Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9536

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
NL25.55272
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30b lid 1 onder g Vw 2000Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing herhaalde asielaanvraag wegens zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek

Eiser, van Iraanse nationaliteit, diende een herhaalde asielaanvraag in op grond van afvalligheid van religie, politieke overtuiging en risico bij terugkeer. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, stellende dat afvalligheid en nieuwe overtuiging niet geloofwaardig waren en dat er geen reëel risico bestond bij terugkeer.

De rechtbank oordeelt dat de minister de afvalligheid terecht ongeloofwaardig achtte, mede vanwege eerdere onherroepelijke beslissingen en onvoldoende onderbouwing door eiser. Ook de nieuwe overtuiging en de problemen met autoriteiten vanwege een dagvaarding werden niet aannemelijk gemaakt. De politieke overtuiging werd erkend, maar de minister had onvoldoende onderzocht hoe en in welke mate eiser deze bij terugkeer zou uiten.

De rechtbank constateert dat de minister het toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak niet volledig heeft toegepast, waardoor het besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek bevat. Tevens is onvoldoende gemotiveerd waarom eiser geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer, mede gelet op mogelijke ondervraging en onderzoek van elektronische gegevens.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt de minister binnen acht weken na het besluitmoratorium een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen acht weken na het besluitmoratorium.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55272
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 20001. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat het besluit een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek bevat
.Het besluit wordt daarom vernietigd. Het beroep van eiser is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
3. Eiser heeft een herhaalde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1986. De minister heeft met het bestreden besluit van 4 november 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S.M. Razaghi als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De voorgeschiedenis
6. Eiser heeft twee keer eerder asiel aangevraagd in Nederland. Eiser heeft op 19 oktober 2015 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat hij bekeerd is van de islam naar het christendom. Deze aanvraag is bij besluit van 18 mei 2017 ongegrond verklaard. Dat besluit staat in rechte vast, nu het tegen dit besluit ingestelde beroep niet-ontvankelijk is verklaard door rechtbank Den Haag, deze zittingsplaats, in haar uitspraak van 4 juli 2017.
7. Eiser heeft vervolgens op 1 mei 2019 een herhaalde asielaanvraag gedaan. Eiser heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat hij een geloofsgroei heeft doorgemaakt. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 30 juni 2021 niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep en hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is op 15 april 2022 ongegrond verklaard, waarmee het besluit van 30 juni 2021 onherroepelijk is geworden.
Het asielrelaas
8. Eiser legt aan zijn herhaalde asielaanvraag ten grondslag dat hij afvallig is van zowel de islam als het christendom en dat hij een nieuwe overtuiging heeft zonder religie. Eiser heeft daarnaast actief opgeroepen om deel te nemen aan demonstraties in Iran en zich geuit op social media. Ook heeft eiser problemen met de Iraanse autoriteiten vanwege een dagvaarding.
Het bestreden besluit
9. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) Afvalligheid;
(3) Eisers nieuwe overtuiging;
(4) Politieke overtuiging en activiteiten in Nederland;
(5) Problemen met de autoriteiten vanwege de dagvaarding.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat zowel het eerste en het vierde asielmotief geloofwaardig zijn. De minister is echter van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat. De minister vindt het verder niet geloofwaardig dat eiser afvallig is (het tweede asielmotief). Hiertoe heeft de minister overwogen dat eiser het asielmotief niet heeft onderbouwd met objectieve documenten en dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. In de eerste asielprocedure maakte eisers afvalligheid onlosmakelijk deel uit van het proces tot bekering tot het christendom. Deze bekering is niet geloofwaardig geacht. In de tweede asielprocedure is ook geoordeeld dat er geen sprake was van een losse fase van afvalligheid. Er is geen aanleiding om te concluderen dat eiser op grond van zijn nieuwe overtuiging als afvallig dient te worden aangemerkt. Ook vindt de minister het derde asielmotief (de nieuwe overtuiging) en het vijfde asielmotief (de problemen met de autoriteiten vanwege de dagvaarding) niet geloofwaardig. Eiser heeft deze asielmotieven namelijk niet volledig onderbouwd met objectieve documenten en zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister concludeert dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is, op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vw.
