Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] BV, gevestigd te [plaats], eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder,
de Staat der Nederlanden, de Minister van Justitie en Veiligheid, de Staat.
Procesverloop
Overwegingen
Geschil3. In geschil is de hoogte van de verschuldigde BPM en meer in het bijzonder is het volgende in geschil:
De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU Pro is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd [1] .
Beslissing
- verklaart de beroepen met zaaknummers SGR 24/634 t/m SGR 24/637 en SGR 24/643 gegrond ten aanzien van de ontvankelijkheid in bezwaar en voor het overige ongegrond;
- verklaart de overige beroepen ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 3.635;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 865;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.399;
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 365