseres een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de kantoorruimte op desbetreffende locatie in een speelautomatenhal (met 60 speelautomaten), het aanpassen van de gevels, het aanbrengen van handelsreclame en het realiseren van constructieve doorbraken.
3.1.
Op 12 oktober 2020 heeft de gemeenteraad een motie aangenomen die strekt tot (1) het niet afgeven van een omgevingsvergunning voor een speelautomatenhal op de locatie, en het conform het Havenconvenant ervoor zorgen dat er geen niet-havengebonden activiteiten in de haven worden gerealiseerd en (2) het met de eigenaar van de kansspelvergunning in gesprek gaan over een alternatieve locatie.
3.2.
Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag afgewezen. Met het besluit van 17 juni 2021 is het college bij dat besluit gebleven.
3.3.
Deze rechtbank heeft op 23 juni 2023 uitspraak gedaan op het beroep van eiseres tegen het besluit van 17 juni 2021. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in strijd met het vertrouwensbeginsel is genomen. Het besluit van 17 juni 2021 is vernietigd en het college is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
3.4.
Met het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiseres gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de omgevingsvergunning verleend.

Overwegingen

Is er sprake van procesbelang?
4. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiseres procesbelang heeft bij deze beroepsprocedure. Volgens vaste rechtspraak is er sprake van procesbelang als het doel dat een partij met de beroepsprocedure voor ogen staat ook daadwerkelijk met dit rechtsmiddel kan worden bereikt en voor die partij feitelijk van betekenis is. De bestuursrechter dient het beroep niet-ontvankelijk te verklaren indien het procesbelang ontbreekt.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen concreet belang bij de behandeling van haar beroep. De rechtbank overweegt dat eiseres met het bestreden besluit de omgevingsvergunning heeft gekregen die zij op 26 juni 2020 heeft aangevraagd. De rechtbank kan niet inzien hoe vernietiging van het bestreden besluit en, uiteindelijk, eventuele herroeping van de aan eiseres verleende omgevingsvergunning in haar belang is. Procesbelang kan verder niet zijn gelegen in de vaststelling dat het bestreden besluit onrechtmatig is met het oog op een schadevergoeding die eventueel in een civiele procedure kan worden gevorderd. De schade die eiseres zegt te hebben geleden is immers niet het gevolg van het nu bestreden besluit, maar van de oorspronkelijke weigering de gevraagde vergunning te verlenen (waarvan de onrechtmatigheid al vaststaat gezien de uitspraak van 23 juni 2023), dan wel van het niet verlenen van de andere vergunningen die voor het kunnen exploiteren van een speelautomatenhal nodig zouden zijn. Ook de mogelijke vaststelling van een bedrag aan schadevergoeding in deze bestuursrechtelijke procedure levert geen procesbelang op. Eiseres heeft ter zitting, op vragen van de rechtbank, namelijk gezegd dat het haar in deze procedure niet om een dergelijke schadevergoeding gaat. Overigens hebben partijen al bij de civiele rechter geprocedeerd over een eventuele schadevergoeding, en loopt daarover op dit moment nog een hoger beroep. Dat betekent dat de rechtbank – gelet op artikel 8:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – niet bevoegd zou zijn om kennis te nemen van een schadevergoedingsverzoek.
4.2.
Het voorgaande betekent dit beroep voor eiseres feitelijk niet van betekenis is en zij geen procesbelang heeft.
4.3.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij het inhoudelijke betoog van eiseres dat het bestreden besluit onrechtmatig dient te worden verklaard omdat daarin niet ook over eventuele schadevergoeding is besloten niet kan volgen. Uit de uitspraak van 23 juni 2023 volgt niet dat het college verplicht was over schadevergoeding te besluiten gelijktijdig met het nemen van een nieuw besluit op bezwaar over de omgevingsvergunning. Dat blijkt ook daaruit dat in die uitspraak is overwogen dat “het college separaat een besluit zal moeten nemen op het door eiseres bij haar aanvullende bezwaarschrift ingediende verzoek om schadevergoeding”. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vergunning alleen mocht worden verleend onder gelijktijdige vergoeding van beweerdelijk geleden schade. Het is denkbaar dat hetzij het evenredigheidsbeginsel, hetzij het vertrouwensbeginsel meebrengt dat een besluit dat negatieve gevolgen van enige omvang heeft onrechtmatig is als niet tegelijkertijd vergoeding wordt geboden voor die gevolgen. Die situatie doet zich hier echter niet voor, omdat het bestreden besluit inhoudt dat eiseres de door haar gevraagde vergunning krijgt, en het besluit als zodanig dus geen nadelige gevolgen voor haar heeft. De conclusie van de staatsraad advocaat-generaal Snijders waar eiseres naar verwijst (ECLI:NL:RVS:2024:3420) leidt ook niet tot een andere uitkomst, omdat het in die conclusie ging over besluiten in strijd met gewekt vertrouwen. Die situatie doet zich hier niet voor. De aangevraagde vergunning is immers bij het bestreden besluit verleend.

Conclusie

5. De rechtbank zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Er bestaat geen aanleiding om de proceskosten van eiseres te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr.I. Ince, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de rechtbank van 23 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:9043.