De afvalligheid
10. Eiser voert aan dat in zijn eerste asielaanvraag zijn proces van bekering ten onrechte niet als een losstaand proces van zijn afvalligheid van de islam is beoordeeld. De eerste procedure is niet in rechte vast komen te staan, omdat er destijds ander beleid gold waarbij afvalligheid niet als losstaand element werd beoordeeld. Dat er destijds geen rechtsmiddelen zijn aangewend komt door het handelen van de vorige gemachtigden van eiser en is niet aan eiser te wijten. Eiser was in Iran al afvallig en heeft zich op een later moment bekeerd tot het christendom. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat hij een geleidelijk proces heeft doorgemaakt waarbij hij eerst afvallig was van de islam en zich vervolgens heeft bekeerd tot het christendom. Omdat eiser steeds meer twijfels kreeg bij het christendom, is hij agnost geworden, waarna zijn overtuiging zich heeft ontwikkeld tot zacht atheïsme. De politieke overtuiging van eiser vloeit daarnaast voort uit zijn afvalligheid. De minister kan niet de politieke overtuiging geloofwaardig vinden, zonder de afvalligheid geloofwaardig te vinden. Zijn politieke overtuiging en afvalligheid zijn namelijk met elkaar verbonden.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de afvalligheid van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig gevonden. In de eerste asielprocedure van eiser is niet gebleken van twee duidelijk te onderscheiden fases van eerst een fase van afvalligheid en vervolgens een fase van bekering. Omdat destijds eisers bekering tot het christendom ongeloofwaardig is geacht, is ook eisers gestelde afvalligheid ongeloofwaardig geacht. Dit oordeel is in rechte vast komen te staan. Dat er op het moment van eisers eerste asielaanvraag sprake was van ander beleid dan nu, leidt er niet toe dat in deze procedure niet meer kan worden uitgegaan van dat in rechte vaststaande oordeel. Volgens vaste rechtspraak geldt namelijk het uitgangspunt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt.2 Dit geldt ook voor beleidsregels. Voor zover eiser betoogt dat het beleid destijds verkeerd is toegepast, overweegt de rechtbank dat eiser daartegen destijds kon opkomen bij de rechtbank en zo nodig in hoger beroep. Over het betoog van eiser dat destijds fouten zijn gemaakt door zijn gemachtigden, merkt de rechtbank op dat uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat een fout van een eerdere gemachtigde voor rekening en risico van de vreemdeling komt.3 De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om niet uit te gaan van het in rechte vaststaande besluit over de eerste asielaanvraag.
12. Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat er sprake is van een doorlopend proces van ontwikkeling van zijn religieuze overtuiging, te weten van de islam via het christendom naar agnosticisme en uiteindelijk het zachte atheïsme . Eisers bekering tot het christendom is immers in de eerdere asielprocedures ongeloofwaardig gevonden, waarmee ook de afvalligheid van eiser ongeloofwaardig is bevonden. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat wat eiser in deze procedure naar voren heeft gebracht over dat zijn afvalligheid een doorlopend proces is, geen aanleiding geeft om de afvalligheid nu geloofwaardig te achten.
13. Ook volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat zijn politieke overtuiging geloofwaardig is geacht en dat daarom zijn afvalligheid ook geloofwaardig moet worden geacht. De rechtbank is, net als de minister, van oordeel dat er weliswaar verwevenheid kan bestaan tussen een politieke overtuiging en afvalligheid, maar dat deze elementen ook los van elkaar kunnen bestaan. Eiser heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe zijn politieke overtuiging en afvalligheid met elkaar verband houden en waarom in zijn specifieke geval de geloofwaardig geachte politieke overtuiging maakt dat zijn afvalligheid ook geloofwaardig geacht moet worden. Dat eiser tegen het islamitische regime in Iran is, leidt namelijk niet vanzelfsprekend tot de conclusie dat eiser ook afvallig is. De beroepsgrond slaagt niet.
De nieuwe overtuiging
14. Eiser voert aan dat hij, nadat hij het christendom aan de kant heeft gezet, agnost is geworden. Dit heeft eiser dan ook in eerste instantie ten grondslag gelegd aan onderhavige asielaanvraag. Na de aanvraag is het geloof van eiser in een schepper nog verder afgezwakt, waardoor hij een zachte atheïst is geworden. Voor eiser is dit een doorlopend proces geweest van agnosticisme tot atheïsme. Tussen de aanvraag en het gehoor zit veel tijd en in die tijd heeft dit proces plaatsgevonden. Eiser heeft pas op het moment van het gehoor kunnen aangeven dat hij atheïst is geworden. De minister kan daarom niet aan hem tegenwerpen dat op de aanvraag staat dat hij agnost is en niet dat hij atheïst is. Eiser heeft ook niet tegenstrijdig verklaard. Eiser is sinds het gesprek met meneer [naam] (diaken binnen de Evangelische Gemeenschap in [plaats] ) veranderd. Destijds probeerde eiser zich rustig te krijgen met het christendom, maar ook aan deze religie begon hij steeds meer te twijfelen na zijn relatiebreuk. Eiser heeft niet tegenstrijdig verklaard over het bestaan van god, want als zachte atheïst gelooft hij wel dat er “iets” moet bestaan.
15. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft op 29 september 2023 onderhavige herhaalde asielaanvraag ingediend en is pas op 10 december 2024 en 20 januari 2025 gehoord door de minister. De rechtbank kan zich voorstellen dat iemand in die periode een ontwikkeling kan doormaken in zijn of haar overtuiging. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn nieuwe overtuiging geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser in algemene termen heeft verklaard over zijn overtuiging en dat eiser geen inzicht heeft weten te geven in het innerlijke proces dat hem tot de zacht atheïstische overtuiging heeft gebracht.
Zo heeft eiser verklaard: “
Ik heb goed gestudeerd en ben tot de conclusie gekomen dat dit allemaal onzin is” en “
als mensen goede zaken verrichten dan krijg je goede resultaten. Als mensen slechte zaken verrichten dan krijg je slechte resultaten. Het hellevuur is onzin”.4 Eiser stelt dat hij na het indienen van onderhavige asielaanvraag meer heeft gestudeerd en meer onderzoek heeft gedaan, maar hij heeft met zijn verklaringen niet inzichtelijk gemaakt wat dit heeft opgeleverd. Verder heeft de minister mogen betrekken dat de verklaringen van eiser niet stroken met de inhoud van de brief van [naam] . Zo volgt uit de brief van [naam] van 1 december 2021 dat eiser op dat moment nog christen was, terwijl eiser tijdens het gehoor heeft verklaard dat hij het christelijk geloof in januari 2021 aan de kant heeft gezet en vervolgens als agnost door het leven gaat. Verder volgt uit de brief van [naam] dat eiser zich na de breuk met zijn ex-vriendin heeft overgegeven aan God5, terwijl eiser tijdens het gehoor heeft verklaard dat deze relatiebreuk een van de redenen was waardoor hij begon te twijfelen aan het christendom.6 Ook heeft eiser tijdens het gehoor te kennen gegeven dat er verschillende vervelende gebeurtenissen (waaronder de relatiebreuk) ten grondslag liggen aan zijn afvalligheid van het christendom, welke hebben plaatsgevonden vóór de totstandkoming van de brief van [naam] van 1 december 2021. Dit is niet te verenigen met de inhoud van de brief van [naam] , waaruit naar voren komt dat eiser toen nog christen was en waarin staat dat eiser over de vraag hoe je vertrouwt in God en zijn Woord heeft verklaard: “
Als christen die de liefde van God in zijn hart heeft en ook eeuwige zekerheid heeft, is het moeilijk te begrijpen waarom sommige mensen atheïst zijn”.7 De minister heeft de verklaring van eiser dat hij vergeetachtig zou zijn geworden en een verkeerde datum heeft genoemd voor het moment dat hij zich heeft afgekeerd van het christendom, ontoereikend mogen achten. De minister heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat eiser onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij tot het atheïsme is gekomen en dat de verklaringen van eiser hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De beroepsgrond slaagt niet.
De problemen met de autoriteiten vanwege de dagvaarding
16. Eiser voert aan dat hij is gedagvaard. Hij heeft de uitdraai van de pdf van de dagvaarding overgelegd, waarvan hij stelt dat deze afkomstig is uit het Sanaa-systeem van zijn moeder. Er zijn geen papieren dagvaardingen met een stempel meer zoals vroeger, er zijn alleen digitale pdf’s. Eiser is al jaren weg uit Iran en heeft geen weet van het Sanaa-systeem. De minister kan daarom niet tegenwerpen dat eiser meer navraag had moeten doen bij zijn familie over het document. Ook heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Eiser heeft zichzelf jarenlang ongedocumenteerd staande moeten houden en heeft veel drugs gebruikt, waardoor hij geen standaard referentiekader heeft. Eiser heeft in zijn correcties en aanvullingen tijdig gecorrigeerd dat het document niet fysiek overhandigd is. Tijdens de zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat het mogelijk is dat eisers verklaringen tijdens het gehoor niet goed zijn vertaald waardoor verwarring is ontstaan over of eisers moeder de dagvaarding ook op papier heeft ontvangen.
Documenten
17. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat er communicatieproblemen waren tussen eiser en de tolk tijdens het gehoor. Eiser heeft tijdens het gehoor verklaard dat de tolk uitstekend zijn werk heeft gedaan.8 Uit het gehoor blijkt niet dat er problemen waren met de vertaling en eiser heeft van de gestelde vertaalproblemen geen melding gemaakt in de correcties en aanvullingen.
18. Eiser heeft tijdens het nader gehoor meerdere malen verklaard dat de dagvaarding aan de moeder van eiser is overhandigd.9 Ook heeft eiser op de vraag van de gehoormedewerker waar het originele document is, geantwoord: “
Thuis. Mijn moeder heefthet in ontvangst genomen”.10Eiser heeft deze verklaringen in de correcties en aanvullingen gecorrigeerd en gesteld dat hij niet bedoelde dat de dagvaarding daadwerkelijk is overhandigd. De autoriteiten zouden het document alleen hebben laten zien aan de familie van eiser en het zou zijn geüpload in het Sanaa-systeem van zijn moeder. Eiser heeft bij deze correcties echter nagelaten om toe te lichten waarom het rapport van het gehoor niet zou kloppen. In de correcties en aanvullingen is geen melding gemaakt van mogelijke vertaalfouten of andere redenen waarom de vertaling niet zou kloppen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister mocht uitgaan van de verklaringen van eiser in het rapport van het gehoor. Hierbij is ook van belang dat aan eiser tijdens het gehoor is gevraagd of hij het originele document zou kunnen opsturen, waarop eiser heeft geantwoord: “
Eerst moet mijn zusje proberen het document van mijn moeder te krijgen, En dan moet ze het naar mij opsturen.”11 Ook deze verklaring lijkt te onderschrijven dat eiser heeft bedoeld dat de dagvaarding een fysiek document was dat aan zijn familie is overhandigd.
19. De stelling van eiser dat de dagvaarding in het Sana-systeem van zijn moeder zou zijn geüpload, volgt de rechtbank ook niet. Deze gang van zaken strookt namelijk niet met hetgeen volgt uit het Algemeen ambtsbericht van Iran van 2023. Hieruit volgt dat iemand die in de rechtbank moet verschijnen, een notificatie per sms ontvangt dat er een brief in het Sana-account staat. Als iemand die betrokken is bij een rechtszaak geen Sana-account heeft, wordt er een papieren notificatie aan de deur afgegeven. Daarin staat dat de geadresseerde verplicht is om zich te registreren via het Sana-systeem voor de vervolgstappen.12
20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en dat hij daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven.
Verklaringen
21. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de verklaringen van eiser met betrekking tot de problemen met de autoriteiten vanwege de dagvaarding geen samenhangend en aannemelijk geheel heeft kunnen vinden. De minister heeft hierbij mogen betrekken dat niet valt in te zien dat eiser niet uitvoeriger en gedetailleerder heeft kunnen verklaren over de gestelde dagvaarding en de gestelde huiszoeking. Zo heeft eiser verklaard niet te weten door welke rechtbank hij is gedagvaard en wanneer het document naar zijn ouders zou zijn gestuurd. Ook weet eiser niet wanneer de huiszoeking zou zijn geweest, en of zijn zusje aanwezig was tijdens de huiszoeking, terwijl eiser wel contact zou hebben gehad met zijn zusje over de huiszoeking.13 Eiser heeft dit in beroep niet met kracht van argumenten bestreden.
De politieke overtuiging
22. Eiser voert aan dat hij een fundamentele politieke overtuiging heeft. Zijn social media activiteiten zijn niet marginaal. Dat eiser niet voor 2022 politiek actief was, doet niet af aan zijn huidige politieke overtuiging. Eiser streamt op social media waarbij hij kritiek uit op de Iraanse autoriteiten en hij heeft een groot bereik. Eiser heeft ter onderbouwing screenshots van verschillende social media accounts overgelegd, waar hij ook bedreigingen heeft ontvangen. Een ander social media account van eiser (Instagram) is geblokkeerd door de Iraanse cyberpolitie (FATA). Tijdens de zitting heeft eiser nog een social media account laten zien. Ook beschikt de Iraanse overheid over een gezichtsherkenningssysteem, waarmee ze via internet en camerabeelden personen kunnen opzoeken en vinden. Daarnaast heeft de minister niet gekeken naar hoe eiser zich wenst te uiten bij terugkeer. De minister heeft alleen gekeken naar hoe eiser zich in het verleden heeft geuit.
23. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister mogen vinden dat de politieke activiteiten van eiser geen blijk geven van een sterke politieke overtuiging. De minister heeft hierbij mogen betrekken dat de beperkte mate waarin eiser politiek actief was op social media niet getuigt van een sterke politieke overtuiging. Uit de door eiser overgelegde social media screenshots blijkt dat hij weinig politieke content heeft gepost en dat hij enkel reageert op berichten van anderen, maar niet op eigen initiatief zijn politieke mening kenbaar maakt. Eiser heeft zelf verklaard niet zo actief te zijn op Facebook en heeft gesteld dat Facebook niet zo veel aanhangers heeft in Iran.14 Het Twitch account van eiser heeft slechts 3 volgers en bevat geen video’s of openbare berichten die aan eiser te koppelen zijn. Ook op het (game)platform Pubq is het niet mogelijk om de spelers online openbaar te bekijken. Daarbij heeft eiser niet onderbouwd dat anderen via deze accounts achter zijn persoonsgegevens kunnen komen en dat hij als gevolg daarvan in de negatieve aandacht is komen te staan. Van de twee Instagram accounts die eiser heeft overgelegd is één account afgeschermd en niet inhoudelijk te bekijken. Het andere Instagram account is met name gevuld met gamevideo’s en bevat geen politieke content. Ook staat dit account niet op de naam van eiser en is er geen foto van eiser te zien. De social media berichten die eiser tijdens de zitting heeft laten zien – naar de rechtbank begrijpt gaat het om een onderdeel van een Instagram account van eiser – veranderen het oordeel van de rechtbank niet. De berichten die eiser heeft laten zien dateren van na het bestreden besluit. De rechtbank hecht hieraan geen doorslaggevende waarde. De stellingen van eiser dat een eerder Instagram account zou zijn geblokkeerd door de FATA en dat hij bedreigingen heeft ontvangen op social media naar aanleiding van zijn politieke content, heeft eiser niet geconcretiseerd.
24. Over het gezichtsherkenningssysteem waarover de Iraanse autoriteiten beschikken, heeft de minister kunnen overwegen dat eiser geen concrete aanknopingspunten heeft aangedragen waaruit blijkt dat juist hij door dergelijke technieken herkend zou zijn dan wel in de negatieve belangstelling zou staan. Ook heeft de minister kunnen betrekken dat de verklaringen van eiser over de demonstraties die hij heeft bijgewoond (en het oproepen tot demonstraties) van algemene aard, en niet persoonlijk of diepgaand zijn. Niet is gebleken dat eiser vanwege deelname aan demonstraties in de negatieve belangstelling staat van de Iraanse autoriteiten.
25. Uit het voorgaande volgt dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet aannemelijk is dat eiser door de manier waarop hij zijn politieke overtuiging heeft geuit in de negatieve belangstelling is komen te staan van de Iraanse autoriteiten.
26. De rechtbank overweegt verder dat de Afdeling in haar uitspraak van 17 januari 202415 heeft geoordeeld dat de minister bij de beoordeling van de zwaarwegendheid de sterkte van de politieke overtuiging en de mate waarin deze overtuiging door de vreemdeling wordt geuit of eventueel zal worden geuit, moet betrekken. De minister heeft in onderhavige zaak aangenomen dat eiser een politieke overtuiging heeft, maar heeft bij de zwaarwegendheidstoets niet betrokken in welke mate eiser zijn politieke overtuiging bij terugkeer zal uiten. De minister heeft alleen gekeken naar hoe eiser zijn politieke overtuiging in het verleden heeft geuit en geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat eiser daardoor problemen zal ondervinden. In het gehoor is ook niet gevraagd hoe eiser zijn politieke overtuiging wil gaan uiten bij terugkeer. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door het toetsingskader uit de genoemde Afdelingsuitspraak niet in acht te nemen. Het bestreden besluit bevat hiermee een zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank gaat bij de conclusie in op de gevolgen die dit heeft.
Risico bij terugkeer
27. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Iran ondervraagd zal worden door de autoriteiten. De kans op ondervraging is aannemelijk omdat eiser een lange tijd in het buitenland heeft verbleven en zal moeten inreizen met een laissez passer. Tijdens de zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat bij de ondervraging ook de inhoud van laptops, mobiele telefoons en harddrives kunnen worden gecontroleerd. Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van 8 december 2025, van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag.16 Verder zal eiser moeten verklaren dat hij moslim is, hetgeen een schending van zijn vrijheid en religie oplevert.
28. De rechtbank stelt vast dat er een risico bestaat dat eiser bij terugkeer ondervraagd zal worden. Uit het Algemeen ambtsbericht Iran 2023 volgt namelijk dat vreemdelingen die terugkeren naar Iran, bij aankomst op het vliegveld problemen kunnen ondervinden met de autoriteiten.17 Bij de controles op het vliegveld is volgens het ambtsbericht sprake van willekeur. Daarbij valt op dat personen die terugreizen met een laissez-passer een groter risico lopen om ondervraagd te worden over hun verblijf in het buitenland. Ook volgt uit het ambtsbericht dat, als iemand asiel heeft aangevraagd en de autoriteiten daarvan op de hoogte zijn en deze persoon keert terug omdat het niet is gelukt, dit het risico om in de problemen te komen aanzienlijk kan verhogen. Ook komen er in toenemende mate berichten naar buiten waaruit blijkt dat personen onder druk worden gezet om de wachtwoorden van hun social media accounts af te geven. De minister heeft het risico op ondervraging bij terugkeer erkend, maar zich op het standpunt gesteld dat dit niet betekent dat eiser daardoor een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM.18
29. Bekend is dat de Iraanse autoriteiten zich realiseren dat Iraniërs in het buitenland een asielaanvraag indienen waarbij zij gebruik maken van verhalen die niet (volledig) op waarheid berusten en dat in die zin ook accepteren.19 Dat er een risico bestaat dat eiser ondervraagd zal worden over zijn verblijf in het buitenland, betekent niet direct dat eiser zal worden blootgesteld aan zwaarwegende problemen die vervolging of ernstige schade met zich meebrengen. Gelet op de niet ten onrechte ongeloofwaardig geachte afvalligheid en atheïsme, is het niet onaanvaardbaar dat de minister van eiser verwacht dat hij tegenover de Iraanse autoriteiten verklaart dat hij nog moslim is, als hem dat wordt gevraagd. Dat dit een ontoelaatbare aantasting oplevert van eisers religieuze identiteit volgt de rechtbank niet, gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat eiser vanwege mogelijke ondervraging geen reëel risico loopt op grond van zijn religieuze identiteit. Dit betoogt slaagt dan ook niet.
30. De minister heeft bij zijn beoordeling van het risico vanwege ondervraging echter de geloofwaardig geachte politieke overtuiging van eiser niet kenbaar betrokken. Daarmee heeft de minister niet kenbaar betrokken welke gevolgen een ondervraging bij terugkeer kan hebben in het licht van de politieke overtuiging van eiser. Daarbij wijst de rechtbank erop dat eiser heeft aangevoerd dat bij de ondervraging ook de inhoud van elektronische gegevensdragers kunnen worden onderzocht. De rechtbank wijst in dit verband ook op de in de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 202620 genoemde informatie, waaruit naar voren komt dat mensen onder druk worden gezet om inloggegevens van hun social media accounts af te staan. De minister heeft dit niet kenbaar bij zijn besluit betrokken. Hoewel uit de door eiser overgelegde social media screenshots blijkt dat hij weinig politieke content heeft gepost, is het aan de minister om in het besluit kenbaar in te gaan op hoe aannemelijk het is dat de Iraanse autoriteiten alsnog van de politieke overtuiging van eiser op de hoogte raken door ondervraging en mogelijk onderzoek van zijn social media accounts bij terugkeer, en welke gevolgen dat voor eiser zou kunnen hebben. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM op grond van zijn politieke overtuiging als hij bij terugkeer op de luchthaven aan ondervraging wordt onderworpen.
Conclusie en gevolgen
31. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade op grond van zijn politieke overtuiging. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en zal de minister opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Gelet op het inmiddels ingestelde besluitmoratorium voor Iran, stelt de rechtbank de termijn waarbinnen de minister een nieuw besluit moet nemen vast op acht weken na afloop van het besluitmoratorium.
32. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het bestreden besluit van 4 november 2025;
-bepaalt dat de minister binnen 8 weken na het verstrijken van het besluitmoratorium in Iraanse zaken een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
-veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 maart 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
__________________________________
1. Vreemdelingenwet 2000.
2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 december 2018, ECLI:N:RVS:2018:4158.
3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:154.
4 Gehoor opvolgende aanvraag van 10 december 2024 en 20 januari 2025, pagina 9.
5 Idem, pagina 9.
6 Idem, pagina’s 8 en 14.
7 Brief van [naam] van 1 december 2021, pagina 5.
8 Gehoor opvolgende aanvraag van 10 december 2024 en 20 januari 2025, pagina 35.
9 Idem, pagina’s 30 en 31.
10 Idem.
11 Idem, pagina 31.
12 Algemeen ambtsbericht van Iran van 2023, pagina 98.
13 Gehoor opvolgende aanvraag van 10 december 2024 en 20 januari 2025, pagina’s 29 en 30.
14 Idem, pagina 27.
17 Algemeen Ambtsbericht Iran 2023, pagina’s 114 tot en met 119.
18 Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
19 Uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1668.